Huidige tekst
Artikel 6 SUA 1988
- 1
Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3 bis, 3 ter en 3 quater omschreven strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd: (a) tegen of aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd; of (b) op het grondgebied van die Staat, met inbegrip van zijn territoriale zee; of (c) door een onderdaan van die Staat.
- 2
Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer: (a) het feit wordt gepleegd door een staatloze die in die Staat zijn gewone verblijfplaats heeft; of (b) tijdens het plegen van het feit een onderdaan van die Staat wordt vastgehouden, bedreigd, verwond of gedood; of (c) het feit wordt gepleegd in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.
- 3
Elke Staat-Partij die rechtsmacht zoals bedoeld in het tweede lid heeft gevestigd, stelt de Secretaris-Generaal daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna zijn rechtsmacht ter zake intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis.
- 4
Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3 bis, 3 ter en 3 quater omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste en tweede lid van dit artikel.
- 5
Dit Verdrag sluit geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.