Huidige tekst
Artikel 10 Beleidsregels levensgedragtoets
Relatie met de vergunning en functie 1 Aan de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag legt de raad van bestuur enkel antecedenten ten grondslag voor zover: a.voldoende aannemelijk is dat ze zijn gepleegd bij of in het verlengde van kansspelaanbod; b.voldoende aannemelijk is dat ze zijn gepleegd bij de uitoefening van een beroep, bedrijf of economische activiteit; c.de vergunning soortgelijke antecedenten kan faciliteren; d.de vergunning het witwassen van met soortgelijke antecedenten verkregen voorwerpen kan faciliteren; en/of e. uit de antecedenten blijkt dat onvoldoende beschikt wordt over eigenschappen die noodzakelijk zijn voor een maatschappelijk aanvaardbare uitoefening van de (beoogde) functie. 2 De in het eerste lid, onder e, genoemde eigenschappen betreffen in ieder geval: a.het op integere wijze omgaan met de belangen en het welzijn van anderen; b.openheid; c.waarheidslievendheid; d.verantwoordelijkheidszin; e.wetsgetrouwheid. 3 Dat een antecedent in de privésfeer is gepleegd, verhindert niet dat de raad van bestuur het antecedent verder bij de levensgedragtoets betrekt.