Huidige tekst
Artikel 6 Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding
Optische tekens van kleine schepen (1) In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 25, letter d, van de Internationale Bepalingen dienen zeilboten met een lengte van minder dan 12 meter, alsmede roeiboten, indien zij de krachtens Voorschrift 25, letter a of b, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen voeren, ten minste een wit rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te voeren. (2) Schepen, zoals bedoeld in het eerste lid, waarop de hierna voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, alsmede motorschepen met een lengte van minder dan 7 meter waarop de krachtens Voorschrift 23, letters a en c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, mogen in de tijd dat het voeren van de lichten is voorgeschreven, niet varen, tenzij zich een noodsituatie voordoet. In dat geval dient permanent een elektrische lamp of een lantaarn die een wit licht geeft, gereed voor het gebruik te worden meegevoerd en tijdig te worden getoond om een aanvaring te voorkomen. (3) De bevoegde autoriteit kan wateroppervlakken als anker- en ligplaatsen vaststellen waarop schepen met een lengte van minder dan 12 meter de krachtens Voorschrift 30, letter a, b of c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens niet behoeven te voeren; het bepaalde in Voorschrift 30, letter e, van de Internationale Bepalingen blijft onverminderd van kracht.