Huidige tekst
Artikel 4 Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst) (met Uitvoeringsprotoc
Bewijsmiddelen met betrekking tot eigen onderdanen (Artikel 5, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst) 1 Het bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten: 1) een vervallen paspoort of vervangend reisdocument met foto (noodpaspoort); 2) een nationaal identiteitsbewijs; 3) een geldig militair identiteitsbewijs of een ander identiteitsbewijs van het personeel van de strijdkrachten met een foto van de houder; 4) een identiteitsbewijs voor zeevarenden; 5) andere officiële documenten waaruit de nationaliteit van betrokkene blijkt, afgegeven door de aangezochte Staat en voorzien van een foto; 6) een document, zoals hiervoor beschreven, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de datum waarop het verzoek om terugname wordt verzonden; 7) een bevestiging van de identiteit na raadpleging van het Visuminformatiesysteem 1) Verordening (EG) Nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS verordening). . 2 Prima facie bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen: 1) een kopie van één van de in het eerste lid genoemde documenten; 2) andere documenten (bijvoorbeeld zeemansboekje, rijbewijs) of gegevens (met inbegrip van biometrische gegevens zoals een foto of vingerafdrukken), die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit van de betrokkene; 3) een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteitsbewijs of een bewijs van de burgerlijke stand; 4) een bedrijfspas; 5) afschriften/kopieën van de in de punten 2. tot en met 4. van dit lid genoemde documenten; 6) een betrouwbare getuigenverklaring; 7) de verklaring van de betrokkene zelf.