Huidige tekst
Artikel 2.59 Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES
- 1
Inlading en uitvoer van goederen zijn toegestaan op plaatsen waar douanekantoren zijn gevestigd.
- 2
De inspecteur kan echter op verzoek, rekening houdend met de aard of met de bestemming van de goederen, toestaan dat de inlading en de uitvoer op andere plaatsen worden verricht.
- 3
Voordat goederen worden ingeladen, wordt de aangifte ten uitvoer, met vermelding in ieder geval van: a.de naam van het schip; b.de hoeveelheid en de soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming; en c.de waarde van de goederen; bij het bevoegde douanekantoor ingediend.
- 4
Op de goedkeuring van ruimten, terreinen of andere locaties voor uitgaande opslag als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 2.21, 2.22 en 2.24 van overeenkomstige toepassing.
- 5
Het op de aangifte ten uitvoer afgegeven document wordt, ter dekking van de uitgaande opslag, ingediend bij de ambtenaren, belast met het toezicht op de inslag.
- 6
De uitvoer is gerealiseerd zodra de goederen zijn uitgegaan.
- 7
Indien voor de opslag in een inrichting voor uitgaande opslag een rekening wordt gehouden, wordt de rekening gedebiteerd op vertoon van het uitvoerdocument. Daarvan wordt aantekening gesteld op het document.