Wet vaststellingsprocedure staatloosheid

Huidige tekst

Artikel 3 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid

Geldt sinds 1 oktober 2023

  1. 1

    Omtrent verzoeken als bedoeld in artikel 2 hoort de rechtbank de Staat. In afwijking van artikel 79 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de Staat zonder advocaat in rechte optreden.

  2. 2

    Indien de verzoeker tevens een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend, is een verzoek als bedoeld in artikel 2 niet-ontvankelijk zolang de beschikking van Onze Minister op die aanvraag nog niet onherroepelijk is.

  3. 3

    De rechtbank beslist binnen zes maanden na indiening van het verzoek. Hij kan deze termijn verlengen met nog eens zes maanden, indien hij dat noodzakelijk acht.

  4. 4

    Indien na de indiening van het verzoek een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt gedaan, houdt de rechtbank de behandeling van de zaak aan totdat de beschikking van Onze Minister op die aanvraag onherroepelijk is geworden. Het derde lid is niet van toepassing.

  5. 5

    Van de beschikking van de rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:13136Rechtbank Den Haag, 24 juni 2025 (personen- en familierecht)

    Vaststelling staatloosheid. Verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek. Verzoeker valt onder de reikwijdte van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.