Huidige tekst
Artikel 8.4.10 Regeling voertuigen
- 1
De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd: a.de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden; b.de informatie van het desbetreffende voertuig: 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental; 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental; 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt; 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur; c.de uitgangspunten: 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter; 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand ‘controle’ of ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) is; d.de meetresultaten van de drie geldige meetcycli: 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste 5 seconden voor het gas geven; 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental; 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt; 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e.
- 2
Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
- 3
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.