Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Rode Kruis Verdrag

Huidige tekst

Artikel 35 Rode Kruis Verdrag

Geldt sinds 3 februari 1955

De tot de strijdkrachten behorende geestelijken die in handen van de vijandelijke Mogendheid vallen en die gebleven of aangehouden zijn om krijgsgevangenen bij te staan, zijn bevoegd hun geestelijke bijstand te verlenen en hun ambt vrijelijk onder hun geloofsgenoten uit te oefenen overeenkomstig hun godsdienstige gewetensplicht. Zij zullen worden verdeeld over de verschillende kampen en werkgroepen waarin zich krijgsgevangenen bevinden, die tot dezelfde krijgsmacht behoren, dezelfde taal spreken of dezelfde godsdienst belijden. Zij zullen de nodige faciliteiten genieten en in het bijzonder gebruik kunnen maken van de in artikel 33 bedoelde vervoermiddelen, ten einde de krijgsgevangenen buiten hun kamp te bezoeken. Onverminderd de censuur, genieten zij voor hun ambtelijke aangelegenheden vrijheid van correspondentie met de kerkelijke autoriteiten van het gevangenhoudende land en internationale godsdienstige organisaties. De brieven en briefkaarten welke zij tot dat doel verzenden, vallen buiten de aantallen, bedoeld in artikel 71.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.