Huidige tekst
Artikel 6 Verdrag van de Raad van Europa inzake cinematografische coproductie (herzien)
Verhouding tussen de inbreng van de coproducenten 1 In het geval van een multilaterale coproductie mag de kleinste inbreng niet minder dan 5% en de grootste inbreng niet meer dan 80% bedragen van de totale productiekosten van een cinematografisch werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren. 2 Wanneer dit Verdrag ingevolge de bepalingen van artikel 2, vierde lid, tussen twee partijen als bilateraal verdrag geldt, mag de kleinste inbreng niet minder dan 10% en de grootste inbreng niet meer dan 90% bedragen van de totale productiekosten van het cinematografische werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren.