Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Huidige tekst

Artikel 6 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Geldt sinds 15 september 1983

De Partijen zijn het erover eens dat artikel 6 een vergaande wederzijdse verplichting in het leven roept tot inwilliging van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming. Aangezien dit soort rechtshulp dwangmaatregelen met zich meebrengt die in ernstige mate kunnen ingrijpen in het privé-leven en de privé-aangelegenheden van particulieren, komen de Partijen overeen dat verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming alleen zullen worden ingewilligd in gevallen waarin het strafbare handelen of nalaten strafbaar is gesteld krachtens de wetten van beide Staten, en aan het verzoek gevolg wordt gegeven overeenkomstig de interne wetten en administratieve gebruiken van de aangezochte Staat. In het Koninkrijk der Nederlanden houdt het bestaande administratieve gebruik in, dat met betrekking tot wat worden genoemd „fiscale delicten", te weten delicten die betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten en deviezentransacties, van dit soort dwangmaatregelen slechts zeer behoedzaam gebruik wordt gemaakt. Dienovereenkomstig stelt de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich op het standpunt dat zij bij het gevolg geven aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming op grond van internationale overeenkomsten, niet af wil wijken van haar terughoudend beleid. De Regering van het Koninkrijk vat artikel 6 aldus op dat dit haar toestaat haar gebruikelijke terughoudendheid te blijven betrachten bij het gevolg geven aan verzoeken met betrekking tot fiscale delicten. Bepaalde federale wetten van de Verenigde Staten, zoals die betreffende verdovende middelen, giftige chemicaliën, stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, vuurwapens en andere wapens, explosieven en middelen tot brandstichting, berusten op constitutionele bevoegdheden zoals de bevoegdheid belastingen te heffen en de volksgezondheid te bevorderen, en zijn derhalve neergelegd in wetgeving op het gebied van belastingen, volksgezondheid, en in andere wetten. Het Koninkrijk der Nederlanden is niet voornemens bij het gevolg geven aan verzoeken van de Verenigde Staten met betrekking tot die wetten de terughoudendheid te betrachten die het gewoonlijk in acht neemt met betrekking tot fiscale delicten naar de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden. Deze terughoudendheid wordt alleen betracht wanneer de desbetreffende delicten betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten of deviezentransacties naar de wetgeving van beide Partijen. Krachtens de wetten en gebruiken in de Verenigde Staten zijn de vereisten voor huiszoeking en inbeslagneming in fiscale zaken niet strenger dan in andere zaken. Uit een verzoek om een bevel tot huiszoeking en inbeslagneming in de Verenigde Staten moet blijken dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een strafbaar feit is gepleegd en dat bewijsmateriaal aangaande dat strafbare feit zal worden gevonden bij de persoon bij wie of in het perceel waar huiszoeking moet worden verricht. De persoon bij wie of het perceel waarin huiszoeking moet worden verricht en de goederen die in beslag moeten worden genomen, dienen nauwkeurig te worden omschreven. Derhalve dient bij een verzoek tot huiszoeking en inbeslagneming van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Verenigde Staten in de regel een verklaring te zijn gevoegd, afgelegd door of ten overstaan van een rechter van het Koninkrijk der Nederlanden, waaruit de feiten, die de grondslag bieden voor het geven van het bevel, blijken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2020:622Hoge Raad, 7 april 2020 (strafrecht)

    Beklag, beslag van i.h.k.v. rechtshulpverzoek van VS o.b.v. Rechtshulpverdrag tussen VS en Nederland inbeslaggenomen voorwerpen onder klager (Iraanse nationaliteit) t.z.v. verdenking van onrechtmatig…

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:5760Rechtbank Amsterdam, 12 september 2024 (internationaal strafrecht)

    Vordering verlof ex artikel 5.1.10 Sv, verlof verleend.

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:6045Rechtbank Amsterdam, 11 september 2024 (europees strafrecht)

    Vordering ex artikel 5.1.10, derde lid, Sv. Verlof verleend.

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:4640Rechtbank Amsterdam, 24 juli 2024 (strafrecht)

    vordering ex artikel 5.1.10 Sv; verlof verleend

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.