Huidige tekst
Artikel 13.2 Ob
Toedeling handhavingstaak gedoogplichten
De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij: a.gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet; b.Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet; c.het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en 3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet; d.het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet; e.het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet; f.het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO 2 -opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en g.het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet; 3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en 4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.