Huidige tekst
Artikel 23 Instellingswet Bijstandkorps burgerlijke rijksambtenaren bestemd voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea
- 1
Op de pensioenen, toegekend krachtens artikel 15, zijn, bij een gelijktijdige aanspraak op pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, de wetten van 20 december 1956 ( Stb. 616) en 23 september 1959 ( Stb. 340) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande: a.dat voor de toepassing van deze wetten de pensioendiensttijd met 8/5 wordt vermenigvuldigd, tot een maximum van 40 jaren, en voor de toepassing van de eerstgenoemde wet vervolgens wordt verminderd met de tijd gedurende welke na 1 januari 1957 geen premie is verschuldigd geweest krachtens de Algemene Ouderdomswet; b.dat artikel 3, vierde en vijfde lid, van de wet van 20 december 1956 ( Stb. 616), zomede artikel 14 van de wet van 23 september 1959 ( Stb. 340) buiten toepassing blijven, indien het aldaar bedoelde andere pensioen is een pensioen als bedoeld in de artikelen 1 en 7 van de wet van 20 december 1956 ( Stb. 616), in de artikelen 1 en 24 van de wet van 23 september 1959 ( Stb. 340), of in de artikelen 1 en 8 van de wet van 31 januari 1957 ( Stb. 30), dan wel een pensioen omschreven in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 ( Stb. 1957, 319).
- 2
Vervallen.
- 3
De bepalingen van dit artikel blijven buiten toepassing voor degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet geldig maken.