Huidige tekst
Artikel 16 Göteborg Protocol
16 Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 50 MWth: Dit lid draagt het karakter van een aanbeveling en beschrijft de maatregelen die genomen worden voor zover een Partij deze in technisch en economisch opzicht haalbaar acht voor het controleren van zwevende deeltjes: a. Stookinstallaties van woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 500 kWth: i. Emissies van nieuwe kachels en -ketels in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 500 kWth kunnen worden teruggebracht door toepassing van: aa. Productnormen als omschreven in de CEN-normen (bijv. EN 303-5) en gelijkwaardige productnormen in de Verenigde Staten en Canada. Landen die dergelijke productnormen toepassen kunnen aanvullende nationale vereisten definiëren en daarbij met name rekening houden met de bijdrage van emissies van condenseerbare organische verbindingen aan de vorming van zwevende deeltjes in de lucht; of bb. Ecolabels met prestatiecriteria die stringenter zijn dan de minimale efficiencynormen van de EN productnormen of nationale voorschriften. Tabel 12 Aanbevolen grenswaarden voor stofemissies die afkomstig zijn van nieuwe stookinstallaties die op vaste brandstof werken en een nominaal thermisch ingangsvermogen hebben van < 500 kWth, voor gebruik in combinatie met productnormen Stof (mg/m 3) Open/gesloten haarden en ovens die op hout worden gestookt 75 Houtgestookte ketels (met warmteopslagtank) 40 Pelletkachels en -ketels 50 Kachels en ketels die gebruikmaken van andere vaste brandstoffen dan hout 50 Installaties met automatische verbranding 50 Noot: O 2 -referentiegehalte: 13%. ii. Emissies van bestaande kachels en ketels in woningen kunnen worden teruggebracht door de volgende elementaire maatregelen: aa. programma's om het publiek te informeren over en bewust te maken van: – het juiste gebruik van kachels en ketels; – het gebruik van uitsluitend onbehandeld hout; – het op de juiste wijze drogen van hout om het vochtgehalte te verminderen. bb. opzetten van een programma om de vervanging van de oudste bestaande ketels en kachels door moderne apparaten te stimuleren; of cc. het invoeren van de verplichting oude apparaten te vervangen of te moderniseren. b. Stookinstallaties anders dan in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen 100 kWth–1 MWth: Tabel 13 Aanbevolen grenswaarden voor stofemissies die afkomstig zijn van ketels en procesverhitters met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 kWth–1 MWth, Stof (mg/m 3) Vaste brandstoffen 100–500 kWth Nieuwe installaties 50 Bestaande installaties 150 Vaste brandstoffen 500 kWth–1 MWth Nieuwe installaties 50 Bestaande installaties 150 Noot: O 2 -referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 13%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen 6%. c. Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen > 1–50 MWth: Tabel 14 Aanbevolen grenswaarden voor stofemissies die afkomstig zijn van ketels en procesverhitters met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth–50 MWth Stof (mg/m 3) Vaste brandstoffen 1–5 MWth Nieuwe installaties 20 Bestaande installaties 50 Vaste brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20 Bestaande installaties 30 Vloeibare brandstoffen > 1-5 MWth Nieuwe installaties 20 Bestaande installaties 50 Vloeibare brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20 Bestaande installaties 30 Noot: O 2 -referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 11%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen: 6%: vloeibare brandstoffen, waaronder vloeibare biobrandstoffen: 3%.