Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land

Huidige tekst

Artikel 6 Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land

Geldt sinds 26 januari 1910

De Staat kan de krijgsgevangenen, met uitzondering der officieren, tot het verrichten van arbeid bezigen overeenkomstig hun rang of graad en hunne geschiktheid. Deze arbeid mag niet overmatig zijn en geenerlei verband houden met de krijgsverrichtingen. De krijgsgevangenen kunnen worden gemachtigd om te arbeiden voor rekening van openbare besturen of van particulieren, of voor hunne eigen rekening. De arbeid, voor den Staat verricht, wordt betaald volgens de tarieven geldig voor militairen van het eigen leger, wanneer deze denzelfden arbeid verrichten, of indien deze niet bestaan, volgens een tarief naar evenredigheid van den verrichten arbeid. Wanneer de arbeid plaats heeft voor rekening van andere openbare besturen of voor particulieren, worden de voorwaarden daarvan geregeld in overleg met het militair gezag. Het arbeidsloon der krijgsgevangenen moet dienen om hun lot te verzachten en het overschot wordt hun uitbetaald op het oogenblik van hunne invrijheidstelling, behoudens aftrek van de kosten van onderhoud.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.