Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf

Huidige tekst

Artikel 8 Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf

Geldt sinds 13 november 1964

  1. 1

    De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten: a.zodanig gemaakt zijn, dat geen deel daarvan in sterke mate of ongelijkmatig kan doorbuigen; b.zodanig gemaakt en onderhouden zijn, dat, rekening houdende met de bestaande omstandigheden, het gevaar voor struikelen of uitglijden van personen zoveel mogelijk verminderd wordt; c.vrij van elke onnodige versperring gehouden worden.

  2. 2

    In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat: a.moet elke vloer, elk bordes en elke gang voorzien zijn van aan elkaar sluitende planken, behalve in het geval, dat andere doelmatige maatregelen, om de veiligheid te verzekeren, genomen zijn; b.moet elke vloer of bordes en elke gang een voldoende breedte hebben; c.moet elke vloer of bordes, elke gang, elke arbeidsplaats en elke trap doelmatig zijn beschut.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.