Huidige tekst
Artikel 5 Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
Magneetremmen 1 Treinstellen bestemd voor het vervoer van personen zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van: a.adhesie-onafhankelijke remmen; of b.adhesieverbeterende maatregelen, die remwegverlenging bij slechte adhesie voor alle snelheden tot vrijwel stilstand maximaal beperken. 2 Aan het eerste lid kan in ieder geval worden voldaan door: a.bij treinstellen bestaande uit één of twee delen, tenminste twee draaistellen elk te voorzien van één paar magneetremmen; of b.bij treinstellen bestaande uit drie of meer delen, per twee delen tenminste één draaistel te voorzien van één paar magneetremmen. 3 In geval van een noodremming bij treinstellen met magneetremmen, a. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem gedeactiveerd moet worden, zo laag mogelijk en in ieder geval lager dan 10 km/u; en b. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem vrijgegeven moet worden voor activering zo dicht mogelijk bij de treinsnelheid, bedoeld onder a, en in ieder geval maximaal 3 km/u hoger dan de treinsnelheid, bedoeld onder a. 4 In geval spoorvoertuigen zijn uitgerust met een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.