Regeling bedrijfsvakanties

Huidige tekst

Artikel 3 Regeling bedrijfsvakanties

Geldt sinds 26 november 1991

  1. 1

    Vaststelling van een bedrijfsvakantie geschiedt in overleg en in overeenstemming met de dienstcommissie van het desbetreffende dienstonderdeel dan wel de dienstcommissie van de desbetreffende dienstonderdelen.

  2. 2

    Wanneer het overleg bedoeld in het vorige lid niet mogelijk is omdat er geen dienstcommissie aanwezig is, moet het hoofd defensieonderdeel ervoor zorg dragen dat het betreffende burgerpersoneel op andere wijze wordt geraadpleegd en hun instemming wordt verkregen.

  3. 3

    Als het overleg, bedoeld in de vorige twee leden niet leidt tot de in die leden genoemde vereiste instemming, is de procedure als neergelegd in artikel 153 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van overeenkomstige toepassing.

  4. 4

    Elk tijdvak waarin een bedrijfsvakantie wordt vastgesteld, wordt voor aanvang van het kalenderjaar waarin die vakantie wordt vastgesteld aan betrokkenen bekend gemaakt. Indien dat niet mogelijk is, moet de bekendmaking zo snel mogelijk plaatsvinden.

  5. 5

    Wanneer een vastgestelde bedrijfsvakantie uit doelmatigheidsoverwegingen bij algemene order schriftelijk bekend wordt gemaakt, wordt de vakantie geacht persoonlijk te zijn verleend aan ieder die het aangaat.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.