Wet vorm van de eed

WvdE

Huidige tekst

Artikel 1 WvdE

Geldt sinds 24 augustus 1911

Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal: a.indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig", b.indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: "Dat beloof ik", indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: "Dat verklaar ik", tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RVS:2001:AD8743Raad van State, 16 januari 2001 (bestuursrecht)

    Geen mogelijkheid tot afwijking van de in art. 14 Provinciewet voorgeschreven tekst bij aflegging eed. Art. 14 Provinciewet niet in strijd met art. 9 EVRM. Afwijzing door de voorzitter van het…

  • ECLI:NL:RBHAA:2000:AA8956Rechtbank Haarlem, 7 november 2000 (bestuursrecht)

    Geen mogelijkheid tot afwijking van de in art. 14 Provinciewet voorgeschreven tekst bij eedsaflegging. Verweerder heeft op goede gronden geweigerd eiser toe te laten tot het afleggen van een van de…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.