Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen

Huidige tekst

Artikel 21 Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen

Geldt sinds 18 september 1971

Iedere Staat die niet vertegenwoordigd was op de Negende Zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht kan tot dit Verdrag toetreden, nadat het krachtens artikel 20, eerste lid, in werking is getreden. De akte van toetreding wordt nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. De toetreding heeft slechts gevolg voor zover het de betrekkingen betreft tussen de toetredende Staat en de Verdragsluitende Staten die hebben verklaard deze toetreding te zullen aanvaarden. Deze aanvaarding wordt ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. Het Verdrag treedt tussen de toetredende Staat en de Staat die heeft verklaard deze toetreding te zullen aanvaarden in werking op de zestigste dag na de dagtekening van de in het voorgaande lid bedoelde kennisgeving.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.