Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
1Bijlage I van deze waterschapsverordening bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.
2Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling en de Algemene wet bestuursrecht zijn ook van toepassing op deze verordening.
Afdeling 1.2 Toepassingsgebied en doelen
Artikel 1.2 Toepassingsbereik
1Deze verordening geldt voor het beheergebied van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
2De informatieplicht en meldplicht voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing als deze activiteiten door of in opdracht van het waterschap worden uitgevoerd.
3De vergunningplicht voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 4 is niet van toepassing op:
a.projecten waarvoor door het dagelijks bestuur van het waterschap een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet, wordt vastgesteld;
b.activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van het watersysteem of onderdeel daarvan die de normatieve toestand van een waterstaatswerk niet veranderen en worden uitgevoerd door of in opdracht van het waterschap; of
c.voorbereidende onderzoekswerkzaamheden die door of in opdracht van het waterschap worden uitgevoerd.
Artikel 1.3 Doelen waterstaatswerken
De regels over waterstaatswerken in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het:
a.voorkomen van schade aan waterstaatswerken;
b.beschermen van de mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen van waterstaatswerken;
c.beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van inspectie van de staat en werking van waterstaatswerken;
d.beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van onderhoud aan waterstaatswerken;
e.beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan en het in stand houden van waterstaatswerken tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten;
f.beschermen van een onbelemmerde aan- en afvoer van water naar of vanuit oppervlaktewaterlichamen;
g.beschermen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;
h.beschermen van het oppervlaktewaterpeil;
i.beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen;
j.beschermen van de vervulling van maatschappelijke functies van oppervlaktewaterlichamen;
k.doelmatig beheren van afvalwater en afvalstoffen; en
l.beschermen van de goede staat en werking van de waterkering, onder normale omstandigheden en onder piekbelasting.
Artikel 1.4 Doelen grondwaterlichamen
De regels over grondwater in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het:
a.voorkomen, beperken of ongedaan maken van uitputting van de grondwatervoorraad;
b.voorkomen van negatieve effecten op het reguliere grondwaterpeil en de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen;
c.voorkomen van negatieve effecten op de ondergrondse scheiding tussen grondwatervoerende pakketten;
d.beschermen en verbeteren van de grondwaterkwaliteit;
e.voorkomen van nadelige invloed op de grondwaterstand die voor het grondgebruik gewenst is; en
f.beschermen van de vervulling van maatschappelijke functies van grondwaterlichamen.
Artikel 1.5 Doelen zuiveringtechnische werken
De regels over zuiveringtechnische werken in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het:
a.beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; en
b.doelmatig beheren van afvalwater en afvalstoffen.
Afdeling 1.3 Aanwijzing en begrenzing van geometrische begrenzingen
Artikel 1.6 Aanwijzing en begrenzing van geometrische begrenzingen
Bijlage II van deze waterschapsverordening bevat de geometrische begrenzingen voor de toepassing van deze verordening.
Artikel 1.7 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn
1Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het beperkingengebied met betrekking tot het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
2Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen:
a.de begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam wordt gevormd door de insteek
b.de begrenzing van beschermingszone A van een watergang, die ten minste aan een zijde in verbinding staat met een primaire watergang, al dan niet gescheiden door een kunstwerk, is 5 m gemeten vanuit de insteek;
c.de begrenzing van beschermingszone B van een beschoeiing waarvan het waterschap als onderhoudsplichtige is aangewezen voor het buitengewoon onderhoud, is 1,25 m gemeten vanuit de beschoeiing;
d.de begrenzing van beschermingszone K van een kunstwerk is:
1°. 5 m rondom een kunstwerk, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang, tenzij het gaat om een duiker of sifon;
2°. 5 m rondom een duiker of sifon, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang en waarvoor het waterschap onderhoudsplichtig is voor het buitengewoon onderhoud; of
3°. 2 m rondom een gemaal, inlaat, overlaat of stuw, als dat kunstwerk aan tenminste één zijde in verbinding staat met een tertiaire watergang;
e.de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een waterkerend dijklichaam wordt gevormd door de binnen- en buitenteen;
f.de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen-of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt, en het maaiveld onder de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, wordt gevormd door de nieuwe theoretische binnen- en buitenteen van het leggerprofiel;
g.de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen- of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt en het maaiveld boven de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, heeft een breedte van 12 m; en
h.de begrenzing van de breedte van binnendijkse of buitendijkse beschermingszones van waterkeringen is:
1°. 100 m bij een primaire waterkering, gerekend vanaf de referentielijn; of
2°. 60 m bij een regionale waterkering of zomerkade, gerekend vanaf de referentielijn.
Afdeling 1.4 Normadressaat
Artikel 1.8 Normadressaat
Aan de regels in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Afdeling 1.5 Specifieke zorgplicht en maatwerkvoorschriften
Artikel 1.9 Specifieke zorgplicht watersysteem
1Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht:
a.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2Deze plicht houdt in ieder geval in het voorkomen van:
a.waterschaarste, wateroverlast, overstromingen en inundaties;
b.aantasting van de bestaande staat van een waterkering;
c.belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewaterlichaam;
d.belemmering van de inspectie of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem, daaronder ook begrepen handelingen die de ontvangstplicht van specie en maaisel, krachtens artikel 10.3, eerste lid, van de Omgevingswet, belemmeren;
e.verslechtering van de chemische en ecologische waterkwaliteit of effecten die het doelbereik voor het verbeteren van de chemische en ecologische waterkwaliteit in de weg staan;
f.negatieve effecten van wegzijging of kwel op de waterkwaliteit en waterkwantiteit;
g.verzakkingen van de bodem, verzilting en uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen of grondboringen; en
h.belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.
Artikel 1.10 Maatwerkvoorschriften
1Een maatwerkvoorschrift kan in een specifieke situatie worden gesteld over de artikelen 1.9, 1.14, 1.15, en de algemene regels in hoofdstuk 2, 3 en 4 met het oog op de doelen uit artikel 1.3, 1.4 en 1.5 en de beoordelingsregels uit deze waterschapsverordening.
2Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 1.14 en 1.15 en de algemene regels in hoofdstuk 2, 3 en 4.
Afdeling 1.6 Gegevens en bescheiden algemeen
Artikel 1.11 Algemene gegevens en bescheiden bij een informatieplicht of meldplicht
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van:
a.de beschrijving van de activiteit;
b.de naam, het adres, het telefoonnummer en als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt het e-mailadres van degene die de activiteit verricht;
c.het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
d.de dagtekening; en
e.als de gegevens en bescheiden worden verstrekt door een gemachtigde: de naam, het adres, het telefoonnummer en als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt het e-mailadres van de gemachtigde.
Artikel 1.12 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.11, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
2Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Artikel 1.13 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
1Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
2Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 1.14 Informeren over een ongewoon voorval
1Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:
a.een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b.wonen.
Artikel 1.15 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze indien van toepassing verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:
a.informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b.informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
c.andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
d.informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:
a.een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b.wonen.
Afdeling 1.7 Algemene bepalingen omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten
Artikel 1.16 Algemene beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
1Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
a.het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b.het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c.de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
2Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
a.niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
b.de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en
c.een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
3Het tweede lid is niet van toepassing:
a.voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of
b.als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en
2°. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
5In afwijking van het vierde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:
a.de aanvraag betrekking heeft op:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling.
b.aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c.de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
6Het verlenen van een omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe mag leiden dat:
a.de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
b.de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Artikel 1.17 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
Afdeling 1.8 Bijzondere omstandigheden
Artikel 1.18 Aanwijzing bijzondere omstandigheden
Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, zijn:
a.waterschaarste en dreigende waterschaarste;
b.overvloed aan water en dreigende overvloed aan water;
c.het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan; en
d.aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit.
Artikel 1.19 Algeheel verbod bij bijzondere omstandigheden
1Het bestuur kan bij besluit, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig, in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:
a.water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;
b.water te onttrekken aan of te lozen op een oppervlaktewaterlichaam;
c.grondwater te onttrekken of water terug te brengen in de bodem;
d.activiteiten in een beperkingengebied uit te voeren; en
e.in een oppervlaktewaterlichaam te varen.
2Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of worden stopgezet.
3Het besluit kan onverwijld worden ingetrokken als het bestuur instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt.
Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk
Afdeling 2.1 Algemeen
Artikel 2.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.
Artikel 2.2 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk en houdt de zorgplicht in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.het uitvoeren van de activiteit geen visuele verontreiniging mag veroorzaken;
c.het uitvoeren van de activiteit geen structurele of significante peilwijziging mag veroorzaken;
d.alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
e.de beste beschikbare technieken worden toegepast;
f.geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
g.alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
h.lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;
i.metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
j.meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;
k.lozingen niet mogen leiden tot een achteruitgang van de chemische- en ecologische waterkwaliteit en mogen een noodzakelijke verbetering van die waterkwaliteit niet belemmeren;
l.lozingen op oppervlaktewater geen belemmering vormen voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen;
m.alle passende maatregelen worden getroffen om visuele verontreiniging of verslechtering van het doorzicht van het oppervlaktewater door de lozing te voorkomen ; en
n.het zuurstofgehalte van het oppervlaktewater door het lozen ter plaatse van het lozingspunt niet verder daalt dan 70% verzadiging.
Artikel 2.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.het maximale debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;
b.de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;
c.een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;
d.een lijst met stoffen die worden geloosd;
e.een riooltekening;
f.de locaties van de lozingspunten;
g.de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;
h.een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
i.een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
j.de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;
k.de bron of oorzaak van het afvalwater dat wordt geloosd;
l.de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
m.de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
n.een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd;
o.als een andere lozingsroute dan naar het oppervlaktewater niet mogelijk is: de redenen waarom dat het geval is;
p.de eigenschappen van de opgeslagen stoffen; en
q.als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse.
Artikel 2.3a Specifieke aanvraagvereisten maatwerkvoorschrift lozingen
Bij de aanvraag van een maatwerkvoorschrift over de regels in hoofdstuk 2 wordt een immissietoets aangeleverd.
Artikel 2.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.5 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 2.6 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.7 Aanwijzing algemene regels
1Grondwater bij ontwatering kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als:
a.dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
b.het gaat om het lozen van grondwater bij wonen.
2Bij het lozen van grondwater bij sanering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 , 2.9 en 2.10 eerste, tweede en vierde lid, als het gaat om het lozen van grondwater afkomstig van een:
a.bodemsanering;
b.grondwatersanering; of
c.onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering.
3Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 en 2.9 als:
a.dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;
b.het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en
c.het lozen niet langer dan 48 uur duurt.
4Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 , 2.9 en 2.10 derde en vierde lid als:
a.dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;
b.het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en
c.het lozen langer duurt dan 48 uur, maar niet langer dan 8 weken.
5Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de de artikelen 2.8 , 2.9 en 2.10 eerste, tweede en vierde lid als:
a.dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;
b.het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en
c.het lozen langer duurt dan 8 weken.
Artikel 2.8 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering, ontwatering of een grondwateronderzoek op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in Tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l
Naftaleen
0,2 μg/l
Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor
20µg/l
Minerale olie
200µg/l
Cadmium
0,45 µg/l
Koper
2,5 µg/l
Nikkel
34µg/l
Antraceen
0,1 µg/l
Fenantreen
1,2 µg/l
Barium
200µg/l
Molybdeen
136µg/l
Zink
65µg/l
Chroom
3,4 µg/l
Onopgeloste stoffen
50mg/l
Benzeen
10µg/l
Tolueen
74µg/l
Ethylbenzeen
65µg/l
Xyleen
17µg/l
Tetrachlooretheen
10µg/l
Trichlooretheen
10µg/l
1,2-dichlooretheen
6,8 µg/l
1,1,1-trichloorethaan
21µg/l
Vinylchloride
0,2 µg/l
Monochloorbenzeen
32µg/l
Dichloorbenzenen (som)
6,9 µg/l
Trichloorbenzenen (som)
0,4 µg/l
IJzer
5mg/l
2Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering, ontwatering of een grondwateronderzoek op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l
Naftaleen
0,2 μg/l
Minerale olie
50µg/l
Cadmium
0,4 µg/l
Koper
2,4 µg/l
Nikkel
4µg/l
Antraceen
0,1 µg/l
Fenantreen
1,2 µg/l
Barium
93µg/l
Molybdeen
136µg/l
Zink
12µg/l
Chroom
2,4 µg/l
Onopgeloste stoffen
20mg/l
Benzeen
2µg/l
Tolueen
7µg/l
Ethylbenzeen
4µg/l
Xyleen
4µg/l
Tetrachlooretheen
3µg/l
Trichlooretheen
10µg/l
1,2-dichlooretheen
6,8 µg/l
1,1,1-trichloorethaan
20µg/l
Vinylchloride
0,2 µg/l
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen
20µg/l
Monochloorbenzeen
7µg/l
Dichloorbenzenen
3µg/l
Trichloorbenzenen
0,4 µg/l
IJzer
5mg/l
Artikel 2.9 Meet- en rekenbepalingen
1Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a.voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
b.voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
c.voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
d.voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
e.voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
f.voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
g.voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Artikel 2.10 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijkse bestuur van het waterschap.
3Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
4Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over de kwaliteit van het te lozen grondwater die, voor zover van toepassing, op basis van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, naar voren zijn gekomen.
Artikel 2.10a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen bij ontwatering in beschermingszone V van een vispassage.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in een natuurvriendelijke oever.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in kwetsbaar water.
Afdeling 2.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 2.11 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvloeiend hemelwater dat:
a.niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
b.geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
c.geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels
1Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het hemelwater niet afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen.
2Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.13 en 2.14, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van nieuw aan te leggen of te veranderen rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom.
3Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.13, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen.
Artikel 2.13 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
2Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem, op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Artikel 2.14 Informatieplicht
1Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij horende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
2Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 2.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 2.15 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.17 Algemene regel
Artikel 2.18 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
Artikel 2.19 Meet- en rekenbepalingen
Artikel 2.20 Informatieplicht
Afdeling 2.5 Lozen van warmte of koude
Artikel 2.21 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op:
a.het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b.op het lozen van warmte of koude ten behoeve van aquathermie, op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.22 Aanwijzing algemene regels
1Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 eerste lid en 2.24, als:
a.het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water; en
b.het gaat om een gesloten TEO-systeem.
2Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 tweede lid en 2.24a, als:
a.het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water;
b.het niet gaat om een gesloten TEO-systeem;
c.het lozen plaatsvindt in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en
d.de warmtevracht of koudevracht van de lozing maximaal 1000 kJ/s is.
3Bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 tweede lid en 2.24a, als:
a.het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water;
b.het niet gaat om een gesloten TEO-systeem;
c.het lozen plaatsvindt in een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en
d.de warmtevracht of koudevracht van de lozing maximaal 10 kJ/s is.
Artikel 2.23 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam vanuit een gesloten TEO-systeem:
a.het in het systeem te gebruiken medium bestaat alleen uit water vermengd met een anti-vriesmiddel dat bij lekkage geen schade toebrengt aan het aquatisch ecosysteem; en
b.wanneer er een waterenergieplan voor het betreffende oppervlaktewater bestaat of ander beleid, waarin grenzen zijn gesteld aan de totale warmte-onttrekking, past de lozing daarbinnen.
2De volgende voorschriften gelden bij het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam vanuit een open TEO-systeem of een koelwatersysteem:
a.de maximale temperatuur van de lozing is 25°C;
b.het temperatuurverschil tussen het oppervlaktewater en het te lozen water is maximaal 7°C;
c.tijdens de maanden maart, april en mei is het temperatuurverschil tussen het oppervlaktewater en het te lozen water maximaal 2°C;
d.het maximale debiet van de lozing is 172 m3/uur;
e.de lozing vindt plaats binnen hetzelfde peilgebied als een eventuele onttrekking van oppervlaktewater;
f.aan de lozing worden geen chemicaliën toegevoegd; en
g.wanneer er een waterenergieplan voor het betreffende oppervlaktewater bestaat of ander beleid, waarin grenzen zijn gesteld aan de totale warmte-onttrekking, moet de warmte-onttrekking behorend bij de lozing binnen deze grenzen passen.
Artikel 2.24 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de gegevens en bescheiden uit artikel 1.11 verstrekt.
2In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.een situatietekening;
b.de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s;
c.de capaciteit van de warmtepomp in kW;
d.de locatie van de warmtewisselaar; en
e.de verwachte datum van het begin van de activiteit.
3Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap, waarbij de gewijzigde lozingsactiviteit voldoet aan artikel 2.22.
Artikel 2.24a Meldplicht
1Het is verboden warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit artikel 1.11.
2In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.een situatietekening;
b.het debiet van de lozing in m3/u op het lozingspunt;
c.de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s;
d.de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt kW;
e.de locaties van het lozingspunt en onttrekkingspunt in X- en Y-coördinaten;
f.tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen;
g.de locatie van de warmtewisselaar; en
h.de verwachte datum van het begin van de activiteit.
3Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap, waarbij de gewijzigde lozingsactiviteit voldoet aan artikel 2.22.
Artikel 2.24b Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een kwetsbaar water.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als:
a.het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water;
b.het niet gaat om een gesloten TEO-systeem;
c.het lozen plaatsvindt in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en
d.de warmtevracht of koudevracht van de lozing groter is dan 1000 kJ/s.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als:
a.het lozen van warmte of koude niet plaatsvindt op een kwetsbaar water;
b.het niet gaat om een gesloten TEO-systeem;
c.het lozen plaatsvindt in een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude; en
d.de warmtevracht of koudevracht van de lozing groter is dan 10 kJ/s.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen in een natuurvriendelijke oever.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning warmte of koude te lozen in beschermingszone V van een vispassage.
Artikel 2.24c Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van warmte of koude worden, in aanvulling op artikel 2.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt
a.een situatietekening;
b.de maximale warmtevracht of koudevracht in kJ/s; en
c.de capaciteit van de warmtepomp in kW.
Afdeling 2.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken
Artikel 2.25 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
1Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het gaat om afvalwater afkomstig van:
a.het afwassen met water; of
b.het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
2Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29 en 2.30, als
a.het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en
b.het gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
3Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als:
a.het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en
b.het niet gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
4Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid.
5Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.28, 2.29, 2.30 en 2.31.
Artikel 2.27 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
1Bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
a.is een werkinstructie opgesteld; en
b.wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
2In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:
a.welke technieken worden toegepast;
b.welke stoffen kunnen vrijkomen; en
c.welke stoffen worden gebruikt.
3Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:
a.op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
b.wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;
c.of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
d.op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en
e.welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.
Artikel 2.28 Werkinstructie bij bouwen en slopen
Bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
a.op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
b.welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.
Artikel 2.29 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
Bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 2.30 Meet- en rekenbepalingen
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 2.31 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.27; of
b.voor het lozen afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.28.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen
Artikel 2.32 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.
2Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
a.bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c.A-hout en ongeshredderd B-hout;
d.snoeihout;
e.banden van voertuigen;
f.autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;
g.straatmeubilair;
h.tuinmeubilair;
i.aluminium, ijzer en roestvrij staal;
j.kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
k.kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
l.papier en karton;
m.textiel en tapijt; en
n.vlakglas.
Artikel 2.33 Aanwijzing algemene regels
1Afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen.
2Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
3Bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.34, als het niet gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen.
Artikel 2.34 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam:
a.bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en
b.aan dit voorkomen wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of
2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
Afdeling 2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen
Artikel 2.35 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels
1Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan de artikelen 2.37 tweede lid, en 2.39, als het gaat om het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen.
2Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan artikel 2.37 tweede lid, als het gaat om afvalwater afkomstig van het overslaan van:
a.zout voor het strooien op wegen; of
b.niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk of nodig zijn in een werk.
3In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen voldaan aan de artikelen 2.37 eerste lid, 2.38 en 2.39, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 2.37 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink
1mg/l
Minerale olie
20mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
50μg/l
Onopgeloste stoffen
100mg/l
Som van stikstofverbindingen
10mg/l
Som van fosforverbindingen
2mg/l
Chemisch zuurstofverbruik
200mg/l
2De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam:
a.bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en
b.aan het tweede lid, onder a, wordt in ieder geval voldaan als:
1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of
2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of morsklep.
Artikel 2.38 Meet- en rekenbepalingen
1Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a.voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b.voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
c.voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
d.voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
e.voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
f.voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
g.voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
h.voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
i.voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 2.39 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en
b.de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 2.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 2.40 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels
1Bij het lozen van afvalwater uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 eerste lid.
2Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 tweede lid.
Artikel 2.42 Algemene regel
1Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die voorzieningen en maatregelen en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
2Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
3Een plan of programma als bedoeld in het eerste en tweede lid of een uitvoeringsprogramma ter uitvoering daarvan bevat in ieder geval:
a.een overzicht van de in de gemeente aanwezige:
1°. voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Omgevingswet;
2°. voorzieningen voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater als bedoel in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Omgevingswet; en
3°. maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op de grond uitgevoerde activiteit zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Omgevingswet;
b.een aanduiding van het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn;
c.een overzicht van de in de door het plan of programma bestreken periode aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder a;
d.een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld onder a en c, worden of zullen worden beheerd; en
e.een beschrijving van de gevolgen van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan of programma aangekondigde activiteiten.
Afdeling 2.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 2.43 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.44 Aanwijzing algemene regels
1Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.45.
2Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan artikel 2.45.
3Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het niet gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan de artikelen 2.45 en 2.46.
4Algen of bacteriën kunnen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als:
a.het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; en
b.de werkzaamheden verricht worden door of namens de waterbeheerder.
5Er kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als:
a.het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden;
b.de werkzaamheden uitgevoerd worden door of namens de waterbeheerder; en
c.het niet gaat om lozen van algen of bacteriën.
Artikel 2.45 Werkinstructie verontreinigde waterbodem
Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, wordt een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
a.de toe te passen baggertechniek, en
b.de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.
Artikel 2.46 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;
b.een nadere specificatie van de locatie waar de baggerspecie toegepast wordt;
c.als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.45; en
d.de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 2.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 2.47 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen.
Artikel 2.48 Aanwijzing algemene regels
Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.49.
Artikel 2.49 Algemene regel
Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen: aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.
Artikel 2.49a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen te lozen in een kwetsbaar water of in een natuurvriendelijke oever.
Afdeling 2.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 2.50 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij calamiteitenoefeningen.
Artikel 2.50a Aanwijzing meldplicht
Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening, wordt voldaan aan artikel 2.50b, als:
a.er niet geloosd wordt in:
1°. een kwetsbaar water; of
2°. een natuurvriendelijke oever; of
b.bij de oefening water wordt toegepast.
Artikel 2.50b Meldplicht
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Artikel 2.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als er bij de oefening andere middelen dan water worden toegepast.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in beschermingszone V van een vispassage.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in een natuurvriendelijke oever.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen te lozen in kwetsbaar water.
Artikel 2.52 Specifieke aanvraagvereisten vergunningplicht
Als het gaat om het lozen van afvalwater bij een calamiteitenoefening worden, in aanvulling op artikel 2.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt;
b.welke stoffen dat blusschuim bevat ; en
c.welke brandstof er wordt gebruikt en welke stoffen daarbij vrij kunnen komen.
Afdeling 2.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 2.53 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.
Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
1In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van:
a.telen of kweken van gewassen in een gebouw anders dan een kas;
b.een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en
c.een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
2In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 tweede en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van:
a.spoelen van biologisch geteelde gewassen;
b.een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en
c.een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
3In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste en zesde lid , 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van sorteren van biologisch geteelde gewassen.
4Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 derde en zesde lid , 2.56 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten.
5Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 vierde en zesde lid , 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van:
a.ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten;
b.een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en
c.een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.
6In afwijking van artikel 4.796 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, voldaan aan artikel 2.55 vijfde lid.
Artikel 2.55 Algemene regel: emissiegrenswaarden
1Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen of kweken van gewassen anders dan in een kas of bij het sorteren van biologisch geteelde gewassen: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden
Stof
Emissiegrenswaarden in mg/l
Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
20mg/l
Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
50mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen
20mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
30mg/l
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen
100mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
150mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof
2Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden
Stof
Emissiegrenswaarden in mg/l
Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen
20mg/l
Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
50mg/l
3Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.8 gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden
Stof
Emissiegrenswaarden in mg/l
Chloride
200mg/l
IJzer
2mg/l
4Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
5Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.9 gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.9 Emissiegrenswaarden
Stof
Emissiegrenswaarden in mg/l
Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
20mg/l
Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
50mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen
20mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
30mg/l
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen
100mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen
150mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof
6Het afvalwater kan geloosd worden op een oppervlaktewaterlichaam als:
a.het lozen van dit afvalwater in de bodem niet mogelijk is;
b.het gelijkmatig verspreiden van dit afvalwater over landbouwgrond niet mogelijk is; en
c.er geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden bij de teelt zijn toegepast.
Artikel 2.56 Algemene regel: uitzondering Bal
De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.
Artikel 2.57 Algemene regel: bepalen afstand
1De afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd wordt berekend:
a.vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
b.langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
2In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 2.58 Meet- en rekenbepaling
1Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a.voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
b.onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
c.voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;
d.voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en
e.voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 2.59 Informatieplicht
1Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Artikel 2.59a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen te lozen in een kwetsbaar water en in natuurvriendelijke oevers.
Afdeling 2.14 Lozen bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton
Artikel 2.60 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton.
Artikel 2.61 Algemene regel
1Afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton kan, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of op de riolering als dit is toegestaan in het omgevingsplan.
2In afwijking van de artikelen 4.141, tweede lid, en 4.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden voor het lozen van afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel op een oppervlaktewaterlichaam de volgende emissiegrenswaarden, gemeten in een steekmonster:
a.de zuurgraad is ten hoogste pH 8.5;
b.50 mg/l onopgeloste bestanddelen voor een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en
c.20 mg/l onopgeloste bestanddelen voor een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
3In afwijking van artikel 4.159 van het Besluit activiteiten kan in plaats van de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik ook een emissiegrenswaarde van 33,33 mg/l voor het totaal gebonden koolstof gehanteerd worden.
Artikel 2.61a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1In aanvulling op de artikelen 4.135, vierde lid en 4.153 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als er bij het maken van het beton chemische ontkistingsmiddelen en toevoegmaterialen worden toegepast.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen in een natuurvriendelijke oever.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en van producten met betonmortel te lozen in een kwetsbaar water.
Afdeling 2.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding
Artikel 2.62 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding.
2Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 2.63 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding te lozen op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.64 Algemene regel: bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 2.65 Informatieplicht
Afdeling 2.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
Artikel 2.66 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers.
Artikel 2.66a Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.9 en 2.2, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers houdt de zorgplicht in ieder geval in dat er bij het lozen alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om het ontsnappen van dieren, larven en eitjes naar het oppervlaktewater te voorkomen.
Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels
Spuiwater uit recreatieve visvijvers kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , hierbij wordt voldaan aan artikel 2.68.
Artikel 2.68 Meldplicht
1Het is verboden om spuiwater uit recreatieve visvijvers te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de aard en omvang van de lozing; en
b.de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Artikel 2.68a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, als:
a.het gaat om een recreatieve visvijver waar uitheemse vissoorten gehouden worden;
b.de vissen in de recreatieve visvijver worden bijgevoerd; of
c.er medicijnen worden toegevoegd aan de recreatieve visvijver.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in beschermingszone V van een vispassage.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in kwetsbaar water.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning spuiwater afkomstig uit recreatieve visvijvers te lozen in een natuurvriendelijke oever.
Artikel 2.68b Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers wordt, in aanvulling op artikel 2.3, een overzicht van de uitheemse vissoorten die in de recreatieve visvijver leven verstrekt.
Afdeling 2.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind
Artikel 2.69 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind.
Artikel 2.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig op een oppervlaktewaterlichaam te lozen, als er:
a.afvalwater vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; of
b.afvalwater vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.
Afdeling 2.18 Asverstrooiing
Artikel 2.71 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op asverstrooiing in een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.72 Algemene regel
As kan individueel verstrooid worden op een oppervlaktewaterlichaam door de nabestaande die de zorg heeft voor de asbus, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
Afdeling 2.19 Andere lozingen
Artikel 2.73 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en op een zuiveringtechnisch werk.
Artikel 2.74 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen, warmte of koude worden geloosd en er geen sprake is van:
a.het lozen van stoffen, warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18;
c.het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en
d.het lozen van stoffen, warmte of koude afkomstig van wonen.
2Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten als er geen sprake is van het lozen van stoffen, water, warmte of koude op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3Het eerste lid is niet van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die wordt verricht ter uitvoering van een natuurbeschermings- of verbeteringsmaatregel die is opgenomen in een beheerplan Natura 2000 en wordt uitgevoerd met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit.
Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten
Afdeling 3.1 Algemeen
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten in het beheergebied van het waterschap, tenzij in dit hoofdstuk anders bepaald.
Artikel 3.2 Specifieke gegevens en bescheiden bij een meldplicht wateronttrekkingsactiviteit(grondwater)
1In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
b.het aantal in te richten putten;
c.de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;
d.de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
e.de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;
f.de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;
g.de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;
h.de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
i.een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
j.als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
5°. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.
2Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)
1Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
b.het aantal in te richten putten;
c.de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekstelsel van iedere put;
d.de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het NAP;
e.de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;
f.de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;
g.de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;
h.de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
i.een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
j.als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
2Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.4 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (oppervlaktewater)
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt in aanvulling op artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, een locatietekening met daarop de te beregenen percelen inclusief het aantal hectaren en de locaties van de onttrekkingspunten verstrekt.
Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
1Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
2Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.2 Grondwater onttrekken
Paragraaf 3.2.1 Grondwater onttrekken in een bouwput
Subparagraaf 3.2.1.1 Algemeen
Artikel 3.6 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een bouwput.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater:
a.voor de aanleg, sloop of verwijdering van funderingen, kelders of andere ondergrondse bouwwerken;
b.voor een bodemsanering;
c.voor de inspectie van ondergrondse bouwwerken;
d.voor een diepe grondboring; of
e.in een sleuf waarbij de voortgang van het in bemaling genomen sleufgedeelte minder is dan 20 m per week.
Artikel 3.7 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.bij grondwatergevoelige natuur maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
j.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.voor ontwatering in de zone waterstaatswerk of beschermingszone van een waterkering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
m.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.8 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.9 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking bouwput
1Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
d.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; en
e.geen retourbemaling plaatsvindt.
2Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid en tiende lid , 3.14 en 3.15, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
d.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; en
e.retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid , 3.14 en 3.15, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
d.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
e.geen retourbemaling plaatsvindt.
4Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid en tiende lid , 3.14 en 3.15, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
d.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
e.retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
2Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
3Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
4Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
Artikel 3.11 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
1Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zevende lid, 3.14 en 3.15, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
2Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, achtste lid, 3.14 en 3.15, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er een retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, negende lid, 3.14 en 3.15, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van november tot maart.
Artikel 3.12 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
1Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vijfde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
2Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zesde lid, 3.14 en 3.15, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.
Subparagraaf 3.2.1.3 Algemene regels
Artikel 3.13 Algemene regel
1Vervallen
2De volgende voorschriften gelden:
a.verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput;
b.bij een grondwateronttrekking van meer dan 10 m3 per uur wordt de verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking gemonitord door tenminste een peilbuis te plaatsen:
1°. naast de bouwput, op het punt waar de stijghoogteverlaging gelijk is aan de verlaging op het kritische punt in de bouwput;
2°. op 50 en 100 m afstand van de rand van de bouwput; en
3°. aan de gevel van bebouwing van voor 1960, tot een afstand van 100 m van de rand van de bouwput;
c.de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, als het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag;
d.op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen;
e.de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP;
f.de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking;
g.de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats;
h.de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting:
1°. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een watermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5%;
2°. voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
i.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
j.bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd, en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
k.tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
l.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
m.bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met een open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
c.de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
b.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
7De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet maximaal 10 m3 per uur zijn; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november;
d.het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
e.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
9De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
10De volgende voorschriften gelden:
a.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
b.het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
c.de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
d.de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
Artikel 3.14 Informatieplicht
1Uiterlijk drie dagen na de start van de grondwateronttrekking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer:
a.het nummer van de gebruikte watermeter(s);
b.de beginstand(en) van de watermeter(s);
c.de datum en het tijdstip waarop een watermeter wordt afgelezen;
d.de boorstaten van de geplaatste onttrekkingsfilters;
e.de filterstelling van de onttrekkingsfilters (in meter ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil);
f.bij een grondwateronttrekking van meer dan 10 m3 per uur:
1°. een kaart waarop de peilbuizen met XY-coördinaten zijn ingetekend;
2°. de boorstaten van de geplaatste peilbuizen;
3°. de filterstelling van de peilbuizen (in meter ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil); en
4°. de in de peilbuizen gemeten grondwaterstanden en stijghoogten; en
g.bij retourbemaling:
1°. een kaart waarop de retourbronnen zijn ingetekend (incl. XY-coördinaten);
2°. boorstaten van de retourbronnen;
3°. het nummer van de gebruikte watermeter(s) van het retourveld;
4°. de beginstand(en) van de watermeter(s) van het retourveld; en
5°. de datum en het tijdstip waarop een watermeter wordt afgelezen.
2Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum verstrekt aan het waterschap waarop de (retour)putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden afgedicht.
3Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de (retour)bemaling;
b.de totale hoeveelheid grondwater die (retour)bemalen is, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de eindstand van de watermeter(s); en
d.wanneer gebruik wordt gemaakt van peilbuizen, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuizen.
Artikel 3.15 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken in een bouwput en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Als sprake is van een bodemsanering wordt bij de melding ook:
a.een saneringsplan verstrekt, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd; of
b.een saneringsplan zonder instemming bevoegd gezag verstrekt als door het bevoegd gezag geen saneringsplan wordt vereist.
3Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
4Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
a.de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of
b.aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
5Vervallen
6De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.16 Vergunningplicht grondwateronttrekking bouwput
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer dan:
1°. 400.000 m3 is; of
2°. 100 m3/uur is .
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is ; en
c.een interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken; en
d.met de grondwateronttrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m wordt verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering;
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer dan:
1°. 400.000 m3 is; of
2°. 100 m3/uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is; en
c.interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 100 m3/uur is;
c.geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken; en
d.door de grondwateronttrekking een verontreiniging wordt verplaatst:
1°. van binnen naar buiten het gebiedsplan; of
2°. buiten de grenzen van het gebiedsplan.
Artikel 3.17 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 2 m3 per uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
Artikel 3.18 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.19 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.
Paragraaf 3.2.2 Grondwater onttrekken in een sleuf
Subparagraaf 3.2.2.1 Algemeen
Artikel 3.20 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een sleuf.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater:
a.voor het aanleggen of repareren van riolering, kabels, leidingen en funderingen;
b.voor het uitvoeren van onderzoek of andere ondergrondse werkzaamheden;
c.voor het graven van een watergang; of
d.in een sleuf waarbij de voortgang van elk in bemaling genomen sleufgedeelte minimaal 20 m per week is.
Artikel 3.21 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
j.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
m.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.22 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.23 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking sleuf
1Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, eerste en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
d.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
e.het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
f.er een retourbemaling plaatsvindt.
2Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, eerste lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
d.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
e.het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
f.er geen retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
d.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
e.het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
f.er een retourbemaling plaatsvindt.
4Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
d.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
e.het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
f.er geen retourbemaling plaatsvindt.
5Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 eerste en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
f.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
g.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
h.er een retourbemaling plaatsvindt.
6Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 eerste lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
f.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
g.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
h.er geen retourbemaling plaatsvindt.
7Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
f.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
g.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
h.er een retourbemaling plaatsvindt.
8Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
f.het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
g.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
h.er geen retourbemaling plaatsvindt.
9Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 eerste en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
e.het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
f.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
g.er een retourbemaling plaatsvindt.
10Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 eerste lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
e.het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
f.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; en
3°. 12.000 m3/jaar; en
g.er geen retourbemaling plaatsvindt.
11Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede en tiende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
e.het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
f.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
g.er een retourbemaling plaatsvindt.
12Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede lid, 3.28 en 3.29, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is;
e.het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
f.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
1°. 10 m3/uur;
2°. 5.000 m3/maand; of
3°. 12.000 m3/jaar; en
g.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.24 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.27, derde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
2Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.27, derde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
3Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen artikel 3.27, vierde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
4Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.27, vierde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
Artikel 3.25 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
1Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, zevende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
2Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, achtste lid, 3.28 en 3.29, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er een retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, negende lid, 3.28 en 3.29, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van november tot maart.
Artikel 3.26 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
1Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, vijfde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
2Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, zesde lid, 3.28 en 3.29, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.
Subparagraaf 3.2.2.3 Algemene regels
Artikel 3.27 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de sleufbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de sleuf;
b.gedurende het verrichtten van de activiteit:
1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
e.een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter;
f.per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
g.tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
h.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
i.bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de sleufbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de sleuf;
b.de bemalen sleuflengte is maximaal 100 m;
c.de verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte worden gemonitord binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking door tenminste een peilbuis te plaatsen:
1°. per 100 m sleuf, naast de sleuf waar de stijghoogteverlaging gelijk is aan de verlaging op het kritische punt in de sleuf;
2°. per 100 m sleuf, op 50 en 100 m afstand van de rand van de sleuf; en
3°. per 100 m sleuf, aan de gevel van bebouwing van voor 1960, tot een afstand van 100 m van de rand van de sleuf.
d.de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, als het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag;
e.op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen;
f.de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP;
g.de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking;
h.de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats;
i.de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting:
1°. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
2°. voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
j.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
k.bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd, waarbij de gegevens minimaal vijf jaar worden bewaard;
l.een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter;
m.per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
n.tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
o.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
p.bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater in een sleuf mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet is toegestaan;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal aan 5 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
c.de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
b.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
7De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 10 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november;
d.het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
e.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
9De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het kwetsbare gebied te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
10De volgende voorschriften gelden:
a.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
b.het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
c.de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
d.de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
Artikel 3.28 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de definitieve startdatum; en
b.wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een peilbuis gebruikt moet worden:
1°. een kaart waarop de peilbuizen zijn ingetekend; en
2°. een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
2Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
3Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.
4Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de eindstand van de watermeter;
d.wanneer er gebruik wordt gemaakt van een peilbuis, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuis; en
e.de boorstaten.
5Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling:
1°. de definitieve startdatum; en
2°. een kaart waarop de retourbronnen met XY-coördinaten zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
b.uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
c.de totale hoeveelheid retourbemalen grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
d.de eindstand van de watermeter;
e.ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en
f.uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen.
Artikel 3.29 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken in een sleuf en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
3Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
a.de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of
b.aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
4De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
5De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.30 Vergunningplicht grondwateronttrekking sleuf
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
1°. 400.000 m3 is; en
2°. 15.000 m3/week is; en
d.het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst; en
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer dan:
1°. 400.000 m3 is; of
2°. 15.000 m3/week is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
1°. maximaal 400.000 m3 is; en
2°. maximaal 15.000 m3/week is; en
f.het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
1°. meer dan 400.000 m3 is; of
2°. meer dan 15.000 m3/week is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwateronttrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; en
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.de grondwateronttrekking een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst.
7Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
1°. maximaal 400.000 m3 is; en
2°. maximaal 15.000 m3/week is; en
e.het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
1°. meer dan 400.000 m3 is; of
2°. meer dan 15.000 m3/week is.
9Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; en
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater in een sleuf te onttrekken, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
1°. van binnen naar buiten het gebiedsplan; of
2°. buiten de grenzen van het gebiedsplan.
Artikel 3.31 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 2 m3 per uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
Artikel 3.32 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.33 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een sleuf, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.
Paragraaf 3.2.3 Grondwater onttrekken voor een grondwatersanering
Subparagraaf 3.2.3.1 Algemeen
Artikel 3.34 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater:
a.voor het verwijderen van verontreinigingen uit het grondwater; of
b.voor het verwijderen van verontreinigd grondwater.
Artikel 3.35 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
j.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
m.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.36 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.37 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking grondwatersanering
1Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste en negende lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de grondwatersanering;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
d.er een retourbemaling plaatsvindt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de grondwatersanering;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
d.er geen retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste en negende lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de grondwatersanering;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een schermbemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
e.er een retourbemaling plaatsvindt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de grondwatersanering;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
e.er geen retourbemaling plaatsvindt.
5Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste en negende lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
d.er een retourbemaling plaatsvindt.
6Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, eerste lid, 3.42 en 3.43, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
d.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.38 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, tweede lid, 3.42 en 3.43, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, tweede lid, 3.42 en 3.43, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.41, derde lid, 3.42 en 3.43, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
4Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.41, derde lid, 3.42 en 3.43, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
Artikel 3.39 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
1Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, zesde lid, 3.42 en 3.43, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering voldaan aan de artikelen 3.41, zevende lid, 3.42 en 3.43, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er een retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, achtste lid, 3.42 en 3.43, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van november tot maart.
Artikel 3.40 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
1Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, vierde lid, 3.42 en 3.43, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 3.41, vijfde lid, 3.42 en 3.43, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.
Subparagraaf 3.2.3.3 Algemene regels
Artikel 3.41 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt maandelijks gemeten met een watermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5%;
b.voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd, de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd, waarbij de gegevens minimaal vijf jaar worden bewaard;
e.een interceptiebemaling of schermbemaling worden voorzien van een eigen watermeter;
f.de te saneren verontreinigingsvlek wordt gemonitord volgens het saneringsplan ingediend bij de melding;
g.per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
h.tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
i.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
j.bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater in voor een grondwatersanering mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
c.de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
b.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet kleiner dan of gelijk aan 10 m3 per uur zijn; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
7De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november;
d.het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
e.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
9De volgende voorschriften gelden:
a.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
b.het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
c.de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
d.de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
Artikel 3.42 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
3Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de gemeten onttrokken hoeveelheden grondwater;
b.een totaaloverzicht van alle meterstanden; en
c.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.
5Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de begin- en eindstand van de watermeter; en
d.de boorstaten.
6Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling:
1°. de definitieve startdatum; en
2°. een kaart waarop de retourbronnen met XY-coördinaten zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
b.uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
c.ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en
d.uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen.
Artikel 3.43 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Bij de melding wordt:
a.een saneringsplan verstrekt, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd; of
b.een saneringsplan zonder instemming bevoegd gezag verstrekt als door het bevoegd gezag geen saneringsplan wordt vereist.
3Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
4Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
a.de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of
b.aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
5Vervallen
6De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.44 Vergunningplicht grondwateronttrekking grondwatersanering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de grondwatersanering; en
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur .
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de grondwatersanering;
c.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling of schermbemaling; en
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de grondwatersanering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
b.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; en
c.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken als:
a.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
b.door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
1°. van binnen naar buiten het gebiedsplan; of
2°. buiten de grenzen van het gebiedsplan.
Artikel 3.45 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 2 m3 per uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
Artikel 3.46 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur;
d.grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en
e.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.47 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.
Paragraaf 3.2.4 Grondwater onttrekken voor een beheersmaatregel
Subparagraaf 3.2.4.1 Algemeen
Artikel 3.48 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel.
Artikel 3.49 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
j.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
m.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.50 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.4.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.51 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking beheersmaatregel
1Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
e.er een retourbemaling plaatsvindt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
e.er geen retourbemaling plaatsvindt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling of schermbemaling;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
f.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
g.er een retourbemaling plaatsvindt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling of schermbemaling;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
f.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
g.er geen retourbemaling plaatsvindt.
5Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
f.er een retourbemaling plaatsvindt.
6Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
f.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.52 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.55, tweede lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.55, tweede lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.55, derde lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.55, tweede lid, 3.56 en 3.57, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
Artikel 3.53 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
1Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan artikel 3.55, zesde lid, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan artikel 3.55, zevende lid, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en
d.er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.54 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
1Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, vierde lid, 3.56 en 3.57, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 maximaal 1:1.000 is;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 maximaal 1:600 is; en
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, vijfde lid, 3.56 en 3.57, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.
Subparagraaf 3.2.4.3 Algemene regels
Artikel 3.55 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt maandelijks gemeten met een watermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5%;
b.voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd, de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd, waarbij de gegevens minimaal vijf jaar worden bewaard;
e.een interceptiebemaling of schermbemaling worden voorzien van een eigen watermeter;
f.de te saneren verontreinigingsvlek wordt gemonitord volgens het saneringsplan ingediend bij de melding;
g.per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
h.tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
i.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
j.bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
c.de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
b.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 10 m3 per uur zijn; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
7De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
c.het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
8De volgende voorschriften gelden:
a.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
b.het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
c.de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
d.de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
Artikel 3.56 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een watermeter gebruikt moet worden:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
3Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de gemeten onttrokken hoeveelheden grondwater;
b.een totaaloverzicht van alle meterstanden; en
c.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.
5Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de eindstand van de watermeter; en
d.de boorstaten.
6Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling:
1°. de definitieve startdatum; en
2°. een kaart waarop de retourbronnen met XY-coördinaten zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
b.uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
c.ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en
d.uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen.
Artikel 3.57 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel en, indien van toepassing, het water te retourneren in de bodem, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Bij de melding wordt:
a.een saneringsplan verstrekt, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd; of
b.een saneringsplan zonder instemming bevoegd gezag verstrekt als door het bevoegd gezag geen saneringsplan wordt vereist.
3Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
4Bij de uitvoering van een project waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden verricht, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
a.de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of
b.aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
5Vervallen
6De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.4.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.58 Vergunningplicht grondwateronttrekking beheersmaatregel
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of
2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel; en
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling of schermbemaling;
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
f.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
d.de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling of schermbemaling; en
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
c.de grondwaterontrekking:
1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
e.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal groter dan 25 m3/uur is.
6Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
c.de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
d.het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
a.het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
b.grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
c.door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
1°. van binnen naar buiten het gebiedsplan; of
2°. buiten de grenzen van het gebiedsplan.
8Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als het uitvoeren van de beheersmaatregelen langer dan vijf jaar duurt.
Artikel 3.59 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 5 m3 per uur.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur is.
Artikel 3.60 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand;
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en
d.er geen retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.61 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.
Paragraaf 3.2.5 Grondwater onttrekken voor een project
Subparagraaf 3.2.5.1 Algemeen
Artikel 3.62 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een project.
2Onder een project wordt verstaan het gelijktijdig verrichten van minimaal twee van de volgende activiteiten:
a.het onttrekken van grondwater in een bouwput;
b.het onttrekken van grondwater in een sleuf;
c.het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering; of
d.het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel.
Artikel 3.63 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
j.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
m.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Subparagraaf 3.2.5.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.64 Vergunningplicht grondwateronttrekking project
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een project.
Paragraaf 3.2.6 Grondwater onttrekken voor een onderzoek
Subparagraaf 3.2.6.1 Algemeen
Artikel 3.65 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een onderzoek.
Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.67 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.6.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.68 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor een onderzoek
Bij het onttrekken van grondwater voor een onderzoek wordt voldaan aan artikelen 3.70, 3.71 en 3.72, als:
a.het gaat om een proefonttrekking; en
b.het totale waterbezwaar van alle proefonttrekkingen die gelijktijdig dan wel aansluitend na elkaar worden uitgevoerd in totaal maximaal 50.000 m3 is.
Artikel 3.69 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.70, tweede lid, 3.71 en 3.72, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
2Bij het onttrekken van grondwater voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.70 tweede lid, 3.71 en 3.72, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.
3Bij het onttrekken van grondwater voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.70, tweede lid, 3.71 en 3.72, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
4Bij het onttrekken van grondwater voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.70, derde lid, 3.71 en 3.72, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.
Subparagraaf 3.2.6.3 Algemene regels
Artikel 3.70 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.tijdens de proefonttrekking mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden, waarvoor verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte noodzakelijk is;
b.een proefonttrekking mag niet gelijktijdig met andere grondwateronttrekkingen, die binnen elkaars invloedgebied liggen, uitgevoerd worden;
c.de proefonttrekking en de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte wordt gemonitord volgens het bij de melding ingediende en door het waterschap goedgekeurde monitoringsplan;
d.op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen;
e.de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP bevat;
f.de peilbuizen worden dagelijks gemeten en geregistreerd;
g.de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats;
h.de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting:
1°. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
2°. voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
i.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
j.bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
k.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
l.bij het realiseren van onttrekkingsputten of peilbuizen worden boorstaten gemaakt; en
m.er mag pas gestart worden met een grondwateronttrekking, waarbij werkzaamheden uitgevoerd worden, als de proefonttrekking is afgemeld en een rapportage van de proefonttrekking is ingediend.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
Artikel 3.71 Informatieplicht
1Ten minste één week voor het begin van de activiteit wordt de kaart waarop de peilbuizen zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer, verstrekt aan het waterschap.
2Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
3Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
4Uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van een onttrekkingsput of peilbuis worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de boorstaat; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
5Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum waarop een onttrekkingsput geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of wordt gedicht; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
6Uiterlijk één maand na beëindiging van de grondwateronttrekking, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het waterschap:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de eindstand van de watermeter; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
7Uiterlijk twee maanden na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.een onderzoeksverslag met daarin omschreven:
b.de onttrekkingsdebieten;
c.de bereikte verlagingsniveau’s;
d.de eventueel gewenste verlagingsniveau’s;
e.het invloedsgebied op basis van de gemeten debieten en verlagingen;
f.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater; en
g.alle gemeten verlagingen van grondwaterstanden en stijghoogten ter plaatse van de peilbuizen.
Artikel 3.72 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een onderzoek zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Bij de melding wordt een monitoringsplan verstrekt, die de volgende gegevens bevat:
a.de locatie van peilbuizen en hoogte ten opzichte van het maaiveld en ten opzichte van het NAP; en
b.de wijze waarop de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte en het benodigde debiet wordt bepaald.
3Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
a.tussen het einde van de eerste en de tweede, daarop volgende grondwateronttrekking meer dan acht weken zijn verstreken; of
b.aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.
4Vervallen
5De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.6.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.73 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor een onderzoek
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek, als:
a.het gaat om een proefonttrekking; en
b.het totale waterbezwaar van alle proefonttrekkingen die gelijktijdig dan wel aansluitend na elkaar worden uitgevoerd in totaal meer is dan 50.000 m3.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.74 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 2 m3 per uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
c.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een onderzoek in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en
b.het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.
Paragraaf 3.2.7 Grondwater onttrekken door drainage
Subparagraaf 3.2.7.1 Algemeen
Artikel 3.75 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater door drainage.
Artikel 3.76 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.77 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.7.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.78 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking door drainage
Bij het onttrekken van grondwater door drainage wordt voldaan aan de artikelen 3.79, 3.80 en 3.81, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.er drains in een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains worden aangelegd buiten een hoogwatervoorziening;
e.de bovenkant van de drain minimaal 15 cm onder het laagste waterpeil ligt;
f.de drains worden aangelegd in de zone tussen 50 en 80 cm onder gemiddeld maaiveldniveau;
g.het grondwater onder natuurlijk verval afstroomt waarbij er geen gebruik wordt gemaakt van een pomp; en
h.de voorziening waarop geloosd wordt, niet wordt bemalen.
Subparagraaf 3.2.7.3 Algemene regels
Artikel 3.79 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de hart op hart afstand van de drains is minimaal 4 m en maximaal 8 m;
b.de drains worden horizontaal gelegd;
c.de drainlengte is niet meer dan 300 m; en
d.de draindiameter is minimaal 6 cm.
Artikel 3.80 Informatieplicht
Ten minste drie dagen voor het begin van de werkzaamheden ten behoeve van de drainage worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de definitieve datum waarop de drainage wordt aangebracht;
b.de definitieve datum waarop de drainage wordt afgedicht;
c.de definitieve datum waarop de drainage wordt afgewerkt; en
d.de definitieve datum waarop de drainage wordt verwijderd.
Artikel 3.81 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken door drainage zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten.
3Vervallen
4De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.7.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.82 Vergunningplicht grondwateronttrekking door drainage
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains worden aangelegd buiten een hoogwatervoorziening;
e.de bovenkant van een drain minimaal 15 cm onder het laagste waterpeil ligt;
f.de drains worden aangelegd in de zone tussen 50 en 80 cm onder gemiddeld maaiveldniveau;
g.het grondwater onder natuurlijk verval afstroomt waarbij er geen gebruik wordt gemaakt van een pomp; en
h.de voorziening waarop geloosd wordt, wordt bemalen.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains worden aangelegd buiten een hoogwatervoorziening;
e.de bovenkant van een drain minimaal 15 cm onder het laagste waterpeil ligt;
f.de drains worden aangelegd in de zone tussen 50 en 80 cm onder gemiddeld maaiveldniveau; en
g.het grondwater niet onder natuurlijk verval afstroomt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains worden aangelegd buiten een hoogwatervoorziening;
e.de bovenkant van een drain minimaal 15 cm onder het laagste waterpeil ligt; en
f.de drains worden aangelegd buiten de zone tussen 50 en 80 cm onder gemiddeld maaiveldniveau.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains worden aangelegd buiten een hoogwatervoorziening; en
e.de bovenkant van een drain minder dan 15 cm onder het laagste waterpeil ligt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een veenbodem worden aangelegd; en
d.de drains worden aangelegd binnen een hoogwatervoorziening.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een andere bodem dan een veenbodem worden aangelegd;
d.de drains boven het hoogste polderpeil liggen; en
e.het grondwater niet onder natuurlijk verval afstroomt.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is;
b.alle drains van het perceel dezelfde afwateringsrichting hebben;
c.de drains in een andere bodem dan een veenbodem worden aangelegd; en
d.de drains niet boven het hoogste polderpeil liggen.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage, als:
a.het doel van de drainage het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat is; en
b.alle drains van het perceel niet dezelfde afwateringsrichtingen hebben.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage waarbij de drainage is aangelegd met ander een doel dan het beïnvloeden van de grondwaterstand ten behoeve van landbouw, begraafplaatsen, sportvelden of water op straat.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.83 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door drainage in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade.
Paragraaf 3.2.8 Grondwater onttrekken voor een ondergronds bouwwerk of infrastructuur
Subparagraaf 3.2.8.1 Algemeen
Artikel 3.84 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing voor het onttrekken van grondwater voor het drooghouden en beschermen van een ondergronds bouwwerk of infrastructuur.
Artikel 3.85 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Subparagraaf 3.2.8.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.86 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor een ondergronds bouwwerk of infrastructuur
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor het drooghouden en beschermen van een ondergronds bouwwerk of infrastructruur.
Paragraaf 3.2.9 Grondwater onttrekken voor een brandblusvoorziening
Subparagraaf 3.2.9.1 Algemeen
Artikel 3.87 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening.
Artikel 3.88 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.89 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.9.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.90 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor een brandblusvoorziening
Bij het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening wordt voldaan aan de artikelen 3.92, eerste lid, 3.93 en 3.94, als:
a.het debiet maximaal 120 m3 per uur is; en
b.het grondwater niet dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
Artikel 3.91 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
Bij het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening in een gebied met grondwatergevoelige natuur wordt voldaan aan de artikelen 3.92, tweede lid, 3.93 en 3.94, als het grondwater onttrokken wordt in de periode van november tot maart.
Subparagraaf 3.2.9.3 Algemene regels
Artikel 3.92 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
b.bij het realiseren van onttrekkingsputten worden boorstaten gemaakt; en
c.bij het testen van de brandblusvoorziening, wordt de datum van testen, het specifiek debiet, en de onttrokken hoeveelheid grondwater geregistreerd en de gegevens worden minimaal drie jaar bewaard.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
Artikel 3.93 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het realiseren van een onttrekkingsput wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van een onttrekkingsput worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de boorstaat; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
3Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag of draaiuren per dag als er geen watermeter aanwezig is;
b.wanneer er gebruik wordt gemaakt van een watermeter de begin- en eindstand van de watermeter;
c.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum waarop een onttrekkingsput geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of wordt gedicht; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
5Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag of draaiuren per dag als er geen watermeter aanwezig is;
c.wanneer er gebruik wordt gemaakt van een watermeter de begin- en eindstand van de watermeter; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
Artikel 3.94 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Vervallen
3De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.9.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.95 Vergunningplicht grondwateronttrekking brandblusvoorziening
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening als:
a.het debiet maximaal 120 m3 per uur is; en
b.het grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening als het debiet meer dan 120 m3 per uur is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.96 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade.
Artikel 3.97 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening in een gebied met grondwatergevoelige natuur, als het grondwater onttrokken wordt in de periode van maart tot november.
Paragraaf 3.2.10 Grondwater onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing
Subparagraaf 3.2.10.1 Algemeen
Artikel 3.98 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing.
Artikel 3.99 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing en grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.100 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.10.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.101 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassing
1Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.105, eerste lid, 3.106 en 3.107, als:
a.grondwater wordt onttrokken met een totaal debiet van maximaal:
1°. 10 m3 per uur;
2°. 5.000 m3 per maand; en
3°. 12.000 m3 per jaar; en
b.het grondwater niet dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
2Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.105, eerste lid ,3.106 en 3.107, als:
a.het gaat om bedrijfsmatige beregening of bevloeiing anders dan voor in de glastuinbouw en kunstvelden;
b.aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is;
c.het onttrekkingsdebiet maximaal 60 m3 per uur is; en
d.het grondwater niet dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
Artikel 3.102 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.105, tweede lid, 3.106 en 3.107, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.105, tweede lid, 3.106 en 3.107, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.105, derde lid, 3.106 en 3.107, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.105, derde lid, 3.106 en 3.107, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
Artikel 3.103 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
1Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.105, vierde lid, 3.106 en 3.107, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.
2Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.105, vijfde lid, 3.106 en 3.107, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.
Artikel 3.104 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
Bij het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.105, zesde lid, 3.106 en 3.107, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.
Subparagraaf 3.2.10.3 Algemene regels
Artikel 3.105 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.bij een pomp met een capaciteit van maximaal 10 m3 per uur:
1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater gemonitord door de uren waarop de pomp aan staat, te registreren of met een watermeter, als bedoeld onder het eerste lid, aanhef en onder b;
2°. wordt de duur van de grondwateronttrekking gemeten geregistreerd met de datum; en
3°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
b.bij een pomp met een capaciteit van meer dan 10 m3 per uur:
1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater maandelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
e.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
f.bij het realiseren van onttrekkingsputten worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken is maximaal 2 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
c.de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
b.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
b.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 10 m3 per uur zijn; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
Artikel 3.106 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het realiseren van een onttrekkingsput wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Ten minste drie dagen voor het realiseren van een onttrekkingsput ten behoeve van een grondwateronttrekking voor industriële toepassing worden de volgende gegevens verstrekt:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
3Uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van een onttrekkingsput worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:.
a.de boorstaat; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
b.de begin- en eindstand van de watermeter;
c.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
5Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum waarop een onttrekkingsput geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of wordt gedicht; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
6Uiterlijk één maand na het einde van de grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige beregening of bevloeiing worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de begin- en eindstand van de watermeter; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
7Uiterlijk één maand na het einde van de grondwateronttrekking voor industriële toepassing worden de volgende gegevens verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
Artikel 3.107 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Per bedrijf wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
3Vervallen
4De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.10.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.108 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassing
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als:
a.grondwater wordt onttrokken met een totaal debiet van maximaal:
1°. 10 m3 per uur;
2°. 5.000 m3 per maand; en
3°. 12.000 m3 per jaar; en
b.het grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als grondwater onttrokken wordt onttrokken met een totaal debiet groter dan:
a.10 m3/uur;
b.5.000 m3/maand; of
c.12.000 m3/jaar.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als:
a.het gaat om bedrijfsmatige beregening of bevloeiing anders dan voor in de glastuinbouw en kunstvelden;
b.aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is;
c.het onttrekkingsdebiet maximaal 60 m3 per uur is; en
d.het grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als:
a.het gaat om bedrijfsmatige beregening of bevloeiing anders dan voor in de glastuinbouw en kunstvelden;
b.aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is; en
c.het debiet groter dan 60 m3 per uur is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als:
a.het gaat om bedrijfsmatige beregening of bevloeiing anders dan voor in de glastuinbouw en kunstvelden; en
b.aangrenzend aan het perceel voldoende en bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als het gaat om een beregening of bevloeiing voor in de glastuinbouw en kunstvelden.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.109 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 5 m3 per uur.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur is.
Artikel 3.110 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassingen, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn;
b.de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.door de grondwateronttrekking:
1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;
2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of
3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.
Artikel 3.111 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing, als:
a.binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt;
b.de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en
c.grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur.
Paragraaf 3.2.11 Grondwater onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing
Subparagraaf 3.2.11.1 Algemeen
Artikel 3.112 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing.
Artikel 3.113 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.114 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.11.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.115 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing
Bij het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing wordt voldaan aan de artikelen 3.117, 3.118 en 3.119, als:
a.het gaat om een beregening of bevloeiing anders dan voor kunstvelden;
b.grondwater wordt onttrokken met een totaal debiet van maximaal:
1°. 10 m3 per uur;
2°. 5.000 m3 per maand; en
3°. 12.000 m3 per jaar; en
c.het grondwater niet dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
Artikel 3.116 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.117, derde lid, 3.118 en 3.119, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.117, derde lid, 3.118 en 3.119, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.117, derde lid, 3.118 en 3.119, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.117, derde lid, 3.118 en 3.119, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
Subparagraaf 3.2.11.3 Algemene regels
Artikel 3.117 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.bij een pomp met een capaciteit van maximaal 10 m3 per uur:
1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater gemonitord door de uren waarop de pomp aan staat, te registreren of met een watermeter, als bedoeld onder het eerste lid, aanhef en onder b;
2°. wordt de duur van de grondwateronttrekking gemeten geregistreerd met de datum; en
3°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
b.bij een pomp met een capaciteit van meer dan 10 m3 per uur:
1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater maandelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd;
3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
e.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
f.bij het realiseren van onttrekkingsputten worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor huishoudelijk of kleinschalige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken is maximaal 2 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor huishoudelijk of kleinschalige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
Artikel 3.118 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het realiseren van een onttrekkingsput wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een watermeter gebruikt moet worden:
a.de beginstand van de watermeter; en
b.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.
3Uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van een onttrekkingsput worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de boorstaat; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag of draaiuren per dag als er geen watermeter aanwezig is;
b.wanneer er gebruik wordt gemaakt van een watermeter de eindstand van de watermeter;
c.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
5Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum waarop een onttrekkingsput geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of wordt gedicht; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
6Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag of draaiuren per dag als er geen watermeter aanwezig is;
c.wanneer er gebruik wordt gemaakt van een watermeter de eindstand van de watermeter; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
Artikel 3.119 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Per adres wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
3Vervallen
4De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.11.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.120 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing, als:
a.het gaat om een beregening of bevloeiing anders dan voor kunstvelden;
b.grondwater wordt onttrokken met een totaal debiet van maximaal:
1°. 10 m3 per uur;
2°. 5.000 m3 per maand; en
3°. 12.000 m3 per jaar; en
c.het grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing, als:
a.het gaat om een beregening of bevloeiing anders dan voor kunstvelden; en
b.grondwater wordt onttrokken met een totaal debiet van meer dan:
1°. 10 m3 per uur;
2°. 5.000 m3 per maand; of
3°. 12.000 m3 per jaar.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing, als het gaat om onttrekken van grondwater voor een beregening of bevloeiing van kunstvelden.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of andere kleinschalige toepassing als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.121 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 5 m3 per uur.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur is.
Paragraaf 3.2.12 Grondwater onttrekken voor drinkwater voor vee
Subparagraaf 3.2.12.1 Algemeen
Artikel 3.122 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee.
Artikel 3.123 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Artikel 3.124 Voorrangsbepaling
Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
Subparagraaf 3.2.12.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.125 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee
Bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee wordt voldaan aan de artikelen 3.127, 3.128 en 3.129, als:
a.er aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is;
b.het onttrekkingsdebiet maximaal 15 m3 per uur is; en
c.het grondwater niet dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
Artikel 3.126 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.127, derde lid, 3.128 en 3.129, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
2Bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.127, derde lid, 3.128 en 3.129, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
3Bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.127, derde lid, 3.128 en 3.129, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
4Bij het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.127, derde lid, 3.128 en 3.129, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m onder maaiveld komt.
Subparagraaf 3.2.12.3 Algemene regels
Artikel 3.127 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt maandelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
b.voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd, de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
c.een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
d.bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
e.bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
f.bij het realiseren van onttrekkingsputten worden boorstaten gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het onttrekken van grondwater voor drinkwater voor vee mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
b.bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
c.de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
Artikel 3.128 Informatieplicht
1Ten minste drie dagen voor het realiseren van een onttrekkingsput wordt de definitieve startdatum verstrekt aan het waterschap.
2Uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van een onttrekkingsput worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de boorstaat; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
3Jaarlijks, uiterlijk op 30 januari, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
b.de begin- en eindstand van de watermeter;
c.de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
4Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum waarop een onttrekkingsput geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of wordt gedicht; en
b.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
5Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
b.de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
c.de begin- en eindstand van de watermeter; en
d.een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
Artikel 3.129 Meldplicht
1Het is verboden om grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
2Per bedrijf wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
3Vervallen
4De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Subparagraaf 3.2.12.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.130 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee, als:
a.er aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is;
b.het onttrekkingsdebiet maximaal aan 15 m3 per uur is; en
c.het grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket wordt onttrokken.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee, als:
a.er aangrenzend aan het perceel niet voldoende of niet bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is; en
b.het onttrekkingsdebiet groter dan 15 m3 per uur is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee, als er voldoende en bruikbaar oppervlaktewater beschikbaar is aangrenzend aan het perceel.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee als er een retourbemaling plaatsvindt.
Artikel 3.131 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 2 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 2 m3 per uur.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden;
b.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
c.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; en
b.het debiet van de onttrekking meer is dan 5 m3 per uur.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt, waarbij de bovenzijde van het filter op minder dan 15 m onder maaiveld komt.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.het debiet van de onttrekking maximaal 5 m3 per uur is; en
b.het onttrekkingsfilter niet in het eerste watervoerend pakket geplaatst wordt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het debiet van de onttrekking groter dan 5 m3 per uur is.
Paragraaf 3.2.13 Grondwater onttrekken voor menselijke consumptie
Subparagraaf 3.2.13.1 Algemeen
Artikel 3.132 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor menselijke consumptie.
Artikel 3.133 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
i.als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
l.de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
Subparagraaf 3.2.13.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.134 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor menselijke consumptie
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor menselijke consumptie.
Artikel 3.135 Specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwateronttrekking voor menselijke consumptie
1Aan een omgevingsvergunning voor een onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie, als dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken voor meer dan 50 personen, worden voorschriften verbonden over de monitoring van het ruwwater volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit.
2De monitoring, bedoeld in het eerste lid, vindt de eerste keer plaats bij aanvang van de onttrekking en vervolgens ten minste elke zes jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de verwachte risico's.
Afdeling 3.3 Water infiltreren
Paragraaf 3.3.1 Algemeen
Artikel 3.136 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het infiltreren van water waarbij water in de bodem wordt gebracht, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.
Artikel 3.137 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.het effect van de infiltratie op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; en
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen.
Paragraaf 3.3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.138 Vergunningplicht water infiltreren
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning water in de bodem te infiltreren met het doel dit water weer te onttrekken.
Artikel 3.139 Specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning infiltratie van water
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.4 Oppervlaktewater onttrekken
Paragraaf 3.4.1 Algemeen
Artikel 3.140 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam , voor zover dit niet plaatsvindt in het kader van werkzaamheden ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
Artikel 3.141 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de activiteit geen schade veroorzaakt aan de bodem en taluds van een watergang;
b.er bescherming rondom het innamepunt wordt toegepast;
c.er geen peilwijziging wordt veroorzaakt van meer dan 5 cm;
d.er bij het onttrekken van oppervlaktewater rekening mee moet worden gehouden dat er in tijden van schaarste veel oppervlaktewateronttrekkingen gelijktijdig plaatsvinden; en
e.bij de onttrekking van oppervlaktewater alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om inname van in water levende organismen te voorkomen.
Artikel 3.141a Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt bij het onttrekken van oppervlaktewater: de instroomsnelheid is maximaal 0,15 m/s.
2Het volgende voorschrift geldt bij het onttrekken van oppervlaktewater: het waterpeil mag door de onttrekking maximaal 5 cm daling ontstaan, gemeten binnen tien meter van het onttrekkingspunt.
Paragraaf 3.4.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.142 Vergunningplicht oppervlaktewater onttrekken
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlaktewater te onttrekken voor beregening in het kader van nachtvorstschadebestrijding.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlaktewater te onttrekken:
a.uit geïsoleerd water;
b.in beschermingszone V van een vispassage; of
c.in een natuurvriendelijke oever.
Afdeling 3.5 Water in de bodem brengen
Paragraaf 3.5.1 Algemeen
Artikel 3.143 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het brengen van water in de bodem.
2Het eerste lid is niet van toepassing op het infiltreren van water in de bodem.
Artikel 3.144 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
b.het effect van de activiteit op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; en
c.bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen.
Paragraaf 3.5.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 3.145 Vergunningplicht water in de bodem brengen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning water in de bodem te brengen.
Hoofdstuk 4 Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk
Afdeling 4.1 Algemeen
Artikel 4.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap, tenzij in dit hoofdstuk anders bepaald.
Artikel 4.2 Specifieke gegevens en bescheiden bij een informatieplicht of meldplicht beperkingengebiedactiviteit
In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 1.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:
a.een beschrijving van de wijze waarop bij de activiteit gebruik zal worden gemaakt van het gebied waar de activiteit zal worden uitgevoerd;
b.tekeningen van de bestaande en te realiseren situatie;
c.indien van toepassing één of meer tekeningen van de uit te voeren activiteit met de relevante maatvoering;
d.indien van toepassing relevante berekeningen; en
e.een planning van de activiteit.
Artikel 4.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.een beschrijving van het belang van de aanvrager bij de uit te voeren activiteit;
b.een beschrijving van de wijze waarop bij de activiteit gebruik zal worden gemaakt van het gebied waar de activiteit zal worden uitgevoerd;
c.tekeningen van de bestaande en te realiseren situatie;
d.indien van toepassing één of meer tekeningen van de uit te voeren activiteit met de relevante maatvoering;
e.indien van toepassing relevante berekeningen;
f.een planning van de activiteit; en
g.de periode waarvoor vergunning wordt gevraagd.
Afdeling 4.2 Graven
Paragraaf 4.2.1 Algemeen
Artikel 4.4 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het graven in het beheergebied van het waterschap.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan:
a.het aanleggen van een nieuwe watergang;
b.het verbreden van een bestaande watergang in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk;
c.het verdiepen van een bestaande watergang in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk;
d.het verlengen van een bestaande watergang in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk;
e.het uitvoeren van een diepere ontgraving;
f.het graven in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk; en
g.het verleggen van een waterkering.
3Het eerste lid is niet van toepassing als op het graven een andere afdeling of paragraaf in dit hoofdstuk van toepassing is.
Artikel 4.5 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat er altijd de mogelijkheid moet zijn om maaisel uit de watergang te kunnen ontvangen door de aangelande;
c.er rekening mee wordt gehouden dat de gegraven watergang kan worden onderhouden;
d.bij diepere ontgravingen (bijvoorbeeld zand- en kleiwinputten) het aspect kwel en wegzijging een grote rol kan spelen;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
j.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering ;
l.graafbewegingen die plaatsvinden binnen het profiel van de watergang, worden tot een noodzakelijk minimum beperkt; en
m.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om schade aan het talud van de watergang en de oevervegetatie op het talud te voorkomen.
Artikel 4.6 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.7 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
a.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
b.de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
c.de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
2Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 vijfde lid en 4.11, als de werkzaamheden het verdiepen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen.
3Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
a.de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
b.de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
c.de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
4Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 derde lid en 4.11, als:
a.de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
b.de werkzaamheden:
1°. permanent zijn; of
2°. niet ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd;
c.de watergang geen beschermingszone A heeft; en
d.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan de diepte van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan de bestaande watergang.
5Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
d.de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
6Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
a.het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het verbreden van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
d.de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
7Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 derde lid en 4.11, als:
a.het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het verbreden van een tertiaire watergang betreffen; en
c.de werkzaamheden:
1°. permanent zijn; of
2°. niet ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
8Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 vierde lid, als:
a.het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang; en
b.de werkzaamheden het verdiepen van een tertiaire watergang betreffen.
9Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 eerste lid en 4.11, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden;
d.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,60 m; en
e.de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 2,30 m.
10Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 eerste lid en 4.11, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
d.de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden;
e.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,50 m; en
f.de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 2 m.
Artikel 4.8 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het graven in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.10 zevende lid, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is;
b.maximaal 1 m diep is;
c.maximaal 1 m breed is;
d.dezelfde dag wordt aangevuld; en
e.buiten het dijklichaam van de waterkering plaatsvindt.
2Bij het graven in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.10 achtste lid, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is;
b.maximaal 1 m diep is;
c.maximaal 1 m breed is;
d.dezelfde dag wordt aangevuld; en
e.buiten het dijklichaam van de waterkering plaatsvindt.
3Bij het graven in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.10 tiende lid en 4.12, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is;
b.maximaal 1 m diep is;
c.maximaal 1 m breed is; en
d.dezelfde dag wordt aangevuld.
4Bij het graven in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.10 tiende lid, elfde lid en 4.12, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is:
1°. met een breedte en diepte van maximaal 1 m; en
2°. die dezelfde dag wordt aangevuld; of
b.het verwijderen van een afrit betreft.
5Bij het graven in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.11, als:
a.de ontgraving maximaal 1 m diep is; en
b.de ontgraving:
1°. geen proefsleuf is;
2°. breder dan 1 m is; of
3°. niet dezelfde dag wordt aangevuld.
6Bij het graven in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.12, als de ontgraving:
a.meer dan 1 m diep is en maximaal 3 m diep is;
b.voor 1 oktober ongedaan gemaakt is door het terugbrengen van de uitkomende grond;
c.een lengte heeft van maximaal 20 m gemeten parallel aan de primaire waterkering; en
d.buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt.
7Bij het graven in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.11, als:
a.de ontgraving maximaal 1 m diep is; en
b.de ontgraving:
1°. geen proefsleuf is;
2°. breder dan 1 m is; of
3°. niet dezelfde dag wordt aangevuld.
8Bij het graven in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.11, als:
a.de ontgraving meer dan 1 m diep en maximaal 3 m diep is;
b.de afstand van de graafwerkzaamheden tot de zone waterstaatswerk van de zomerkade maximaal 10 m is;
c.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan gemaakt is; en
d.de ontgraving een lengte heeft van maximaal 20 m gemeten parallel aan de zomerkade.
9Bij het graven in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.11, als:
a.de ontgraving meer dan 1 m diep en maximaal 3 m diep is; en
b.de afstand van de graafwerkzaamheden tot de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
10Bij het graven in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.10 zesde lid en 4.11, als:
a.de ontgraving meer dan 3 m diep is; en
b.de afstand van de graafwerkzaamheden tot de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
Artikel 4.9 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het graven in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.10 negende lid en 4.12, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.2.3 Algemene regels
Artikel 4.10 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.als ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
2De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien de tijdelijk te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moeten met het waterschap afspraken gemaakt worden over de bereikbaarheid van deze onderhoudsroute;
c.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.bij het graven en in stand houden van het gegraven oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden; en
e.bij het graven van oppervlaktewater moeten er zodra een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
e.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
f.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
4De volgende voorschriften gelden:
a.bij het verdiepen van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
b.bij het verdiepen van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
c.het verdiepte oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
5De volgende voorschriften gelden:
a.bij het verdiepen van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
b.bij het verdiepen van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
c.het verdiepte oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
6Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
7De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt buitendijks, in de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
8De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
9De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
10De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
11De volgende voorschriften gelden:
a.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen op- en afrit wordt zodanig vormgegeven dat het aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen op- en afrit;
b.de waterkering wordt afgewerkt conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.indien er als afdekking van de waterkering nog geen kleilaag aanwezig is dan geldt met betrekking tot de inkassing dat: voordat de laag klei wordt aangebracht wordt de grond in de waterkering voorbewerkt door middel van een trapsgewijze inkassing met treden waarvan zowel de diepte als hoogte tussen de 0,30 en 0,50 m is; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.11 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.12 Meldplicht
Het is verboden om te graven zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.13 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in beschermingszone K van een kunstwerk.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
a.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen; en
b.de werkzaamheden:
1°. permanent zijn; of
2°. niet ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
a.de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
b.de werkzaamheden:
1°. permanent zijn; of
2°. niet ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd; en
c.de watergang een beschermingszone A heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
a.de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
b.de werkzaamheden:
1°. permanent zijn; of
2°. niet ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd;
c.de watergang geen beschermingszone A heeft; en
d.de verbreding van de watergang een diepte krijgt die minder is dan de diepte van de bestaande watergang.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden;
d.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst opgenomen peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,60 m; en
e.de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 2,3 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden; en
d.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 0,60 m.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
d.de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden;
e.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,50 m; en
f.de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 2 m.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
d.de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden; en
e.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 0,50 m.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
a.het niet gaat om een droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
b.de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
c.de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden; en
d.de werkzaamheden in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden.
Artikel 4.14 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de ontgraving:
a.geen proefsleuf is;
b.dieper dan 1 m is;
c.breder dan 1 m is; of
d.niet dezelfde dag wordt aangevuld.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is;
b.maximaal 1 m diep is;
c.maximaal 1 m breed is;
d.dezelfde dag wordt aangevuld; en
e.binnen het dijklichaam van de waterkering plaatsvindt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de ontgraving:
a.geen proefsleuf is;
b.dieper dan 1 m is;
c.breder dan 1 m is; of
d.niet dezelfde dag wordt aangevuld.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de ontgraving:
a.een proefsleuf is;
b.maximaal 1 m diep is;
c.maximaal 1 m breed is;
d.dezelfde dag wordt aangevuld; en
e.binnen het dijklichaam van de waterkering plaatsvindt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de ontgraving:
a.geen proefsleuf is;
b.dieper dan 1 m is;
c.breder dan 1 m is; of
d.niet dezelfde dag wordt aangevuld.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het niet gaat om een proefsleuf of het verwijderen van een afrit;
b.de ontgraving dieper of breder dan 1 m is; of
c.de ontgraving niet dezelfde dag wordt aangevuld.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als de ontgraving niet binnen 6 maanden ongedaan gemaakt is door het terugbrengen van de uitkomende grond.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een primaire waterkering, als de ontgraving meer dan 3 m diep is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
b.de ontgraving:
1°. niet voor 1 oktober ongedaan gemaakt is door het terugbrengen van de uitkomende grond;
2°. een lengte heeft van meer dan 20 m gemeten parallel aan de primaire waterkering; of
3°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt is door het terugbrengen van de uitkomende grond; of
2°. een lengte heeft van meer dan 20 m gemeten parallel aan de waterkering.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden groter is dan 3 m.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is; en
c.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt is; of
2°. een lengte heeft van meer dan 20 m gemeten parallel aan de waterkering.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is.
Artikel 4.15 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m2 of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het graven een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.3 Grond of ander materiaal aanbrengen
Paragraaf 4.3.1 Algemeen
Artikel 4.16 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen van grond of ander materiaal.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.dempen van water; en
b.compenseren van de demping.
Artikel 4.17 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.er rekening mee wordt gehouden dat er altijd de mogelijkheid moet zijn om maaisel uit de watergang te kunnen ontvangen door de aangrenzende eigenaar;
e.er rekening mee wordt gehouden dat de gegraven watergang kan worden onderhouden;
f.bij diepere ontgravingen het aspect kwel en wegzijging een grote rol kan spelen, als dit aan de orde is, is het aan de initiatiefnemer om dit in een vroeg stadium in een ontwerpplan met het waterschap en andere overheden af te stemmen;
g.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
h.er rekening wordt gehouden met de flora en fauna in de te dempen watergang;
i.bij versmalling van een watergang met dempingsmateriaal anders dan grond, wordt rekening gehouden met de mate van afbreekbaarheid van het gebruikte materiaal;
j.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast
k.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
l.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
m.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
n.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
o.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
p.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering ;
q.wordt voorkomen dat bij aanbrengen van grond of ander materiaal in het oppervlaktewater uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
r.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om schade aan het talud van de watergang en de oevervegetatie op het talud te voorkomen.
Artikel 4.18 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zevende lid en 4.23, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang zijnde een tertiaire droge sloot; en
c.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal:
1°. volledig wordt gedempt; of
2°. wordt versmald.
2Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
g.de breedte van het perceel wijzigt;
h.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
i.het perceel dat ontstaat door demping heeft:
1°. een perceelsbreedte kleiner dan 60 m; of
2°. een perceelbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen smaller is dan 30 m.
3Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
g.de:
1°. breedte van het perceel niet wijzigt; of
2°. grond of ander materiaal wordt aangebracht in:
i.een gebied dat in de toekomst bebouwd zal worden; of
ii.bebouwd gebied.
4Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m; en
f.het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
5Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei opveen- of veengronden;
f.de breedte van het perceel wijzigt;
g.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
h.het perceel dat ontstaat door demping heeft:
1°. een perceelsbreedte kleiner dan 60 m; of
2°. een perceelbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen smaller is dan 30 m.
6Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
f.de:
1°. breedte van het perceel niet wijzigt; of
2°. grond of ander materiaal wordt aangebracht in:
i.een gebied dat in de toekomst bebouwd zal worden; of
ii.bebouwd gebied.
7Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt; en
e.het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
8Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
g.de breedte van het perceel wijzigt;
h.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
i.het perceel dat ontstaat door demping heeft:
1°. een perceelsbreedte kleiner dan 60 m; of
2°. een perceelbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen smaller is dan 30 m.
9Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
g.waarbij:
1°. de breedte van het perceel niet wijzigt; of
2°. de locatie in (toekomstig) bebouwd gebied is.
10Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m; en
f.het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
11Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
f.de breedte van het perceel wijzigt;
g.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
h.het perceel dat ontstaat door demping heeft:
1°. een perceelsbreedte kleiner dan 60 m; of
2°. een perceelbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen smaller is dan 30 m.
12Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
f.waarbij:
1°. de breedte van het perceel niet wijzigt; of
2°. de locatie in (toekomstig) bebouwd gebied is.
13Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt; en
e.het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
14Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 negende lid en 4.23, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
15Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 negende lid en 4.23, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
16Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 achtste lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
17Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 achtste lid en 4.24, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
18Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 tiende lid en 4.23, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.20 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.22 derde lid, als er niet verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld.
2Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.22 vierde lid als:
a.er verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld; en
b.de grond of ander materiaal wordt aangebracht voor de aanleg van een op- of afrit.
3Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.22 derde lid, als er niet verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld.
4Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 tweede lid en 4.23 als:
a.de compensatie van het aanbrengen in de beschermingszone van een primaire waterkering plaatsvindt; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
5Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 tweede lid en 4.23 als:
a.de compensatie van het aanbrengen in de beschermingszone van een zomerkade plaatsvindt; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
6Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 tweede lid en 4.23 als:
a.de compensatie van het aanbrengen in de beschermingszone van een zomerkade plaatsvindt;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.21 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.22 vijfde lid en 4.24, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.3.3 Algemene regels
Artikel 4.22 Algemene regel
1Vervallen
2Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.aanvulling vindt plaats conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.indien er ter plaatse van de aanvulling een grasmat ligt, wordt deze eerst gefreesd, voordat met aanvullen wordt begonnen;
c.bij het dempen van watergangen wordt een eventuele sliblaag eerst verwijderd voordat wordt aangevuld; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
4De volgende voorschriften gelden:
a.aanvulling vindt plaats conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.ter plaatse van de aansluiting op de bestaande waterkering wordt de grond voorbewerkt door middel van een trapsgewijze inkassing met treden waarvan zowel de diepte als hoogte tussen de 0,30 en 0,50 m is;
c.de aan te brengen grond dient puinvrij te zijn;
d.indien er ter plaatse van de aanvulling of de inkassing een grasmat ligt, wordt deze eerst gefreesd, voordat met aanvullen of het maken van de inkassing wordt begonnen;
e.indien er als fundering voor de op- en afrit een funderingscunet wordt gegraven dan wordt dit cunet direct na het graven ervan aangevuld met daartoe geschikt materiaal;
f.de op- en afrit wordt voorzien van een erosiebestendige afdekking, bijvoorbeeld asfalt;
g.een eventueel aan te brengen verharding op de op- en afrit sluit aan de zijkanten goed aan op de aan te brengen erosiebestendige kleilaag conform Bijlage IV; en
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering en de eventueel aan te leggen erosiebestendige verharding van de op- en afrit.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na de demping gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt;
b.bij het dempen van een watergang voorkomt initiatiefnemer dat baggerspecie uit de te dempen watergang in het resterende deel van de watergang terecht komt;
c.de wateraan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping;
d.indien er als het gevolg van een demping een stuk geïsoleerd water overblijft, wordt ook het oppervlak van dat overgebleven gedeelte geïsoleerd water gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regelgeving; en
e.als een demping plaatsvindt met materiaal anders dan grond moet de te dempen watergang eerst afgedamd en leeggepompt worden, alvorens het materiaal wordt aangebracht.
7Het volgende voorschrift geldt: de water aan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping.
8De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de verbreding moet vooraf door de initiatiefnemer worden uitgezet. Voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
9De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.als ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
10De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanbrengen van grond of ander materiaal gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.23 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.24 Meldplicht
Het is verboden om grond of ander materiaal aan te brengen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.25 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt verondiept; en
b.de watergang na het aanbrengen een diepte heeft die niet voldoet aan de minimale waterdiepte zoals vermeld in de profielenlegger.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt versmald of volledig gedempt; en
b.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
b.het wordt aangebracht in beheergebied west;
c.de watergang wordt verondiept; en
d.de watergang na het aanbrengen een diepte heeft van minder dan 0,60 m ten opzichte van het laagst vastgestelde waterpeil in het betreffende peilbesluit.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
b.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
c.de watergang wordt verondiept; en
d.de watergang na het aanbrengen een diepte heeft van minder dan 0,50 m ten opzichte van het laagst vastgestelde waterpeil in het betreffende peilbesluit.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang met geborgde afmetingen, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap; en
b.de watergang door het aanbrengen wordt versmald of volledig wordt gedempt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald; en
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minder dan 2,30 m.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
g.de breedte van het perceel wijzigt;
h.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
i.het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
1°. een perceelsbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen een perceelsbreedte heeft van 30 m of meer;
2°. een perceelsbreedte van 60 m tot 80 m en gaat niet over samenvoeging van meerdere percelen; of
3°. een perceelsbreedte van 80 m of meer.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied west;
d.de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
f.de breedte van het perceel wijzigt;
g.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
h.het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
1°. een perceelsbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen een perceelsbreedte heeft van 30 m of meer;
2°. een perceelsbreedte van 60 m tot 80 m en gaat niet over samenvoeging van meerdere percelen; of
3°. een perceelsbreedte van 80 m of meer.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt versmald; en
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen van de grond of ander materiaal een breedte heeft van minder dan 2 m.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt versmald;
e.de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen van de grond of ander materiaal een breedte heeft van minimaal 2 m;
f.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
g.de breedte van het perceel wijzigt;
h.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
i.het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
1°. een perceelsbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen een perceelsbreedte heeft van 30 m of meer;
2°. een perceelsbreedte van 60 m tot 80 m en gaat niet over samenvoeging van meerdere percelen; of
3°. een perceelsbreedte van 80 m of meer.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
c.het wordt aangebracht in beheergebied oost;
d.de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal volledig wordt gedempt;
e.het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
f.de breedte van het perceel wijzigt;
g.de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
h.het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
1°. een perceelsbreedte van kleiner dan 80 m, waarbij één van de oorspronkelijke percelen een perceelsbreedte heeft van 30 m of meer;
2°. een perceelsbreedte van 60 m tot 80 m en gaat niet over samenvoeging van meerdere percelen; of
3°. een perceelsbreedte van 80 m of meer.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.de watergang versmald of volledig gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is; en
d.de compensatie van het gedempte oppervlaktewater en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater:
1°. niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt;
2°. in hetzelfde peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater; of
3°. in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
g.de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
a.het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
b.er water gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
h.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.26 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als het gaat om een depot.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de grond of ander materiaal binnen het dijklichaam wordt aangebracht.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de grond of ander materiaal buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.er verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als er verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er verder wordt aangevuld dan het omliggende maaiveld; en
b.de grond of ander materiaal niet wordt aangebracht voor de aanleg van een op- of afrit.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:
a.er door het aanbrengen van de grond of ander materiaal water gedempt wordt; en
b.de demping gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen, als:
a.de compensatie van het aanbrengen in de beschermingszone van een primaire waterkering plaatsvindt; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen, als:
a.de compensatie van het aanbrengen in de beschermingszone van een zomerkade plaatsvindt;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen, als:
a.de compensatie van het aanbrengen plaatsvindt in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
Artikel 4.27 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanbrengen van grond of ander materiaal een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.tuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Afdeling 4.4 Duiker
Paragraaf 4.4.1 Duiker aanleggen
Subparagraaf 4.4.1.1 Algemeen
Artikel 4.28 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de duiker;
b.verlengen van de duiker; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de duiker.
Artikel 4.29 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
i.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet te veel worden belemmerd;
j.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
k.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
l.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.30 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.4.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.31 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.34 eerste lid en 4.35, als:
a.de duiker:
1°. een diameter heeft van minimaal 0,80 m en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. een diameter heeft van minimaal 0,50 m en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.20 tot en met 35% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.het niet gaat om een verbindingsduiker; en
e.de afstand tussen de aan te leggen duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is.
2Bij het aanleggen van een duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.34 eerste lid en 4.35, als:
a.de duiker:
1°. een diameter heeft van minimaal 0,80 m en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. een diameter heeft van minimaal 0,50 m en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.20 tot en met 35% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is; en
d.het gaat om een verbindingsduiker.
Artikel 4.32 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het aanleggen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.34 tweede lid en 4.36, als:
a.de binnen en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden;
b.de diameter van de duiker maximaal 110 mm is;
c.de buitenzijde afsluitbaar is met een goed functionerende afsluiter; en
d.deze via een persing wordt aangelegd.
Artikel 4.33 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.34 derde lid en 4.36, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.4.1.3 Algemene regels
Artikel 4.34 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.het toepassen van uitlogende materialen is niet toegestaan, met uitzondering van bevestigingsmiddelen;
b.de duikerbuizen dienen in een rechte lijn te liggen en gronddicht op elkaar te worden aangesloten;
c.door het aanleggen van een duiker ontstaat geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
d.er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden dat er geen grond of puin vanaf de dam in de naastliggende watergang kan raken; en
e.wanneer de duiker niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dient de initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het oorspronkelijk profiel van de watergang zodanig te herstellen dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms. De taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond. Bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.als materiaal voor de duiker wordt geen PVC toegepast; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.35 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.36 Meldplicht
Het is verboden om een duiker aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.4.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.37 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een primaire watergang of een secundaire watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. een diameter heeft van minimaal 0,80 m en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. een diameter heeft van minimaal 0,50 m en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.20 tot en met 35% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is.
d.het niet gaat om een verbindingsduiker; en
e.de afstand tussen de aan te leggen duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minder dan 10 m is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. een diameter heeft van minimaal 0,80 m en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. een diameter heeft van minimaal 0,50 m en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.20 tot en met 35% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
c.de lengte van de duiker meer dan 15 m is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. een diameter heeft van minimaal 0,80 m en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. een diameter heeft van minimaal 0,50 m en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; en
b.de duiker:
1°. met minder dan 20% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; of
2°. meer dan 35% van de diameter van de duiker met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. een kleinere diameter heeft dan 0,80 m; en
2°. in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
b.de duiker:
1°. een kleinere diameter heeft dan 0,50 m; en
2°. buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt.
Artikel 4.38 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de duiker is gefundeerd op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de diameter van de duiker groter is dan 110 mm;
b.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de duiker aan de buitenzijde niet afsluitbaar is met een goed functionerende afsluiter;
c.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de duiker niet via een persing wordt aangelegd; of
d.de binnen- en buitenzijde van de waterkering niet met elkaar wordt verbonden.
Artikel 4.39 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de duiker compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.4.2 Duiker verwijderen
Subparagraaf 4.4.2.1 Algemeen
Artikel 4.40 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de duiker;
b.inkorten van de duiker; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de duiker.
Artikel 4.41 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtgelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.42 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.4.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.43 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.46eerste lid en 4.47.
Artikel 4.44 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het verwijderen van een duiker binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.46 tweede lid en 4.47, als:
a.de werkzaamheden buiten de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering plaatsvinden;
b.de duiker is gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.45 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.46 derde lid en 4.48, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.4.2.3 Algemene regels
Artikel 4.46 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.nadat een duiker is verwijderd uit het oppervlaktewater wordt het profiel van de watergang zodanig hersteld dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
b.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
c.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de duiker wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen duiker wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen duiker.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.47 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.48 Meldplicht
Het is verboden om een duiker te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.4.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.49 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker uit een bestaande dam met duiker te verwijderen en de dam te laten liggen.
Artikel 4.50 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.51 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.4.3 Duiker vervangen
Subparagraaf 4.4.3.1 Algemeen
Artikel 4.52 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de duiker.
Artikel 4.53 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
j.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd.
Artikel 4.54 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.4.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.55 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het vervangen van een duiker in het gebied met een grotere minimale duikerdiameter wordt voldaan aan de artikelen 4.58 tweede lid en 4.59, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,80 m;
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van 20 tot en met 35% van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
d.de nieuwe duiker een lengte heeft van maximaal 15 m.
2Bij het vervangen van een duiker buiten het gebied met een grotere minimale duikerdiameter wordt voldaan aan de artikelen 4.58 tweede lid en 4.59, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,50 m;
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van 20 tot en met 35% van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
d.de nieuwe duiker een lengte heeft van maximaal 15 m.
Artikel 4.56 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.58 derde lid en 4.60, als:
a.de duiker geen onderdeel is van de waterkering; en
b.de te vervangen duiker:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
2Bij het vervangen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.58 derde lid en 4.60, als de duiker geen onderdeel is van de waterkering.
Artikel 4.57 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.58 eerste lid en 4.60, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.4.3.3 Algemene regels
Artikel 4.58 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het toepassen van uitlogende materialen is niet toegestaan, met uitzondering van bevestigingsmiddelen;
b.de duikerbuizen dienen in een rechte lijn te liggen en gronddicht op elkaar te worden aangesloten;
c.door het aanleggen van een duiker ontstaat geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
d.er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden dat er geen grond of puin vanaf de dam in de naastliggende watergang kan raken; en
e.wanneer de duiker niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het oorspronkelijk profiel van de watergang zodanig te herstellen dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
f.de taluds worden ingezaaid met en gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
g.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.59 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.60 Meldplicht
Het is verboden om een duiker te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin van de werkzaamheden te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.4.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.61 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,80 m;
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van 20 tot en met 35% van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
d.de nieuwe duiker een lengte heeft van meer dan 15 m.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,80 m; en
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit van:
1°. minder dan 20%; of
2°. meer dan 35%.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft; en
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minder dan 0,80 m.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen buiten het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,50 m;
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van 20 tot en met 35% van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
d.de nieuwe duiker een lengte heeft van meer dan 15 m.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen buiten het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft;
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minimaal 0,50 m; en
c.de nieuwe duiker een luchtlegging heeft van de diameter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit van:
1°. minder dan 20%; of
2°. meer dan 35%.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen buiten het gebied met een grotere minimale duikerdiameter, als:
a.de diameter van de nieuwe duiker:
1°. groter is dan de diameter van de bestaande duiker; of
2°. gelijk blijft; en
b.de nieuwe duiker een diameter heeft van minder dan 0,50 m.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen, als de diameter van de nieuwe duiker kleiner is dan de diameter van de te vervangen duiker.
Artikel 4.62 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de duiker onderdeel is van de waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de duiker geen onderdeel is van de waterkering;
b.de te vervangen duiker een fundering heeft; en
c.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als de duiker onderdeel is van de waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering als:
a.de te vervangen duiker een fundering heeft;
b.de fundering van de te vervangen duiker wordt aangepast;
c.de te vervangen duiker gefundeerd is op palen; en
d.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.63 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.5 Dam met duiker
Paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen
Subparagraaf 4.5.1.1 Algemeen
Artikel 4.64 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dam met duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een dam met duiker;
b.verbreden van een dam met duiker;
c.dempen van water; en
d.compenseren van de demping.
3Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen van een duikerbrug.
Artikel 4.65 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
c.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld kanoroutes, officiële schaatsroutes, varen op vaarwegen en overig vaarwater;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel en/of grond leidt niet tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
g.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
i.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van het werk wordt gebruik gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
l.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.66 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.5.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.67 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 eerste lid en 4.71, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt; en
f.het gaat om een tertiaire droge sloot.
2Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid en 4.71, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is; en
e.er maximaal 25 m2 gedempt wordt.
3Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vijfde lid, 4.70 zesde lid en 4.71, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
k.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
l.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
m.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
n.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
o.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
p.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
4Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vijfde lid, 4.70 zesde lid en 4.71, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
k.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
l.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
m.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
n.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
o.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
p.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
q.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
5Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vierde lid, 4.70 vijfde lid en 4.72, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
k.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ;
l.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
m.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
n.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
6Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vierde lid, 4.70 vijfde lid en 4.72, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
k.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
l.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
m.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
n.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
7Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid en 4.70 vijfde lid en 4.70 achtste lid en 4.71, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
k.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
l.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.68 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een dam met duiker in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.71.
2Bij het aanleggen van een dam met duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.70 zevende lid en 4.71, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
3Bij het aanleggen van een dam met duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.70 zevende lid en 4.71, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een zomerkade; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
4Bij het aanleggen van een dam met duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.70 zevende lid en 4.71, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een zomerkade;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.69 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.70 tweede lid en 4.72, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.5.1.3 Algemene regels
Artikel 4.70 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt: de water aan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van het aanleggen van de dam met duiker.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het toepassen van uitlogende materialen is niet toegestaan, met uitzondering van bevestigingsmiddelen;
b.de duikerbuizen dienen in een rechte lijn te liggen en gronddicht op elkaar te worden aangesloten;
c.door het aanleggen van een dam met duiker ontstaat geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
d.er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden dat er geen grond of puin vanaf de dam in de naastliggende watergang kan raken;
e.wanneer de dam met duiker niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het oorspronkelijk profiel van de watergang zodanig te herstellen dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
f.de taluds worden ingezaaid met en gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
g.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
4De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de verbreding moet vooraf door de initiatiefnemer worden uitgezet. Voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na de demping gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt;
b.bij het dempen van een watergang voorkomt initiatiefnemer dat baggerspecie uit de te dempen watergang in het resterende deel van de watergang terecht komt;
c.de wateraan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping;
d.indien er als het gevolg van een demping een stuk geïsoleerd water overblijft, wordt ook het oppervlak van dat overgebleven gedeelte geïsoleerd water gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regelgeving; en
e.indien een demping plaats vindt met materiaal anders dan grond moet de te dempen watergang eerst afgedamd en leeggepompt worden, alvorens het materiaal wordt aangebracht.
6De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.als ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
7Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de dam met duiker gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.71 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.72 Meldplicht
Het is verboden om een dam met duiker aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.5.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.73 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een primaire watergang of een secundaire watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.het niet gaat om een tertiaire droge sloot; en
g.de compensatie:
1°. niet plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
2°. niet plaatsvindt in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied; of
3°. kleiner is dan het verlies.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is; en
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minder dan 10 m is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
c.de lengte van de duiker meer dan 15 m is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de diameter van de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; en
b.de duiker met minder dan 20 % of meer dan 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als de diameter van de duiker:
a.minder dan 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
b.minder dan 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
k.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
j.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
k.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
l.de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
m.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
k.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
l.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
m.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
n.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
k.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ; en
l.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
k.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
l.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
j.de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.de duiker:
1°. minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
2°. minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
b.de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
c.de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
d.de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
e.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
f.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
h.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
i.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
j.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
k.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.74 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de dam met duiker is gefundeerd op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de dam met duiker water gedempt wordt; en
b.de demping gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een zomerkade;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen, als:
a.de compensatie van de aan te leggen dam met duiker plaatsvindt in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
c.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
Artikel 4.75 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de dam met duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning dam met duiker aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.5.2 Dam met duiker verwijderen
Subparagraaf 4.5.2.1 Algemeen
Artikel 4.76 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een dam met duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een dam met duiker;
b.versmallen van een dam met duiker; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de dam met duiker.
3Het eerste lid is niet van toepassing op het verwijderen van een duikerbrug.
Artikel 4.77 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.78 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.5.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.79 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een dam met duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.82 eerste lid en 4.83, als de dam met duiker niet in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap ligt.
Artikel 4.80 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.82 derde lid en 4.83, als:
a.de te verwijderen dam met duiker gefundeerd is op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste zandlaag; of
2°. onder de eerste zandlaag.
2Bij het verwijderen van een dam met duiker in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.83.
Artikel 4.81 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.82 tweede lid en 4.84, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.5.2.3 Algemene regels
Artikel 4.82 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.nadat een dam met duiker is verwijderd uit het oppervlaktewater wordt het profiel van de watergang zodanig hersteld dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms; en
b.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
c.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de dam met duiker wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen dam met duiker wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen dam met duiker.
Artikel 4.83 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.84 Meldplicht
Het is verboden om een dam met duiker te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.5.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.85 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in beschermingszone A van een watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen, als de dam met duiker in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap ligt.
Artikel 4.86 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.87 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de dam met duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.6 Dichte dam
Paragraaf 4.6.1 Dichte dam aanleggen
Subparagraaf 4.6.1.1 Algemeen
Artikel 4.88 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dichte dam.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een dichte dam; en
b.verbreden van een dichte dam.
Artikel 4.89 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
j.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
k.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
l.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.90 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.6.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.91 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een dichte dam in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.93 eerste lid, als de hoogte van de aan te leggen dichte dam gelijk is aan of lager is dan het omliggende maaiveld.
2Bij het aanleggen van een dichte dam in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.93 eerste lid, als de hoogte van de aan te leggen dichte dam gelijk is aan of lager is dan het omliggende maaiveld.
Artikel 4.92 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.93 tweede lid en 4.94, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.6.1.3 Algemene regels
Artikel 4.93 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.aanvulling vindt plaats conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.als er ter plaatse van de aanvulling een grasmat ligt, wordt deze eerst gefreesd, voordat met aanvullen wordt begonnen;
c.bij het dempen van watergangen wordt een eventuele sliblaag eerst verwijderd voordat deze wordt aangevuld; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.94 Meldplicht
Het is verboden een dichte dam aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.6.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.95 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.96 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de dichte dam binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de dichte dam buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.de dichte dam een hoogte krijgt die hoger is dan het omliggende maaiveld.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de dichte dam een hoogte krijgt die hoger is dan het omliggende maaiveld.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de dichte dam een hoogte krijgt die hoger is dan het omliggende maaiveld.
Artikel 4.97 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van een de dichte dam een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam aanleggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.6.2 Dichte dam verwijderen
Subparagraaf 4.6.2.1 Algemeen
Artikel 4.98 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een dichte dam.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een dichte dam;
b.versmallen van een dichte dam; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de dichte dam.
Artikel 4.99 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.100 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.6.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.101 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een dichte dam wordt voldaan aan de artikelen 4.104 eerste lid en 4.105, als de dichte dam niet in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap ligt.
Artikel 4.102 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het verwijderen van een dichte dam in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.105.
Artikel 4.103 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.104 tweede lid en 4.106, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.6.2.3 Algemene regels
Artikel 4.104 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.nadat een dichte dam is verwijderd uit het oppervlaktewater wordt het profiel van de watergang zodanig hersteld dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
b.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
c.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.105 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.106 Meldplicht
Het is verboden een dichte dam te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.6.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.107 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in beschermingszone A van een watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen, als de dichte dam in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap ligt.
Artikel 4.108 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.109 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dichte dam te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de dichte dam een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.7 Brug
Paragraaf 4.7.1 Brug aanleggen
Subparagraaf 4.7.1.1 Algemeen
Artikel 4.110 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een brug.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen van een brug, met uitzondering van het vervangen van een brugdek;
b.verplaatsen van een brug;
c.verbreden van een brug;
d.dempen van water;
e.compenseren van de demping; en
f.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de brug.
3Het eerste lid is mede van toepassing op het aanleggen van een duikerbrug.
Artikel 4.111 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat er altijd de mogelijkheid moet zijn om maaisel uit de watergang te kunnen ontvangen door de aangelande;
c.er rekening mee wordt gehouden dat de gegraven watergang kan worden onderhouden;
d.bij diepere ontgravingen (bijvoorbeeld zand- en kleiwinputten) het aspect kwel en wegzijging een grote rol kan spelen;
e.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
f.er rekening wordt gehouden met de flora en fauna in de te dempen watergang;
g.bij versmalling van een watergang met dempingsmateriaal anders dan grond, wordt rekening gehouden met de mate van afbreekbaarheid van het gebruikte materiaal;
h.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
i.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
j.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, direct worden hersteld;
k.een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden is ontstaan, direct worden hersteld;
l.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
m.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
n.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
o.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
p.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling ; en
q.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
Artikel 4.112 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.7.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.113 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 tiende lid en 4.117, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
2Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 tiende lid en 4.117, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
3Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 negende lid en 4.118, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
4Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 negende lid en 4.118, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
5Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 elfde lid en 4.117, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
6Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 zevende lid en 4.117, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt; en
c.de watergang een tertiaire droge sloot is.
7Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid en 4.117, als:
a.er water gedempt wordt; en
b.er 25 m2 of minder gedempt wordt.
8Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.116 zesde lid, als er geen water gedempt wordt.
9Bij het aanleggen van een brug in een primaire watergang of een secundaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid en 4.117.
Artikel 4.114 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een brug in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.116 eerste lid en 4.117, als:
a.de brug niet gefundeerd is op palen; en
b.de brug niet binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
2Bij het aanleggen van een brug in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, wordt voldaan aan artikel 4.116 tweede lid, als:
a.de brug niet gefundeerd is op palen; en
b.de brug niet binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
3Bij het aanleggen van een brug in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.116 derde lid en 4.117, als:
a.de brug niet over de waterkering heen wordt aangelegd; en
b.de brug niet op de kruin of het talud van de waterkering wordt aangelegd.
4Bij het aanleggen van een brug in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.116 derde lid, als:
a.de brug niet over de waterkering heen wordt aangelegd; en
b.de brug niet op de kruin of het talud van de waterkering wordt aangelegd.
5Bij het aanleggen van een brug in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
6Bij het aanleggen van een brug in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.118, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
7Bij het aanleggen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
8Bij het aanleggen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
9Bij het aanleggen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
10Bij het aanleggen van een brug wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
11Bij het aanleggen van een brug wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
12Bij het aanleggen van een brug wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vijfde lid en 4.117, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.115 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een brug in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.116 vierde lid en 4.118, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.7.1.3 Algemene regels
Artikel 4.116 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.wanneer de brug geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.7.2 Brug verwijderen; en
e.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de brug tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.wanneer de brug geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.7.2 Brug verwijderen; en
d.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de brug tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
3De volgende voorschriften gelden:
a.door het aanbrengen van palen mogen geen holle ruimten rondom de palen ontstaan;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
c.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.wanneer de brug geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.7.2 Brug verwijderen; en
g.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de brug tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
5Het volgende voorschrift geldt: De initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
6De volgende voorschriften gelden:
a.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
b.binnen het natte talud onder de brug mogen geen constructiedelen aangebracht worden, met uitzondering van de toegestane palen of pijlers;
c.eventuele beschoeiingen in beheer en onderhoud bij het waterschap komen over een afstand van 5 m voor de brug tot 5 m na de brug in beheer en onderhoud bij de initiatiefnemer;
d.delen van een eventueel aanwezige vervangen brug, voor zover deze geen deel uitmaken van de nieuwe brug of in strijd zijn met de voorschriften, worden verwijderd;
e.bruggen onder snelwegen en provinciale wegen/N-wegen dienen ook geschikt te worden gemaakt voor het migreren van fauna;
f.wanneer de brug niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel, inclusief eventuele landhoofden, te verwijderen en het profiel ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde zodanig te herstellen dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
g.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
h.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
7Het volgende voorschrift geldt: De water aan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na de demping gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt;
b.bij het dempen van een watergang voorkomt initiatiefnemer dat baggerspecie uit de te dempen watergang in het resterende deel van de watergang terecht komt;
c.de wateraan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping;
d.indien er als het gevolg van een demping een stuk geïsoleerd water overblijft, wordt ook het oppervlak van dat overgebleven gedeelte geïsoleerd water gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regelgeving; en
e.indien een demping plaats vindt met materiaal anders dan grond moet de te dempen watergang eerst afgedamd en leeggepompt worden, alvorens het materiaal wordt aangebracht.
9De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de verbreding moet vooraf door de initiatiefnemer worden uitgezet. Voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
10De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.als de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.als ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
11De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de brug gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.117 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.118 Meldplicht
Het is verboden om een brug aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.7.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.119 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang versmald wordt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een watergang met een groot afvoerdebiet, als de brug palen heeft die in het water staan.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.de brug palen heeft die in het water staan; en
b.er meer dan twee sets palen in de stromingsrichting van de watergang worden geplaatst.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de vrije hoogte onder de brug minder is dan 0,30 m.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als de vrije hoogte onder de brug minder is dan 0,10 m.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.als er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
g.de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
d.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
h.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.als er water gedempt wordt;
b.er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
c.de watergang geen tertiaire droge sloot is; en
d.de compensatie van het gedempte oppervlaktewater en eventueel geïsoleerd oppervlaktewater:
1°. niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt;
2°. in hetzelfde peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater; of
3°. in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
a.de doorvaarthoogte minimaal 0,80 m is;
b.de doorvaartbreedte minimaal 2,50 m is;
c.de watergang een zachte bodem heeft; en
d.de watergang een diepte heeft van minder dan 0,80 m.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
a.de doorvaarthoogte minimaal 0,80 m is;
b.de doorvaartbreedte minimaal 2,50 m is;
c.de watergang een harde bodem heeft; en
d.de watergang een diepte heeft van minder dan 1 m.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
a.de doorvaarthoogte minimaal 0,80 m is; en
b.de doorvaartbreedte minder dan 2,50 m is.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als de doorvaarthoogte minder dan 0,80 m is.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de brug wordt aangelegd in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
a.de brug wordt aangelegd bij een watergang met beschermingszone A; en
b.de afstand tussen de brug en een ander kunstwerk in dezelfde watergang minder dan 7 m is.
Artikel 4.120 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de brug gefundeerd is op palen; of
b.de brug binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de brug gefundeerd is op palen; of
b.de brug binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.de brug over de waterkering heen wordt aangelegd; of
b.de brug op de kruin of het talud van de waterkering wordt aangelegd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de brug over de waterkering heen wordt aangelegd; of
b.de brug op de kruin of het talud van de waterkering wordt aangelegd.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt; en
b.de demping gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de brug water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de brug wordt gefundeerd op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt:
1°. tot in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.121 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de brug een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als de impact op de vaarweg permanent is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een vaarweg, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.7.2 Brug verwijderen
Subparagraaf 4.7.2.1 Algemeen
Artikel 4.122 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een brug.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen van een brug, met uitzondering van het vervangen van een brugdek;
b.verplaatsen van een brug;
c.versmallen van een brug; en
d.het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de brug.
3Het eerste lid is mede van toepassing op het verwijderen van een duikerbrug.
Artikel 4.123 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
i.ook eventueel aanwezige landhoofden worden verwijderd en het profiel wordt daarbij zodanig hersteld dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms; en
j.De taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond. Bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
Artikel 4.124 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.7.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.124a Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een brug in een watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.127 negende lid en 4.128, als de te verwijderen brug brughoofden heeft die in het water zitten.
Artikel 4.125 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een brug binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 eerste lid en 4.128, als:
a.de werkzaamheden buiten de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering plaatsvinden;
b.de brug is gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 tweede lid en 4.128, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug geen fundering onder maaiveld of op palen heeft.
3Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 derde lid en 4.128, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen brug een fundering onder maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
4Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 vierde lid en 4.128, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug geen fundering onder maaiveld of op palen heeft.
5Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.127 tweede lid, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.127 vijfde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
7Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.127 vierde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
8Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 zesde lid en 4.128, als de brug geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
9Bij het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.127 zesde lid, als de brug geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
10Bij het verwijderen van een brug in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 achtste lid en 4.128, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
11Bij het verwijderen van een brug in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.127 achtste lid en 4.129, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
12Bij het verwijderen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.127 achtste lid en 4.128, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
13Bij het verwijderen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.127 achtste lid en 4.128, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
14Bij het verwijderen van een brug in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.127 achtste lid en 4.128, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
Artikel 4.126 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een brug in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.127 zevende lid en 4.129, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.7.2.3 Algemene regels
Artikel 4.127 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen brug.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen brug;
c.direct na het verwijderen van de brug wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.in geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
e.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen; en
f.zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen brug;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
e.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
f.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering; en
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen brug.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen brug;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
e.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de brug wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen brug wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen brug;
c.direct na het verwijderen van de brug wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.in geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
e.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen; en
f.zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
7De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
8Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
9De volgende voorschriften gelden:
a.de brug inclusief brughoofden wordt in zijn geheel uit de watergang verwijderd;
b.nadat de brug is verwijderd uit de watergang wordt het profiel van de watergang zodanig hersteld dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
c.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
d.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
Artikel 4.128 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.129 Meldplicht
Het is verboden om een brug te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.7.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.130 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen binnen de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen binnen de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de brug een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
Artikel 4.131 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de brug een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.7.3 Brugdek vervangen
Subparagraaf 4.7.3.1 Algemeen
Artikel 4.132 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een brugdek.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van het brugdek.
Artikel 4.133 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.watergangen die belangrijk zijn voor de water aan- en afvoer niet zonder meer mogen worden gestremd;
j.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
k.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
l.er rekening mee wordt gehouden dat er geen drijfvuil achter de brug blijft hangen; en
m.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.134 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.7.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.135 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het vervangen van een brugdek in onderhoudsvaarwater wordt voldaan aan artikel 4.138 eerste lid, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minimaal 0,80 m.
2Bij het vervangen van een brugdek in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.138 eerste lid, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minimaal 0,30 m.
3Bij het vervangen van een brugdek in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.138 eerste lid, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minimaal 0,10 m.
Artikel 4.136 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een brugdek in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.138 tweede lid en 4.139, als er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van maximaal 1 m.
2Bij het vervangen van een brugdek in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.138 tweede lid en 4.140, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
3Bij het vervangen van een brugdek in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.138 tweede lid en 4.139, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
4Bij het vervangen van een brugdek in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.138 tweede lid en 4.139, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van een zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
5Bij het vervangen van een brugdek in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.138 tweede lid en 4.139, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is;
Artikel 4.137 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een brugdek in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.138 derde lid en 4.140, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.7.3.3 Algemene regels
Artikel 4.138 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
b.binnen het natte talud onder de brug mogen geen constructiedelen aangebracht worden, met uitzondering van de toegestane palen of pijlers;
c.eventuele beschoeiingen in beheer en onderhoud bij het waterschap komen over een afstand van 5 m voor de brug tot 5 m na de brug in beheer en onderhoud bij de initiatiefnemer;
d.delen van een eventueel aanwezige vervangen brug, voor zover deze geen deel uitmaken van de nieuwe brug of in strijd zijn met de voorschriften, worden verwijderd;
e.bruggen onder snelwegen en provinciale wegen/N-wegen dienen ook geschikt te worden gemaakt voor het migreren van fauna; en
f.wanneer de brug niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel, inclusief eventuele landhoofden, te verwijderen en het profiel zodanig te herstellen dat het vloeiend aansluit op het bestaande profiel boven- en benedenstrooms;
g.de taluds worden ingezaaid met een gras- of bermenmengsel op de daartoe geprepareerde ondergrond; en
h.bij zandgronden wordt eerst een laag teelaarde aangebracht.
2Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.alle onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.139 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.140 Meldplicht
Het is verboden om een brugdek te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin van de werkzaamheden te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.7.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.141 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in onderhoudsvaarwater, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minder dan 0,80 m.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minder dan 0,30 m.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een tertiaire watergang, als:
a.de vrije hoogte onder de brug wordt verkleind; en
b.er een vrije hoogte onder de brug overblijft van minder dan 0,10 m.
Artikel 4.142 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als:
a.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd; en
b.de ontgraving niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de graafwerkzaamheden:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, hebben; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan zijn gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de graafwerkzaamheden:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, hebben.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van een waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het vervangen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van een waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
Artikel 4.143 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van het brugdek een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als de impact op de vaarweg permanent is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brugdek te vervangen in een vaarweg, als deze door de vervanging permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Afdeling 4.8 Steiger
Paragraaf 4.8.1 Steiger aanleggen
Subparagraaf 4.8.1.1 Algemeen
Artikel 4.144 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een steiger.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een steiger;
b.verbreden van een steiger; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de steiger.
Artikel 4.145 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.het profiel van de watergang wordt hersteld;
c.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
d.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden is ontstaan, direct worden hersteld;
g.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
h.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
i.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
k.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
l.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling ; en
m.vanuit het oogpunt van ecologie, het van belang is dat een steiger niet zodanig groot is dat over een grote lengte of breedte lichttoetreding onder de steiger onmogelijk wordt gemaakt.
Artikel 4.146 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.8.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.147 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een steiger in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.150 eerste lid, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
e.de steiger niet wordt aangelegd:
1°. in beschermingszone A van de watergang; of
2°. aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
f.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.de watergang waarbij de steiger wordt aangelegd een onderhoudsvaarwater is;
h.de watergang een breedte heeft van meer dan 3 m; en
i.de lengte van de overstek van de steiger kleiner is dan of gelijk is aan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
2Bij het aanleggen van een steiger in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.150 eerste lid, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
e.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
f.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m; en
g.de watergang waarbij de steiger wordt aangelegd geen onderhoudsvaarwater is.
3Bij het aanleggen van een steiger in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.150 eerste lid, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
d.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
e.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
f.het onderhoudsvaarwater betreft;
g.de watergang een breedte heeft van meer dan 3 m; en
h.de lengte van de overstek van de steiger kleiner is dan of gelijk is aan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
4Bij het aanleggen van een steiger in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.150 eerste lid, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
d.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
e.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m; en
f.het geen onderhoudsvaarwater betreft.
5Bij het aanleggen van een steiger in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.150 eerste lid, als:
a.er geen onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang; en
c.de steiger wordt aangelegd in:
1°. beschermingszone B van een beschoeiing; of
2°. beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
Artikel 4.148 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.150 derde lid en 4.151, als de steiger niet wordt aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
2Bij het aanleggen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.150 derde lid, als de steiger niet wordt aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
3Bij het aanleggen van een steiger in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.150 tweede lid en 4.151, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
4Bij het aanleggen van een steiger in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.150 tweede lid en 4.152, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
5Bij het aanleggen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.150 tweede lid en 4.151, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
6Bij het aanleggen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.150 tweede lid en 4.151, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
7Bij het aanleggen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.150 tweede lid en 4.151, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
Artikel 4.149 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een steiger in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.150 vierde lid en 4.152, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.8.1.3 Algemene regels
Artikel 4.150 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt niet bevestigd aan en rust niet op een aanwezige beschoeiing van het waterschap in beschermingszone B van een beschoeiing of aan een peilregelend kunstwerk in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk;
b.delen van een aanwezige te vervangen steiger, voor zover deze geen functie meer hebben en geen deel uitmaken van de nieuwe steiger of in strijd zijn met deze voorschriften, worden verwijderd;
c.de steiger moet in overleg met het waterschap op eigen kosten worden weggehaald als het waterschap de beschoeiing of het peilregelende kunstwerk of delen hiervan, moet vervangen en de steiger daarvoor in de weg ligt. De steiger mag daarna op eigen kosten worden teruggeplaatst; en
d.wanneer de steiger niet meer wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is aangelegd, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel te herstellen.
2Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen. Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
3De volgende voorschriften gelden:
a.door het aanbrengen van palen mogen geen holle ruimten rondom de palen ontstaan. Dit is bijvoorbeeld te realiseren met de toepassing van grondverdringende palen;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
c.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.wanneer de steiger geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.8.2 Steiger verwijderen; en
g.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de steiger tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap. De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.151 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.152 Meldplicht
Het is verboden om een steiger aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.8.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.153 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft; en
d.de steiger palen heeft die in het water staan.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan; en
e.de steiger wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
e.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
f.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.de watergang waarbij de steiger wordt aangelegd een onderhoudsvaarwater is; en
h.de watergang een breedte heeft van maximaal 3 m.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
e.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
f.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.de watergang waarbij de steiger wordt aangelegd een onderhoudsvaarwater is;
h.de watergang een breedte heeft van meer dan 3 m; en
i.de lengte van de overstek van de steiger groter is dan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm;
c.het een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft;
d.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
e.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang; en
f.de steiger een overstek heeft van meer dan 1 m.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand tussen het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit en het laagste punt van de steiger boven het water kleiner is dan 30 cm; en
c.het niet een kanosteiger in de openbare ruimte voor publiek gebruik betreft.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm; en
c.de steiger palen heeft die in het water staan.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan; en
d.de steiger wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden.
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
d.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
e.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
f.het onderhoudsvaarwater betreft; en
g.de watergang een breedte heeft van maximaal 3 m.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
d.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
e.de steiger een overstek heeft van maximaal 1 m;
f.het onderhoudsvaarwater betreft;
g.de watergang een breedte heeft van meer dan 3 m; en
h.de lengte van de overstek van de steiger groter is dan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden;
b.de afstand van het hoogst vastgestelde waterpeil in het peilbesluit tot aan het laagste punt van de steiger boven het water groter is dan of gelijk is aan 30 cm;
c.de steiger geen palen heeft die in het water staan;
d.de steiger niet wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang; en
e.de steiger een overstek heeft van meer dan 1 m.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.er geen onderdelen van de steiger zich boven het water bevinden; en
b.de steiger wordt aangelegd in of aan de zijde van beschermingszone A van de watergang.
Artikel 4.154 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de steiger is gefundeerd op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de steiger wordt aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de steiger wordt aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het aanleggen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
Artikel 4.155 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de steiger een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.8.2 Steiger verwijderen
Subparagraaf 4.8.2.1 Algemeen
Artikel 4.156 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een steiger.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een steiger;
b.versmallen van een steiger; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de steiger.
Artikel 4.157 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.het profiel van de watergang wordt hersteld;
c.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
d.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden is ontstaan, direct worden hersteld;
g.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
h.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
i.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.158 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.8.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.159 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een steiger binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 eerste lid en 4.162, als:
a.de werkzaamheden buiten de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering plaatsvinden;
b.de steiger is gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 derde lid en 4.162, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
3Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 tweede lid en 4.162, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
4Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zesde lid en 4.162, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
5Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.161 derde lid, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.161 vierde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
7Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.161 zesde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
8Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 achtste lid en 4.162, als de steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
9Bij het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.161 achtste lid, als de steiger geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
10Bij het verwijderen van een steiger in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zevende lid en 4.162, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
11Bij het verwijderen van een steiger in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zevende lid en 4.163, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
12Bij het verwijderen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zevende lid en 4.162, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
13Bij het verwijderen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zevende lid en 4.162, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
14Bij het verwijderen van een steiger in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.161 zevende lid en 4.162, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
Artikel 4.160 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een steiger uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.161 vijfde lid en 4.163, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.8.2.3 Algemene regels
Artikel 4.161 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 meter onder maaiveld verwijderd; en
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
e.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger;
c.direct na het verwijderen van de steiger wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen; en
e.zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt; en
e.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering; en
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger.
7Het volgende voorschrift geldt: De initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de steiger wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen steiger wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen steiger;
c.direct na het verwijderen van de steiger wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen; en
e.zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
Artikel 4.162 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.163 Meldplicht
Het is verboden om een steiger te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.8.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.164 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de te verwijderen steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de te verwijderen steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.de steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.de steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de steiger een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
Artikel 4.165 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de steiger een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.9 Beschoeiing of damwand
Paragraaf 4.9.1 Beschoeiing of damwand aanleggen
Subparagraaf 4.9.1.1 Algemeen
Artikel 4.166 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een beschoeiing of damwand.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van een beschoeiing of damwand;
b.verlengen van een beschoeiing of damwand;
c.dempen van water;
d.compenseren van de demping; en
e.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.167 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
j.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
k.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
l.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
m.er rekening wordt gehouden met de flora en fauna in de te dempen watergang. Dit houdt onder andere in dat vissen en andere levende organismen de gelegenheid krijgen of hierbij geholpen worden te ontsnappen, voordat de demping plaats vindt. In het geval van een demping waarbij de watergang wordt afgedamd en leeggepompt, moet de watergang eerst leeggevist worden, alvorens de demping plaats vindt;
n.bij versmalling van een watergang met dempingsmateriaal anders dan grond, wordt rekening gehouden met de mate van afbreekbaarheid van het gebruikte materiaal; en
o.alle mogelijke maatregelen worden getroffen zodat dieren voldoende kunnen migreren en in en uit het water kunnen treden.
Artikel 4.168 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.9.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.169 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 eerste lid en 4.173, als de watergang niet wordt versmald.
2Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in de tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.171 tweede lid, als de watergang niet wordt versmald.
3Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in de kernzone van een watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid en 4.172, als het aanleggen in een tertiaire droge sloot plaatsvindt.
4Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 zevende lid en 4.172, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
i.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
j.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
k.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
l.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
5Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 zevende lid en 4.172, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
i.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
j.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
k.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
6Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 vijfde lid en 4.173, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ;
h.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
i.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
j.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
7Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 vijfde lid en 4.173, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
h.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
i.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
j.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
8Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 achtste lid en 4.172, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
h.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.169a Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand wordt voldaan aan de artikelen 4.171 derde lid en 4.172, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
2Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand wordt voldaan aan de artikelen 4.171 derde lid en 4.172, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
3Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand wordt voldaan aan de artikelen 4.171 derde lid en 4.172, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.170 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.171 zesde lid en 4.173, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.9.1.3 Algemene regels
Artikel 4.171 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis;
b.voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt in de watergang;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de beschoeiing wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen; en
e.de beschoeiing wordt voldoende diep in de bodem van de watergang aangelegd, zodat deze bij het uitvoeren van onderhouds- en baggerwerkzaamheden tot de vaste bodem, zijn grondkerende functie behoudt en niet bezwijkt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis;
b.voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing uitspoelt in de watergang;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
d.de beschoeiing wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen.
3Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na de demping gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt;
b.bij het dempen van een watergang voorkomt initiatiefnemer dat baggerspecie uit de te dempen watergang in het resterende deel van de watergang terecht komt;
c.de water aan- en de waterafvoer van achterliggende percelen of achterliggend gebied wordt niet belemmerd als gevolg van de demping;
d.indien er als het gevolg van een demping een stuk geïsoleerd water overblijft, wordt ook het oppervlak van dat overgebleven gedeelte geïsoleerd water gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regelgeving; en
e.indien een demping plaats vindt met materiaal anders dan grond moet de te dempen watergang eerst afgedamd en leeggepompt worden, alvorens het materiaal wordt aangebracht.
5De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.indien het gaat om het compenseren van een demping moet de verbreding vooraf door de initiatiefnemer worden uitgezet. Voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
7De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.indien ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen; en
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd.
8De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de beschoeiing of damwand gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.172 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.173 Meldplicht
Het is verboden om een beschoeiing of damwand aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.9.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.174 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang wordt versmald.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang met geborgde afmetingen aan te leggen, als:
a.het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt; en
b.de watergang wordt versmald.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
a.het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
b.het aanleggen in beheergebied west plaatsvindt;
c.de watergang wordt versmald; en
d.de breedte van de watergang op de waterlijn minder dan 2,3 m is na de demping.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
a.het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
b.het aanleggen in beheergebied oost plaatsvindt;
c.de watergang wordt versmald; en
d.de breedte van de watergang op de waterlijn minder dan 2 m is na de demping.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
a.het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
b.de watergang wordt versmald; en
c.de compensatie:
1°. niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt; of
2°. in hetzelfde peilgebied of in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt maar minder is dan het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
g.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
f.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
i.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
i.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
j.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang ; en
h.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
h.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
f.de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.er water gedempt wordt;
b.de watergang geen tertiaire droge sloot is;
c.de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
g.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
b.het aanleggen in klei op veen- of veengronden plaatsvindt;
c.de watergang wordt versmald;
d.het niet gaat om bebouwd of toekomstig bebouwd gebied;
e.de perceelbreedte wijzigt; en
f.de perceelbreedte na de demping 60 m of meer is.
Artikel 4.175 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de beschoeiing of damwand parallel aan de waterkering wordt aangelegd; en
b.de beschoeiing of damwand een diepte heeft die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als de beschoeiing of damwand niet parallel aan de waterkering wordt aangelegd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of damwand water gedempt wordt; en
b.de demping gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen, als:
a.er door de aanleg van de beschoeiing of de damwand water gedempt wordt;
b.de demping gecompenseerd wordt in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering plaatsvindt;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
Artikel 4.176 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van een beschoeiing of een damwand een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.9.2 Beschoeiing of damwand verwijderen
Subparagraaf 4.9.2.1 Algemeen
Artikel 4.177 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een beschoeiing of damwand.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van een beschoeiing of damwand;
b.inkorten van een beschoeiing of damwand; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.178 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.179 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.9.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.180 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.182 derde lid en 4.183, als:
a.de te verwijderen beschoeiing of damwand geen kwelscherm is; en
b.geen constructieve functie voor de waterkering heeft.
2Bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.182 vierde lid en 4.183, als:
a.de te verwijderen beschoeiing of damwand geen kwelscherm is; en
b.geen constructieve functie voor de waterkering heeft.
3Bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.182 vijfde lid, als:
a.de te verwijderen beschoeiing of damwand geen kwelscherm is; en
b.geen constructieve functie voor de waterkering heeft.
4Bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.182 vierde lid, als:
a.de te verwijderen beschoeiing of damwand geen kwelscherm is; en
b.geen constructieve functie voor de waterkering heeft.
5Bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.182 eerste lid en 4.183, als de beschoeiing of damwand een diepte heeft die reikt tot:
a.in de eerste vaste zandlaag; of
b.onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.181 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een beschoeiing of een damwand in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.182 tweede lid en 4.184, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.9.2.3 Algemene regels
Artikel 4.182 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de beschoeiing of damwand wordt tot 1 m onder het maaiveld verwijderd, onderdelen van de damwand of beschoeiing die niet tot in de eerste vaste zandlaag zitten mogen geheel worden verwijderd; en
b.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen beschoeiing of damwand wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen beschoeiing of damwand.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.(onderdelen van) beschoeiingen en damwanden die tot in de eerste vaste zandlaag zitten, worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd. Beschoeiingen en damwanden die niet tot in de eerste vaste zandlaag zitten moeten minimaal tot 1 m onder maaiveld worden verwijderd, maar mogen ook helemaal worden verwijderd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen beschoeiing of damwand wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen beschoeiing of damwand.
4De volgende voorschriften gelden:
a.(onderdelen van) beschoeiingen en damwanden die tot in de eerste vaste zandlaag zitten, worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd. Beschoeiingen en damwanden die niet tot in de eerste vaste zandlaag zitten moeten minimaal tot 1 m onder maaiveld worden verwijderd, maar mogen ook helemaal worden verwijderd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen beschoeiing of damwand wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen beschoeiing of damwand; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
5De volgende voorschriften gelden:
a.(onderdelen van) beschoeiingen en damwanden die tot in de eerste vaste zandlaag zitten, worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd. Beschoeiingen en damwanden die niet tot in de eerste vaste zandlaag zitten moeten minimaal tot 1 m onder maaiveld worden verwijderd, maar mogen ook helemaal worden verwijderd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen beschoeiing of damwand wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen beschoeiing of damwand.
Artikel 4.183 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.184 Meldplicht
Het is verboden om beschoeiing of een damwand te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.9.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.185 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in een beschermingszone B van een beschoeiing.
Artikel 4.186 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de te verwijderen beschoeiing of damwand:
a.een kwelscherm is; of
b.een constructieve functie voor de waterkering heeft.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de te verwijderen beschoeiing of damwand:
a.een kwelscherm is; of
b.een constructieve functie voor de waterkering heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade waterkering, als de te verwijderen beschoeiing of damwand:
a.een kwelscherm is; of
b.een constructieve functie voor de waterkering heeft.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de te verwijderen beschoeiing of damwand:
a.een kwelscherm is; of
b.een constructieve functie voor de waterkering heeft.
Artikel 4.187 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de beschoeiing of de damwand een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.9.3 Beschoeiing of damwand vervangen
Subparagraaf 4.9.3.1 Algemeen
Artikel 4.188 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een beschoeiing of damwand.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.189 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
j.alle mogelijke maatregelen worden getroffen zodat dieren voldoende kunnen migreren en in en uit het water kunnen treden.
Artikel 4.190 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.9.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.191 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het vervangen van een beschoeiing of damwand in een primaire watergang of een secundaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.194 eerste lid en 4.195, als de nieuwe beschoeiing of damwand op dezelfde locatie als de te vervangen beschoeiing of damwand wordt geplaatst.
2Bij het vervangen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.194 tweede lid, als de nieuwe beschoeiing of damwand op dezelfde locatie als de te vervangen beschoeiing of damwand wordt geplaatst.
Artikel 4.192 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het vervangen van een beschoeiing of damwand in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.194 derde lid en 4.195, als:
a.er geen ophoging van het maaiveld plaatsvindt;
b.er geen nieuwe verankering wordt aangelegd;
c.de beschoeiing of damwand geen constructieve functie heeft voor de waterkering;
d.de beschoeiing of damwand geen kwelscherm is; en
e.de constructie niet waterdicht is.
Artikel 4.193 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.194 vierde lid en 4.195, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.9.3.3 Algemene regels
Artikel 4.194 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing of damwand verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis;
b.voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing of damwand uitspoelt in de watergang;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de beschoeiing of damwand wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen; en
e.de beschoeiing of damwand wordt voldoende diep in de bodem van de watergang aangelegd, zodat deze bij het uitvoeren van onderhouds- en baggerwerkzaamheden tot de vaste bodem, zijn grondkerende functie behoudt en niet bezwijkt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.duikers en andere uitstroomvoorzieningen die op het te beschoeien gedeelte zijn aangesloten, worden tot buiten de beschoeiing of damwand verlengd met een buis die een inwendige diameter heeft die groter of gelijk is aan de bestaande buis;
b.voorkomen moet worden dat grond van achter de beschoeiing of damwand uitspoelt in de watergang;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
d.de beschoeiing of damwand wordt zodanig op de bestaande oever(bescherming) aangesloten, dat uitspoeling of afkalving van de oever wordt voorkomen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de nieuwe beschoeiingen of damwanden die in het talud van een waterkering worden geplaatst zijn gronddicht, hetgeen betekent dat er geen grond achter de beschoeiing of damwand kan uitspoelen;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de profielenlegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.195 Meldplicht
Het is verboden om beschoeiing of een damwand te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin van de werkzaamheden te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.9.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.196 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te vervangen in beschermingszone B van een beschoeiing.
Artikel 4.197 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het maaiveld wordt opgehoogd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als er een nieuwe verankering wordt aangelegd.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.als de beschoeiing of damwand een constructieve functie heeft voor de waterkering; of
b.de beschoeiing of damwand een kwelscherm is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de constructie waterdicht is.
Artikel 4.198 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of een damwand te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de beschoeiing of de damwand een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.10 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening
Paragraaf 4.10.1 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aanleggen
Subparagraaf 4.10.1.1 Algemeen
Artikel 4.199 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening;
b.vergroten van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening.
Artikel 4.200 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
j.wordt voorkomen dat als gevolg van onderhoudswerkzaamheden door derden de uitstroomvoorziening of onderhoudsmaterieel beschadigd raakt als gevolg van de activiteit;
k.het uitvoeren van de activiteit geen structurele of significante peilwijzigingen mag veroorzaken;
l.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
m.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling ; en
n.bij de onttrekking van oppervlaktewater alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om inname van in water levende organismen te voorkomen.
Artikel 4.201 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.10.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.201a Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.204 eerste lid, als:
a.het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening; en
b.er een onderhoudspad binnen beschermingszone A van een watergang overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m.
2Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.204 eerste lid, als:
a.het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening; en
b.de voorziening niet binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd.
Artikel 4.202 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.204 tweede lid en 4.205, als de voorziening wordt aangelegd buiten het dijklichaam.
2Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.204 vierde lid, als de voorziening wordt aangelegd buiten het dijklichaam.
3Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.204 derde lid en 4.205, als er geen onderdelen van de voorziening worden aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
4Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.204 derde lid, als er geen onderdelen van de voorziening worden aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
Artikel 4.203 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.204 vijfde lid en 4.206, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.10.1.3 Algemene regels
Artikel 4.204 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening worden in goede staat onderhouden;
b.een plaatselijke verbreding van de watergang ten behoeve van de aan te leggen uitstroomvoorziening of onttrekkingspunt wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
c.wanneer de uitstroomvoorziening of het onttrekkingspunt niet meer wordt gebruikt, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel van de watergang in oorspronkelijke toestand te herstellen.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.wanneer de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.10.2 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening verwijderen; en
e.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.wanneer de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig overeenkomstig paragraaf 4.10.2 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening verwijderen; en
f.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
4De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt;
b.direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.wanneer de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.10.2 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening verwijderen; en
d.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.205 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.206 Meldplicht
Het is verboden om een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.10.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.207 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in beschermingszone V van een vispassage.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in beschermingszone A van een watergang, als:
a.het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening; en
b.er een onderhoudspad binnen beschermingszone A van een watergang overblijft met een breedte van minder dan 3,75 m.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in beschermingszone A van een watergang of een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening;
b.er een onderhoudspad binnen beschermingszone A van een watergang overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m; en
c.de voorziening binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in beschermingszone B van een beschoeiing, als het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk, als het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het niet gaat om het aanleggen van een tijdelijke voorziening; en
b.de voorziening binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd.
Artikel 4.208 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de voorziening wordt aangelegd binnen het dijklichaam.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de voorziening wordt aangelegd binnen het dijklichaam.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als onderdelen van de voorziening worden aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als onderdelen van de voorziening worden aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
Artikel 4.209 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met aanleggen van de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.10.2 Uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening verwijderen
Subparagraaf 4.10.2.1 Algemeen
Artikel 4.210 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening;
b.verkleinen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening.
Artikel 4.211 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.212 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.10.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.213 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.215 eerste lid en 4.216, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten het dijklichaam van de waterkering.
2Bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingspunt in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.215 derde lid, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten het dijklichaam van de waterkering.
3Bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.215 tweede lid en 4.216, als er geen onderdelen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
4Bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.215 tweede lid, als er geen onderdelen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
Artikel 4.214 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of een onttrekkingsvoorziening uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.215 vierde lid en 4.217, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.10.2.3 Algemene regels
Artikel 4.215 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
b.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3Het volgende voorschrift geldt: alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.216 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.217 Meldplicht
Het is verboden om een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.10.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.218 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen het dijklichaam van de waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen het dijklichaam van de waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als er onderdelen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er onderdelen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
Artikel 4.219 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de uitstroomvoorziening of de onttrekkingsvoorziening een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.11 Kabel of leiding
Paragraaf 4.11.1 Kabel of leiding aanleggen
Subparagraaf 4.11.1.1 Algemeen
Artikel 4.220 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een kabel of leiding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een kabel of leiding;
b.verlengen van een kabel of leiding;
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de kabel of leiding; en
d.het tijdelijk afdammen van een watergang voor het aanleggen van de kabel of leiding.
Artikel 4.221 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.een initiatiefnemer er rekening mee moet houden dat oevers van watergangen kunnen afkalven;
e.voorkomen moet worden dat kabels en leidingen hierdoor in de watergang terecht komen;
f.kabels en leidingen zodanig worden aangelegd dat het (toekomstig) onderhoud door derden (waaronder het waterschap) mogelijk blijft zonder dat de kabels en leidingen moeten worden verlegd, het waterschap adviseert daarom om kabels en leidingen zoveel mogelijk buiten de beschermingszone B van een beschoeiing en de beschermingszone K van een kunstwerk te leggen;
g.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
h.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
j.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
k.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
l.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
m.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.222 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.11.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.223 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een kabel of leiding in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.226 vijftiende lid, als de watergang tijdelijk wordt afgedamd.
2Bij het aanleggen van een kabel of leiding in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.226 tweede lid.
3Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.226 tweede lid.
Artikel 4.224 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 derde lid en 4.227, als:
a.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden; en
b.het gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis.
2Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 twintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er een mantelbuis wordt toegepast met een diameter van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd in een open ontgraving.
3Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 eenentwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er een mantelbuis wordt toegepast met een diameter van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd met een boogboring met bentoniet.
4Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 tweeëntwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er geen mantelbuis wordt toegepast;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd in een open ontgraving.
5Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 drieëntwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er geen mantelbuis wordt toegepast;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd met een boogboring met bentoniet.
6Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 vierentwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een leiding of mantelbuis;
c.de huisaansluiting een diameter heeft van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd in een open ontgraving.
7Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 vijfentwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een leiding of mantelbuis;
c.de huisaansluiting een diameter heeft van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd met een boogboring met bentoniet.
8Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 zesentwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er een nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd in een open ontgraving.
9Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 zevenentwintigste lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er een nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd met een boogboring met bentoniet.
10Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 achttiende lid en 4.227, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er geen nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
d.de HAS-kast of verdeelkast niet aangelegd wordt op een waterkerende constructie.
11Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 zesde lid, als het gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis.
12Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 zevende lid en 4.227, als de kabel of leiding wordt aangelegd met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt.
13Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 achtste lid en 4.227, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
14Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 negende lid en 4.227, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
15Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 achtentwintigste lid en 4.227, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
16Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 zeventiende lid en 4.227, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
17Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 vierde lid en 4.227, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt in een open ontgraving.
18Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 vijfde lid en 4.227, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
19Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.226 negentiende lid en 4.227, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt; en
c.er geen nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd.
20Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 zesde lid, als het gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis.
21Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 negenentwintigste lid, als de kabel of leiding wordt aangelegd met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt.
22Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 achtste lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
23Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 negende lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
24Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 zestiende lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
25Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 viertiende lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
26Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 tiende lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt in een open ontgraving.
27Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 elfde lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
28Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.226 negentiende lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt; en
c.er geen nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd.
29Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 derde lid, als:
a.het gaat om:
1°. een lasgat; of
2°. het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis; en
b.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
30Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 twaalfde lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
e.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
f.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
31Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 dertiende lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
e.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
f.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
32Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 tweeëntwintigste lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een kabel zonder mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt in een open ontgraving.
33Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 drieëntwintigste lid, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een kabel zonder mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
34Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 zesentwintigste lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
d.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
f.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt in een open ontgraving.
35Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 zevenentwintigste lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
d.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
f.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt met een boogboring met bentoniet.
36Bij het aanleggen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.226 achttiende lid, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt; en
d.er geen nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd.
Artikel 4.225 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een kabel of leiding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.226 eerste lid en 4.228, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.11.1.3 Algemene regels
Artikel 4.226 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden, zodanig dat verlanden wordt tegengegaan, door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de bovenkant van enig constructiedeel van kabels en leidingen ligt minimaal 1 m onder de in de legger aangegeven waterdiepte plus onderhoudsdiepte van de watergang, voor vaarwegen geldt dat kabels en leidingen minimaal 2 m onder de in de profielenlegger aangegeven waterdiepte plus onderhoudsdiepte moeten liggen;
b.als het werkelijke bodemniveau van de watergang lager ligt dan hierboven aangegeven, dan geldt dat de kabels en leidingen minimaal 1 m respectievelijk 2 m onder het werkelijke bodemniveau aangelegd moeten worden;
c.daar waar kabels en leidingen een watergang kruisen moet de gronddekking op de kabels en leidingen ter plaatste van de taluds loodrecht gemeten op de taluds minimaal 1 m bedragen;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
e.wanneer kabels en leidingen niet meer worden gebruikt, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel te herstellen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
e.kabels en lege mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd als ze niet meer gebruikt gaan worden, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen.
4De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
l.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
m.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
n.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
5De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
1°. in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren; en
2°. bij alle lagedrukvloeistofleidingen en bij sommige lagedrukgasleidingen in boezemkeringen een vervangende kering of een mantelbuis te gebruiken;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
k.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
l.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
6De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
e.kabels en lege mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd als ze niet meer gebruikt gaan worden, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen.
7De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
c.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk zo spoedig mogelijk wordt hersteld;
d.indien er een mantelbuis wordt toegepast wordt, na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.het spoelwater van de boring wordt beheerst c.q. gedoseerd afgevoerd, op zo'n manier dat de ondergrond ter plaatse van het waterstaatswerk niet met vocht wordt verzadigd of uitspoelt;
g.als de boring, om welke reden dan ook, niet het gewenste resultaat oplevert, wordt het in onbruik geraakte boorgat geheel gevuld met "dämmer", eventueel al aangebrachte (delen van) leidingen worden niet eerst verwijderd;
h.kabels en leidingen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
i.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
j.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
8De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.kabels, leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
l.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
9De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
1°. in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren; en
2°. bij alle lagedrukvloeistofleidingen en bij sommige lagedrukgasleidingen in boezemkeringen een vervangende kering of een mantelbuis te gebruiken.
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels, leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
j.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
10De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
l.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt; en
m.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
11De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
1°. in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren; en
2°. bij alle lagedrukvloeistofleidingen en bij sommige lagedrukgasleidingen in boezemkeringen een vervangende kering of een mantelbuis te gebruiken;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt; en
k.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
12De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
l.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
m.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan de algemene regel.
13De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
j.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
14De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden.
15De volgende voorschriften gelden:
a.de tijdelijke afdamming wordt niet langer ingesteld dan strikt noodzakelijk voor de uit te voeren werkzaamheden;
b.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden aanvullende maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de afdamming ongedaan gemaakt.
16De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden.
17De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
g.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
18De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen; en
f.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt.
19De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen; en
f.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt.
20De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
f.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
g.waar de mantelbuis de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
h.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de mantelbuis kan stromen;
i.kabels en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.als mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de mantelbuizen die achterblijven in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
k.binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
21De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de mantelbuis de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.als mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de mantelbuizen die achterblijven in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
k.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
22De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
g.binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
23De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
g.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
24De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
l.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
m.binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
25De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
k.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
26De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
f.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
g.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
h.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
i.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
j.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
k.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
l.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
m.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
n.binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
27De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
b.de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
c.indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
d.waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
g.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
h.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
j.de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
k.als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
l.binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
28De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
f.kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
g.binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
29De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
c.in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk zo spoedig mogelijk wordt hersteld;
d.indien er een mantelbuis wordt toegepast wordt, na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
e.de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
f.het spoelwater van de boring wordt beheerst c.q. gedoseerd afgevoerd, op zo'n manier dat de ondergrond ter plaatse van het waterstaatswerk niet met vocht wordt verzadigd of uitspoelt;
g.als de boring, om welke reden dan ook, niet het gewenste resultaat oplevert, wordt het in onbruik geraakte boorgat geheel gevuld met "dämmer", eventueel al aangebrachte (delen van) leidingen worden niet eerst verwijderd;
h.kabels en leidingen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
i.als leidingen die niet meer gebruikt worden niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten, de exploitant behoudt de plicht de leidingen die achterblijven in de waterkering op te ruimen, indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
Artikel 4.227 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.228 Meldplicht
Het is verboden om een kabel of leiding aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.11.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.229 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang tijdelijk wordt afgedamd.
Artikel 4.230 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de zone waterstaatswerk van een zomerkade, de beschermingszone van een primaire waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering of de beschermingszone van een zomerkade, als de leiding een overdruk heeft van 10 bar of meer.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als het gaat om een leiding niet zijnde een huisaansluiting.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt; en
b.het gaat om een kabel niet zijnde een huisaansluiting.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel; en
c.er een mantelbuis wordt toegepast met een diameter van meer dan 110 mm.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er een mantelbuis wordt toegepast met een diameter van maximaal 110 mm; en
d.er een waterkerende constructie wordt gekruist.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er een mantelbuis wordt toegepast met een diameter van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er geen mantelbuis wordt toegepast; en
d.er een waterkerende constructie wordt gekruist.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een kabel;
c.er geen mantelbuis wordt toegepast;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een leiding of mantelbuis; en
c.de huisaansluiting een diameter heeft van meer dan 110 mm.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een leiding of mantelbuis;
c.de huisaansluiting een diameter heeft van maximaal 110 mm; en
d.er een waterkering constructie wordt gekruist.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een huisaansluiting van een leiding of mantelbuis;
c.de huisaansluiting een diameter heeft van maximaal 110 mm;
d.er geen waterkerende constructie wordt gekruist; en
e.de huisaansluiting wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er een nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
d.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast een waterkerende constructie kruist.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er een nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
b.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
c.er geen nieuwe kabel, leiding of mantelbuis naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
d.de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt op een waterkerende constructie.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is; en
d.de leiding of mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis; en
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis groter is dan 110 mm.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis; en
b.de kabel zonder mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
21Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast; en
b.het aanleggen op een waterkerende constructie plaatsvindt.
22Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
23Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
d.de kabel of leiding een waterkerende constructie kruist.
24Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het gaat om een kabel of leiding niet zijnde een huisaansluiting;
b.de kabel of leiding niet wordt aangelegd met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk ligt;
c.het niet gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis; en
d.het niet gaat om een HAS-kast of verdeelkast.
25Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is;
d.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de leiding of mantelbuis aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
26Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is; en
d.de leiding of mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
27Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis; en
c.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis groter is dan 110 mm.
28Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis;
b.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
c.de kabel zonder mantelbuis aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
29Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een huisaansluiting van een kabel zonder mantelbuis; en
b.de kabel zonder mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
30Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast; en
b.het aanleggen op een waterkerende constructie plaatsvindt.
31Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
d.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt:
1°. niet met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
32Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
c.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
d.de kabel of leiding een waterkerende constructie kruist.
33Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting;
b.de kabel of leiding niet wordt aangelegd met een gestuurde boring waarvan het in- en uittredepunt buiten de zone waterstaatswerk van de waterkering ligt;
c.het niet gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis; en
d.het niet gaat om een HAS-kast of verdeelkast.
34Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal dan 110 mm is;
e.de leiding of mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
f.de leiding of mantelbuis wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
35Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis maximaal 110 mm is; en
e.de leiding of mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
36Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een leiding of mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt; en
d.de diameter van de aan te leggen leiding of mantelbuis groter is dan 110 mm.
37Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een kabel zonder mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
d.de kabel zonder mantelbuis geen waterkerende constructie kruist; en
e.de kabel zonder mantelbuis wordt aangelegd:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
38Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een huisaansluiting;
b.het gaat om een kabel zonder mantelbuis;
c.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt; en
d.de kabel zonder mantelbuis een waterkerende constructie kruist.
39Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt; en
c.het aanleggen op een waterkerende constructie plaatsvindt.
40Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
d.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt;
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast geen waterkerende constructie kruist; en
f.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt:
1°. met een gestuurde boring;
2°. niet in een open ontgraving; of
3°. niet met een boogboring met bentoniet.
41Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een HAS-kast of verdeelkast;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het aanleggen niet op een waterkerende constructie plaatsvindt;
d.er een nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast aangelegd wordt; en
e.de nieuwe kabel of leiding naar de HAS-kast of verdeelkast een waterkerende constructie kruist.
42Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting;
b.het aanleggen buiten de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
c.het niet gaat om een lasgat of het inblazen van kabels in een bestaande mantelbuis; en
d.het niet gaat om een HAS-kast of verdeelkast.
43Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
Artikel 4.231 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van een kabel of leiding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen
Subparagraaf 4.11.2.1 Algemeen
Artikel 4.232 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het verwijderen van een kabel of leiding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een kabel of leiding;
b.verkleinen van een kabel of leiding;
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de kabel of leiding; en
d.het tijdelijk afdammen van een watergang voor het verwijderen van de kabel of leiding.
Artikel 4.233 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.234 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.11.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.235 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een kabel of leiding in de tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.238, eerste lid, als de watergang tijdelijk wordt afgedamd.
Artikel 4.236 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.238 tweede lid en 4.239, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf maximaal 0,80 m diep is en maximaal 0,50 m breed is.
2Bij het verwijderen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aanartikel 4.238 tweede lid, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf maximaal 0,80 m diep is en maximaal 0,50 m breed is.
3Bij het verwijderen van een kabel of leiding in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.238 derde lid, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf maximaal 0,80 m diep is en maximaal 0,50 m breed is.
Artikel 4.237 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een kabel of leiding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.238 vierde lid en 4.240, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.11.2.3 Algemene regels
Artikel 4.238 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de tijdelijke afdamming wordt niet langer ingesteld dan strikt noodzakelijk voor de uit te voeren werkzaamheden;
b.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden aanvullende maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de afdamming ongedaan gemaakt.
2De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
b.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.239 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.240 Meldplicht
Het is verboden om een kabel of leiding te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.11.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.241 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang tijdelijk wordt afgedamd.
Artikel 4.242 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf dieper is dan 0,80 m of breder is dan 0,50 m.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als de kabel of leiding op een andere manier dan in een open ontgraving wordt verwijderd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf dieper is dan 0,80 m of breder is dan 0,50 m.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de kabel of leiding op een andere manier dan in een open ontgraving wordt verwijderd.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving;
b.de te graven sleuf maximaal 0,80 m diep is en maximaal 0,50 m breed is; en
c.de ontgraving plaatsvindt binnen de gesloten dijkperiode.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de kabel of leiding wordt verwijderd in een open ontgraving; en
b.de te graven sleuf dieper is dan 0,80 m of breder is dan 0,50 m.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de kabel of leiding op een andere manier dan in een open ontgraving wordt verwijderd.
Artikel 4.243 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met de verwijdering van de kabel of leiding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.12 Beplanting
Paragraaf 4.12.1 Beplanting aanbrengen
Subparagraaf 4.12.1.1 Algemeen
Artikel 4.244 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen van beplanting.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van beplanting; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van beplanting.
3Het eerste lid is niet van toepassing op het aanbrengen van gras of gewassen.
Artikel 4.245 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.bomen en planten zodanig worden geplant dat oeververdedigingen en taluds van watergangen niet beschadigen als gevolg van wortelgroei;
c.de watergang niet mag worden versmald als gevolg van uitgroeiende wortels of stammen van bomen;
d.varend onderhoud moet kunnen plaatsvinden zonder dat dit wordt bemoeilijkt door overhangende takken;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
j.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
m.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.246 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.12.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.247 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanbrengen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.249 eerste lid en 4.250 als:
a.de beplanting buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.de hoogte van de beplanting lager is en blijft dan 5 m.
2Bij het aanbrengen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.249 eerste lid als:
a.de beplanting buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.de hoogte van de beplanting lager is en blijft dan 5 m.
Artikel 4.248 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanbrengen van beplanting in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.249 tweede lid en 4.251, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.12.1.3 Algemene regels
Artikel 4.249 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het aanbrengen van de beplanting strikt noodzakelijk is;
b.de ontstane plantgaten worden met de uitkomende grond aangevuld, in omgekeerde volgorde van ontgraving;
c.wanneer de beplanting dood is gegaan, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.12.2 Beplanting verwijderen; en
d.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de beplanting verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de profielenlegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.250 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.251 Meldplicht
Het is verboden om beplanting aan te brengen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.12.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.252 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang of secundaire watergang .
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone B van een beschoeiing, als het gaat om het aanbrengen van bomen, struiken of heggen.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk, als het gaat om het aanbrengen van bomen, struiken of heggen.
4Vervallen
5Vervallen
6Vervallen
7Vervallen
8Vervallen
9Vervallen
10Vervallen
11Vervallen
12Vervallen
13Vervallen
14Vervallen
15Vervallen
16Vervallen
17Vervallen
18Vervallen
19Vervallen
20Vervallen
21Vervallen
22Vervallen
23Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een tertiaire watergang, als de beplanting binnen het doorstroomprofiel wordt aangebracht.
24Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang.
Artikel 4.253 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de beplanting binnen het dijklichaam wordt aangebracht.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de beplanting buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.de beplanting 5 m of hoger is of wordt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de beplanting binnen het dijklichaam wordt aangebracht.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de beplanting buiten het dijklichaam wordt aangebracht; en
b.de beplanting 5 m of hoger is of wordt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering.
Artikel 4.254 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanbrengen van de beplanting een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.12.2 Beplanting verwijderen
Subparagraaf 4.12.2.1 Algemeen
Artikel 4.255 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het verwijderen van beplanting.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van beplanting; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van beplanting.
3Het eerste lid is niet van toepassing op het verwijderen van gras of gewassen.
Artikel 4.256 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat worden achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.257 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.12.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.258 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.260 tweede lid en 4.261 als:
a.de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode; en
b.de beplanting alleen bovengronds wordt verwijderd.
2Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.260 vierde lid en 4.261, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
3Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.260 tweede lid, als:
a.de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode; en
b.de beplanting alleen bovengronds wordt verwijderd.
4Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.260 vierde lid, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
5Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.260 eerste lid en 4.261.
6Bij het verwijderen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.260 eerste lid.
Artikel 4.259 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van beplanting uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.260 derde lid en 4.262, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.12.2.3 Algemene regels
Artikel 4.260 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het verwijderen van de beplanting strikt noodzakelijk is;
b.de ontstane gaten worden aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei conform Bijlage IV toegepast waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.de stobben worden tot 0,60 m onder het maaiveld weggefreesd, waarbij het uitkomende materiaal, wortelresten vermengd met grond, wordt afgevoerd; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de stobben van beplanting die in de gesloten dijkperiode alleen bovengronds zijn verwijderd, worden direct na afloop van de gesloten dijkperiode alsnog verwijderd;
b.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het verwijderen van de beplanting strikt noodzakelijk is;
c.de ontstane gaten worden aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.bij grondtekorten wordt klei conform Bijlage IV toegepast waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
e.de stobben worden tot 0,60 m onder het maaiveld weggefreesd, waarbij het uitkomende materiaal, wortelresten vermengd met grond, wordt afgevoerd; en
f.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de profielenlegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
4De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het verwijderen van de beplanting strikt noodzakelijk is;
b.de ontstane gaten worden aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei conform Bijlage IV toegepast waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.de stobben worden tot 0,60 m onder het maaiveld weggefreesd, waarbij het uitkomende materiaal, wortelresten vermengd met grond, wordt afgevoerd; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.261 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.262 Meldplicht
Het is verboden om beplanting te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.12.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.263 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de gesloten dijkperiode; en
b.de beplanting niet alleen bovengronds wordt verwijderd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de gesloten dijkperiode; en
b.de beplanting niet alleen bovengronds wordt verwijderd.
Artikel 4.264 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beplanting te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de beplanting een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.13 Hekwerk, schutting of afrastering
Paragraaf 4.13.1 Hekwerk, schutting of afrastering aanleggen
Subparagraaf 4.13.1.1 Algemeen
Artikel 4.265 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een hekwerk, schutting of afrastering;
b.verlengen van een hekwerk, schutting of afrastering; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het hekwerk, de schutting of de afrastering.
Artikel 4.266 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
e.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
f.er rekening mee wordt gehouden dat primaire en secundaire watergangen door het waterschap varend of vanaf de oever worden onderhouden;
g.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
h.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
i.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
j.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
k.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
l.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
m.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.267 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.13.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.268 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.271 tweede lid, als:
a.het op een afstand wordt aangelegd van minimaal 3,75 m uit de insteek van de watergang; en
b.het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m.
2Bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.271 eerste lid, als:
a.het op een afstand van 1,25 m uit de insteek van de watergang wordt aangelegd; en
b.het een hoogte heeft van 1,10 m of minder.
Artikel 4.269 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een afrastering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.271 derde lid, als het buiten het dijklichaam wordt aangelegd.
2Bij het aanleggen van een afrastering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.271 derde lid, als:
a.de afrastering op het talud van de waterkering wordt aangelegd en niet parallel aan de waterkering is; of
b.de afrastering niet op het talud van de waterkering wordt aangelegd.
3Bij het aanleggen van een afrastering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.271 derde lid, als:
a.het binnen het dijklichaam wordt aangelegd; en
b.de afrastering:
1°. op het talud van de waterkering wordt aangelegd en niet parallel aan de waterkering is; of
2°. de afrastering niet op het talud van de waterkering wordt aangelegd.
Artikel 4.270 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.271 vierde lid en 4.272, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.13.1.3 Algemene regels
Artikel 4.271 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de onderhoudsroutes met een breedte van minimaal 3,75 m moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
b.wanneer een hekwerk, schutting of afrastering niet meer wordt gebruikt, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen.
2De volgende voorschriften gelden:
a.hekwerken worden in de beschermingszone van de watergang voorzien van een poort met een breedte van minimaal 4 m, indien de poort is voorzien van een slot, moet initiatiefnemer een sleutel hiervan verstrekken aan het waterschap;
b.afrasteringen in de vorm van schrikdraad worden in de beschermingszone van de watergang voorzien van voldoende isolerende handgrepen. De handgrepen worden zodanig in de afrastering aangebracht, dat op eenvoudige wijze (dus zonder gebruik van sloten) een opening van minimaal 4 m breed kan worden gemaakt;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
d.wanneer een hekwerk, schutting of afrastering niet meer wordt gebruikt, dan dient de initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.ter plaatse van onderhoudspaden wordt de afrastering voorzien van een voldoende grote doorgang voor onderhoudsmachines;
b.wanneer de afrastering geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig de regelgeving voor het verwijderen van afrasteringen; en
c.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de afrastering tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.272 Meldplicht
Het is verboden om een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.13.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.273 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.het binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd;
b.het niet permanent is;
c.het ten behoeve van een project of evenement is; en
d.de watergang wordt versmald.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.het binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd;
b.het niet permanent is; en
c.het niet ten behoeve van een project of evenement is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang of in een secundaire watergang, als:
a.het binnen het doorstroomprofiel wordt aangelegd; en
b.het permanent is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone B van een beschoeiing.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone A van een watergang, als:
a.het onderhoudspad wordt gekruist; en
b.er geen toegangshek wordt aangelegd.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone A van een watergang, als:
a.het op een afstand wordt aangelegd van minder dan 1,25 m uit de insteek van de watergang; of
b.het op een afstand wordt aangelegd van meer dan 1,25 m maar minder dan 3,75 m uit de insteek van de watergang.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone A van een watergang, als:
a.het op een afstand wordt aangelegd van minimaal 3,75 m uit de insteek van de watergang; en
b.het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minder dan 3,75 m.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de beschermingszone A van een watergang, als:
a.het op een afstand van 1,25 m uit de insteek van de watergang wordt aangelegd; en
b.het een hoogte heeft van meer dan 1,10 m.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang, als het wordt aangelegd aan de zijde van beschermingszone A van de watergang.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.onderdelen ervan zich boven het water bevinden;
b.het deel boven water een slootwaaier is; en
c.de slootwaaier;
1°. minder dan 0,30 m boven het water zit; of
2°. meer dan 0,50 m over het water uitsteekt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.onderdelen ervan zich boven het water bevinden; en
b.het deel boven water geen slootwaaier is.
Artikel 4.274 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk of schutting aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afrastering aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de afrastering:
a.hoger is dan 1 m;
b.niet is bedoeld als veekering;
c.palen heeft met een verzwaarde voet; of
d.palen heeft die dieper dan 0,50 m in de grond steken.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afrastering aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het binnen het dijklichaam wordt aangelegd; en
b.de afrastering:
1°. hoger is dan 1 m;
2°. niet is bedoeld als veekering;
3°. palen heeft met een verzwaarde voet; of
4°. palen heeft die dieper dan 0,50 m in de grond steken.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afrastering aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de afrastering parallel aan de waterkering op het talud wordt aangelegd.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afrastering aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het binnen het dijklichaam wordt aangelegd; en
b.het parallel aan de waterkering op het talud wordt aangelegd.
Artikel 4.275 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van het hekwerk, de schutting of de afrastering een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.13.2 Hekwerk, schutting of afrastering verwijderen
Subparagraaf 4.13.2.1 Algemeen
Artikel 4.276 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een hekwerk, schutting of afrastering;
b.inkorten van een hekwerk, schutting of afrastering; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het hekwerk, de schutting of de afrastering.
Artikel 4.277 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.278 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.13.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.279 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een hekwerk of schutting in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.281 tweede lid en 4.282, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
2Bij het verwijderen van een hekwerk of schutting in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.281 tweede lid, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
3Bij het verwijderen van een hekwerk of schutting in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.281 eerste lid en 4.282.
4Bij het verwijderen van een hekwerk of schutting in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.281 eerste lid.
5Bij het verwijderen van een afrastering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.281 vierde lid, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen het dijklichaam van de waterkering.
6Bij het verwijderen van een afrastering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.281 derde lid.
Artikel 4.280 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.281 vijfde lid en 4.283, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.13.2.3 Algemene regels
Artikel 4.281 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het verwijderen van het hekwerk of de schutting strikt noodzakelijk is;
b.direct na het verwijderen van het hekwerk of de schutting worden de ontstane gaten aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.het hekwerk of de schutting wordt in zijn geheel verwijderd, inclusief een eventuele fundering; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt niet meer grond vergraven of losgemaakt dan voor het verwijderen van het hekwerk of de schutting strikt noodzakelijk is;
b.direct na het verwijderen van het hekwerk of de schutting worden de ontstane gaten aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
d.het hekwerk of de schutting wordt in zijn geheel verwijderd, inclusief een eventuele fundering; en
e.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de afrastering wordt in zijn geheel verwijderd, inclusief de palen;
b.de ontstane gaten worden aangevuld met klei conform Bijlage IV; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de afrastering wordt in zijn geheel verwijderd, inclusief de palen;
b.de ontstane gaten worden aangevuld met klei conform Bijlage IV; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.282 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.283 Meldplicht
Het is verboden om een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.13.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.284 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk of schutting te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk of schutting te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
Artikel 4.285 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van het hekwerk, de schutting of de afrastering een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.14 Overig bouwwerk
Paragraaf 4.14.1 Overig bouwwerk oprichten
Subparagraaf 4.14.1.1 Algemeen
Artikel 4.286 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten van een overig bouwwerk , voor zover deze activiteit niet reeds in een andere afdeling van dit hoofdstuk is geregeld.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een overig bouwwerk ;
b.verlengen van een doorgaand overig bouwwerk ; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het overig bouwwerk .
Artikel 4.287 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
c.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
d.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
e.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
f.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
g.er rekening mee wordt gehouden dat primaire en secundaire watergangen door het waterschap varend of vanaf de oever worden onderhouden;
h.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
i.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
j.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
k.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
l.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
m.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
n.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
o.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.288 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.14.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.289 Aanwijzing algemene regels watergang
1Vervallen
2Vervallen
3Vervallen
4Vervallen
5Vervallen
6Bij het oprichten van een overig bouwwerk in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.292 derde lid, als het gaat om het tijdelijk afdammen van de watergang.
Artikel 4.290 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed;
b.er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst; en
c.het bouwwerk wordt opgericht:
1°. buiten het dijklichaam;
2°. op een binnendijkse op- en afrit van en naar de waterkering; of
3°. op de kruin van de waterkering.
2Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het gaat om een overig bouwwerk ten behoeve van de openbare veiligheid; en
b.het bouwwerk wordt opgericht:
1°. buiten het dijlichaam;
2°. op een binnendijkse op- en afrit van en naar de waterkering; of
3°. op de kruin van de waterkering.
3Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
b.er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
4Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als het gaat om een overig bouwwerk ten behoeve van de openbare veiligheid.
5Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292 vierde lid en 4.293, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is;
c.het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
d.het op de binnenzijde van de wegberm wordt opgericht.
6Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292 vierde lid en 4.293, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het buiten het dijklichaam wordt opgericht.
7Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292 vierde lid en 4.293, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het op de wegberm wordt opgericht.
8Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige watekering wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het op de wegberm wordt opgericht.
9Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is;
c.het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
d.het op de wegberm wordt opgericht.
10Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het buiten het dijklichaam wordt opgericht.
11Bij het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan artikel 4.292 vierde lid, als:
a.het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig;
b.er maximaal 2 palen in de droge oever worden geplaatst;
c.het bouwwerk wordt opgericht langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag; en
d.het bouwwerk wordt opgericht op een toegestane ligplaats.
Artikel 4.291 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het oprichten van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.292 vijfde lid en 4.294, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.14.1.3 Algemene regels
Artikel 4.292 Algemene regel
1Vervallen
2Vervallen
3De volgende voorschriften gelden:
a.de tijdelijke afdamming wordt niet langer ingesteld dan strikt noodzakelijk voor de uit te voeren werkzaamheden;
b.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd, zo nodig worden aanvullende maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen; en
c.direct na afloop van de activiteit wordt de afdamming ongedaan gemaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.wanneer het overig bouwwerk geen functie meer heeft, wordt het geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen; en
b.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, het overig bouwwerk tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.293 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.294 Meldplicht
Het is verboden om een overig bouwwerk op te richten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.14.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.295 Vergunningplicht watergang
1Vervallen
2Vervallen
3Vervallen
4Vervallen
5Vervallen
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een beschermingszone B van een beschoeiing.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
8Vervallen
9Vervallen
10Vervallen
11Vervallen
12Vervallen
13Vervallen
14Vervallen
15Vervallen
16Vervallen
17Vervallen
18Vervallen
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een tertiaire watergang, als:
a.het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
b.de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
c.de watergang wordt afgedekt met zonnepanelen;
d.de zonnepanelen een oppervlakte hebben van minder dan 10 m2;
e.de afstand tot andere zonnepanelen of drijvende woningen minimaal 100 m is; en
f.de waterspiegel in het dwarsprofiel van de watergang meer dan 50% bedekt wordt.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een tertiaire watergang, als:
a.het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
b.de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
c.de watergang wordt afgedekt met zonnepanelen; en
d.de zonnepanelen:
1°. een oppervlakte hebben van minder dan 10 m2 en er binnen een afstand van minder dan 100 m andere zonnepanelen of drijvende woningen aanwezig zijn; of
2°. een oppervlakte hebben van 10 m2 of meer.
21Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het niet permanent wordt opgericht;
b.het ten behoeve van een project of evenement wordt opgericht; en
c.de watergang wordt versmald.
22Vervallen
23Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als het permanent wordt opgericht.
24Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in beschermingszone A van een watergang.
Artikel 4.296 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als er een nieuwe kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.er geen nieuwe kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd; en
b.er een aftakking vanaf een bestaande kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als er een nieuwe kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het bouwwerk onder het maaiveld gefundeerd wordt; of
b.het bouwwerk gefundeerd wordt op palen.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
b.er meer dan 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed;
b.er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst; en
c.het bouwwerk wordt opgericht:
1°. binnen het dijklichaam;
2°. niet op binnendijkse op- en afritten van en naar de waterkering; en
3°. niet op de kruin van de waterkering.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het gaat om een overig bouwwerk ten behoeve van de openbare veiligheid; en
b.het bouwwerk wordt opgericht:
1°. binnen het dijklichaam niet zijnde op de kruin; en
2°. niet op een op- en afrit naar en van de waterkering.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
b.er meer dan 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is;
c.het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
d.het niet op de binnenzijde van de wegberm wordt opgericht.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
b.het niet locatiegebonden is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het niet op de wegberm wordt opgericht.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
b.het niet locatiegebonden is.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is; en
c.het niet op de wegberm wordt opgericht.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
b.het niet locatiegebonden is.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
b.het locatiegebonden is;
c.het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
d.het niet op de wegberm wordt opgericht.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
b.het niet locatiegebonden is.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig;
b.er maximaal 2 palen in de droge oever worden geplaatst;
c.het bouwwerk wordt opgericht langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag; en
d.het bouwwerk wordt opgericht op een locatie waar ligplaats nemen niet is toegestaan.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig;
b.er maximaal 2 palen in de droge oever worden geplaatst; en
c.het bouwwerk niet wordt opgericht langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig; en
b.er meer dan 2 palen in de droge oever worden geplaatst.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het niet gaat om een:
a.te koop of te huur bord voor onroerend goed;
b.object ten behoeve van openbare doeleinden;
c.afmeervoorziening voor een vaartuig; en
d.object ten behoeve van de openbare veiligheid.
21Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig; of
b.het niet gaat om een:
1°. te koop of te huur bord voor onroerend goed;
2°. object ten behoeve van openbare doeleinden; en
3°. object ten behoeve van de openbare veiligheid.
Artikel 4.297 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het oprichten van een overig bouwwerk een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten of aan te passen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen
Subparagraaf 4.14.2.1 Algemeen
Artikel 4.298 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een overig bouwwerk , voor zover deze activiteit niet reeds in een andere afdeling van dit hoofdstuk is geregeld.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een overig bouwwerk ;
b.inkorten van een doorgaand overig bouwwerk ; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het overig bouwwerk .
Artikel 4.299 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
c.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
i.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.300 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.14.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.301 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.303 tweede lid en 4.304, als het overig bouwwerk geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
2Bij het verwijderen van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.303 derde lid en 4.304, als het overig bouwwerk geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
3Bij het verwijderen van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.303 derde lid, als het overig bouwwerk geen fundering onder het maaiveld of palen heeft.
4Bij het verwijderen van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.303 tweede lid, als:
a.het overig bouwwerk geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
b.de werkzaamheden plaatsvinden binnen het dijklichaam.
Artikel 4.302 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.303 eerste lid en 4.305, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.14.2.3 Algemene regels
Artikel 4.303 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het overig bouwwerk wordt in zijn geheel, inclusief (bovengrondse) fundering, verwijderd;
b.direct na het verwijderen van het overig bouwwerk wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
c.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het overig bouwwerk wordt in zijn geheel, inclusief (bovengrondse) fundering, verwijderd;
b.direct na het verwijderen van het overig bouwwerk wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
c.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
Artikel 4.304 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.305 Meldplicht
Het is verboden om een overig bouwwerk te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.14.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.306 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als het overig bouwwerk een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het overig bouwwerk een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het overig bouwwerk een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het overig bouwwerk een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Artikel 4.307 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van het overig bouwwerk een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.15 Natuurvriendelijke oever
Paragraaf 4.15.1 Natuurvriendelijke oever aanleggen
Subparagraaf 4.15.1.1 Algemeen
Artikel 4.308 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een natuurvriendelijke oever;
b.verbreden van een natuurvriendelijke oever; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.309 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.310 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.15.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.311 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.313 eerste lid en 4.314, als:
a.de natuurvriendelijke oever buiten het doorstroomprofiel wordt aangelegd; en
b.het alleen een taludverflauwing boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit betreft.
2Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.313 tweede lid en 4.314, als:
a.de natuurvriendelijke oever buiten het doorstroomprofiel wordt aangelegd; en
b.het niet alleen een taludverflauwing boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit betreft.
Artikel 4.312 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.313 derde lid en 4.314, als de maximale diepte van de graafwerkzaamheden 1 m is.
2Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.313 derde lid en 4.314, als de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
3Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.313 derde lid en 4.314, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
4Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.313 derde lid en 4.314, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
Subparagraaf 4.15.1.3 Algemene regels
Artikel 4.313 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer; en
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
Artikel 4.314 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.15.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.315 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in beschermingszone A.
2Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in het doorstroomprofiel van een watergang.
Artikel 4.316 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in een beschermingszone van een primaire waterkering, als de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving een lengte heeft van meer dan 20 m gemeten parallel aan de waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering maximaal 10 m is; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden groter is dan 3 m.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade maximaal 10 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is; en
b.de afstand tussen graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade maximaal 10 m is.
Artikel 4.317 Vergunningplicht vaarweg
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.15.2 Natuurvriendelijke oever verwijderen
Subparagraaf 4.15.2.1 Algemeen
Artikel 4.318 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een natuurvriendelijke oever.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een natuurvriendelijke oever;
b.versmallen van een natuurvriendelijke oever; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.319 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.320 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.15.2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.321 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.322 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever te verwijderen.
Afdeling 4.16 Gebouw
Paragraaf 4.16.1 Gebouw oprichten of aanpassen
Subparagraaf 4.16.1.1 Algemeen
Artikel 4.323 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten of aanpassen van een gebouw in het beheergebied van het waterschap.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een gebouw;
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het oprichten of aanpassen van een gebouw;
c.het versneld afvoeren van hemelwater; en
d.compenseren van de versnelde afvoer van hemelwater.
Artikel 4.324 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
c.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
i.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
k.het plaatsen van een bouwwerk geen belemmering oplevert voor het onderhoud aan de watergang door het waterschap;
l.vanuit het oogpunt van ecologie, het van belang is dat een gebouw niet zodanig groot is dat over een grote lengte of breedte lichttoetreding onder het gebouw onmogelijk wordt gemaakt;
m.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
n.er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd, zoals bijvoorbeeld kanoroutes, officiële schaatsroutes, varen op vaarwegen en overig vaarwater;
o.dat onderhoud van de watergang mogelijk blijft; en
p.bij het uitvoeren van de activiteit geen waterberging mag worden weggenomen.
Artikel 4.325 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.16.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.326 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.329 eerste lid, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
e.het balkon geen palen heeft die in het water staan;
f.het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater;
h.de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast meer dan 3 m breed is; en
i.de lengte van de overstek kleiner is dan of gelijk is aan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
2Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.329 eerste lid, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
e.het balkon geen palen heeft die in het water staan;
f.het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m; en
g.het balkon niet wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater.
3Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
4Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
5Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
l.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
6Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
7Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
l.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
m.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
n.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
o.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
8Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
9Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
10Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
j.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
k.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
l.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
11Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
12Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
h.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
13Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
14Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.327 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er bij het oprichten of aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
2Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.331, als:
a.er bij het oprichten of aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
3Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
4Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
5Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
6Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
7Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
8Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw wordt voldaan aan de artikelen 4.329 tweede lid en 4.330, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.328 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.329 derde lid en 4.331, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.16.1.3 Algemene regels
Artikel 4.329 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt: binnen het natte profiel van de watergang onder het balkon worden geen constructies aangebracht.
2Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
4De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen;
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
h.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het oprichten of aanpassen van het gebouw gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m;
c.indien ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen;
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
h.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het oprichten of aanpassen van het gebouw gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
6De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het oprichten of aanpassen van het gebouw gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.330 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.331 Meldplicht
Het is verboden om een gebouw op te richten of aan te passen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.16.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.332 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone A van een watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone B van een beschoeiing.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone K van een kunstwerk.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw een woonboot is; en
b.het gebouw niet wordt opgericht of aangepast in de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is; en
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minder dan 0,30 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is; en
e.het balkon palen heeft die in het water staan.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
e.het balkon geen palen heeft die in het water staan;
f.het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater; en
h.de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast maximaal 3 m breed is.
8Het is verboden om zonder om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
e.het balkon geen palen heeft die in het water staan;
f.het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
g.het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater;
h.de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast meer dan 3 m breed is; en
i.de lengte van de overstek groter is dan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
e.het balkon geen palen heeft die in het water staan; en
f.het balkon een overstek heeft van meer dan 1 m.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
d.de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 4 m is; en
e.het balkon palen heeft die in het water staan.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt; en
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is;
d.het gaat om een drijvende woning;
e.er een oppervlakte van de watergang wordt afgedekt van minder dan 10 m2;
f.de afstand van de drijvende woning tot aan zonnepanelen of andere drijvende woningen minimaal 100 m is; en
g.het dwarsprofiel van de waterspiegel met meer dan 50 % bedekt wordt.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is;
d.het gaat om een drijvende woning; en
e.er een oppervlakte van de watergang wordt afgedekt:
1°. van minimaal 10 m2; of
2°. van minder dan 10 m2 waarbij de afstand van de drijvende woning tot zonnepanelen of andere drijvende woningen minder dan 100 m is.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
a.het gebouw geen woonboot is;
b.het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
c.het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is; en
d.het niet gaat om een drijvende woning.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
d.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
e.de compensatie niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
c.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
d.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
21Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
e.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
22Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
c.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
23Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
d.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
24Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
25Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
26Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
i.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
27Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
28Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
h.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
29Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
30Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
i.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
31Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
i.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
32Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
j.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
33Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
34Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
l.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
35Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
36Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
37Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
38Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
i.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
j.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
39Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied; en
f.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
40Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
g.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
41Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
g.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
42Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
g.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
43Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
g.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
44Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
h.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.333 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het oprichten of aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het oprichten of aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het oprichten of het aanpassen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
b.de versnelde afvoer gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen, als:
a.er door het oprichten of aanpassen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.332 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering plaatsvindt;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
11Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een verbouwing; en
b.de oppervlakte van het gebouw toeneemt.
12Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een verbouwing;
b.de oppervlakte van het gebouw niet toeneemt; en
c.het gaat om een significante toename van inhoud en gewicht van het gebouw.
13Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een verbouwing;
b.de oppervlakte van het gebouw niet toeneemt;
c.het niet gaat om een significante toename van inhoud en gewicht van het gebouw; en
d.de fundering van het gebouw wordt gewijzigd.
14Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een verbouwing;
b.de oppervlakte van het gebouw niet toeneemt;
c.het niet gaat om een significante toename van inhoud en gewicht van het gebouw;
d.de fundering van het gebouw niet wordt gewijzigd; en
e.de functie van het gebouw wordt gewijzigd.
15Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als er geen sprake is van een verbouwing van het gebouw.
Artikel 4.334 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het oprichten of aanpassen het gebouw een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Artikel 4.334a Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Als er sprake is van een toename aan verhard oppervlak van 10.000 m2 of meer wordt, in aanvulling op artikel 4.3, een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan verstrekt dat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden omvat:
a.een beschrijving/analyse van het bodem- en (grond)watersysteem;
b.een beschrijving van de met de te verrichten activiteit samenhangende activiteiten en ontwikkelingen in het gebied;
c.een beschrijving van de te verwachten gevolgen voor de te onderscheiden onderdelen van het watersysteem (aan- en afvoer en waterberging) en de goede staat en werking daarvan;
d.het toekomstige watersysteem in en rond het plangebied moet worden doorgerekend met een kortdurende bui (t100 bui 71 mm in 1 uur) en een langdurige bui (t100 bui 131 mm in 48 uur), hierbij mag geen wateroverlast of schade optreden; en
e.een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of te beperken, daarbij moet in ieder geval worden ingegaan op de volgende onderwerpen: bodem en (grond)watersysteem, waterberging en infiltratie, grondwaterbeheer, waterkwaliteit en ecologie, klimaatadaptatie, waterveiligheid, en afvalwaterketen en beheer en onderhoud.
Paragraaf 4.16.2 Gebouw verwijderen
Subparagraaf 4.16.2.1 Algemeen
Artikel 4.335 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een gebouw.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van een gebouw; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van een gebouw.
Artikel 4.336 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
c.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
i.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.337 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.16.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.338 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 zesde lid en 4.341, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gebouw geen fundering onder maaiveld en geen palen heeft.
2Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vijfde lid en 4.341, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gebouw een fundering onder maaiveld of palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 derde lid en 4.341, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gebouw geen fundering onder maaiveld en geen palen heeft.
4Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.340 zesde lid, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het gebouw geen fundering onder het maaiveld heeft of niet op palen staat.
5Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.340 zevende lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het gebouw een fundering onder het maaiveld heeft of op palen staat; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
6Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.340 derde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gebouw geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
7Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.340 achtste lid, als het gebouw geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
8Bij het verwijderen van een gebouw in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.340 achtste lid, als het gebouw geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
9Bij het verwijderen van een gebouw in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vierde lid en 4.341, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
10Bij het verwijderen van een gebouw in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vierde lid en 4.342, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is;
c.de graafwerkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden;
d.de lengte van de graafwerkzaamheden, gemeten parallel aan de primaire waterkering, maximaal 20 m is; en
e.de ontgraving voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
11Bij het verwijderen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vierde lid en 4.341, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
12Bij het verwijderen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vierde lid en 4.341, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m;
d.de ontgraving binnen zes maanden ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; en
e.de ontgraving een lengte van maximaal 20 m, gemeten parallel aan de zomerkade, heeft.
13Bij het verwijderen van een gebouw in de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.340 vierde lid en 4.341, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade meer dan 10 m is.
14Bij het verwijderen van een gebouw binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.340 tweede lid en 4.341, als:
a.de werkzaamheden buiten de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering plaatsvinden;
b.het gebouw is gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.339 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een gebouw uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.340 eerste lid en 4.342, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.16.2.3 Algemene regels
Artikel 4.340 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van het te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van het te verwijderen gebouw.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de bovengrondse fundering, met uitzondering van de funderingspalen; en
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen gebouw.
4Het volgende voorschrift geldt: de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
5De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gebouw;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
e.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
6De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gebouw;
c.direct na het verwijderen van het gebouw wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen, zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
7De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gebouw; en
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
8De volgende voorschriften gelden:
a.het gebouw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gebouw wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gebouw;
c.direct na het verwijderen van het gebouw wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
Artikel 4.341 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.342 Meldplicht
Het is verboden om een gebouw te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.16.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.343 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gebouw een fundering onder het maaiveld of palen heeft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gebouw een fundering onder het maaiveld of palen heeft; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen binnen de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het gebouw een fundering onder het maaiveld heeft of op palen staat.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen binnen de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het gebouw een fundering onder het maaiveld heeft of op palen staat; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het gebouw een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het gebouw een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m en maximaal 3 m is; en
c.de ontgraving:
1°. binnen de gesloten dijkperiode plaatsvindt;
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de primaire waterkering, heeft; of
3°. niet voor 1 oktober ongedaan is gemaakt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden; en
b.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is;
c.er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 1 m en maximaal 3 m; en
d.de ontgraving:
1°. niet binnen zes maanden ongedaan gemaakt wordt door het terugbrengen van de uitkomende grond of het het aanbrengen van een constructie; of
2°. een lengte van meer dan 20 m, gemeten parallel aan de waterkering, heeft.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er bij het verwijderen graafwerkzaamheden plaatsvinden;
b.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de waterkering 10 m of minder is; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 3 m is.
Artikel 4.344 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van het gebouw een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.17 Weg of verharding
Paragraaf 4.17.1 Weg of verharding aanleggen
Subparagraaf 4.17.1.1 Algemeen
Artikel 4.345 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een weg of verharding in het beheergebied van het waterschap.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van een weg of verharding;
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van een weg of verharding;
c.het versneld afvoeren van hemelwater; en
d.compenseren van de versnelde afvoer van hemelwater.
Artikel 4.346 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
c.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang (door het waterschap) niet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
d.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
e.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
f.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
i.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
j.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.347 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.17.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.348 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
2Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
l.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
m.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
3Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
l.de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
4Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
5Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
l.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
m.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
n.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
o.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
6Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang;
k.de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
l.de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
m.de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
n.de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
7Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
8Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
j.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
k.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
l.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
9Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
i.er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
j.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
k.de diepte van de verbreding:
1°. gelijk is aan die van de bestaande watergang; of
2°. dieper is dan die van de bestaande watergang.
10Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
h.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
11Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
12Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
i.de natuurvriendelijke oever:
1°. geen plasberm heeft; of
2°. wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.349 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een weg of verharding wordt voldaan aan de artikelen 4.351 tweede lid en 4.352, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
2Bij het aanleggen van een weg of verharding wordt voldaan aan de artikelen 4.351 tweede lid en 4.352, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren ;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 1 m is.
3Bij het aanleggen van een weg of verharding wordt voldaan aan de artikelen 4.351 tweede lid en 4.352, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minimaal 10 m is.
Artikel 4.350 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een weg of een verharding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.351 eerste lid en 4.353, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.17.1.3 Algemene regels
Artikel 4.351 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2Het volgende voorschrift geldt: De initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.door het verbreden van een watergang mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform afdeling 4.11 Kabel of leiding;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.voordat wordt begonnen met graven moet de uitgezette verbreding zijn goedgekeurd door het waterschap;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen;
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
h.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de weg of verharding gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
4De volgende voorschriften gelden:
a.door het graven van nieuw oppervlaktewater mag geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaan;
b.indien de nieuw te graven watergang aansluit op een primaire watergang en daarbij een doorgaande onderhoudsroute van het waterschap doorkruist, moet in de nieuw te graven watergang ter plaatse van deze onderhoudsroute een dam met duiker worden aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 m.
c.indien ter plaatse van het te graven oppervlaktewater kabels en leidingen aanwezig zijn, dient de eindsituatie in overeenstemming te zijn met de voorwaarden conform de regelgeving in afdeling 4.11 Kabel of leiding;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.bij het graven en in stand houden van het oppervlaktewater mag geen opbarsten van de waterbodem plaatsvinden;
f.bij het graven van oppervlaktewater moeten er, zodra er een zandlaag wordt aangesneden, altijd maatregelen worden getroffen om kwel of wegzijging te voorkomen;
g.het gegraven oppervlaktewater wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
h.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de weg of verharding gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd;
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap; en
f.de watercompensatie wordt uiterlijk 4 maanden na het aanleggen van de weg of verharding gerealiseerd, tenzij hierover met het waterschap aanvullende afspraken worden gemaakt.
Artikel 4.352 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.353 Meldplicht
Het is verboden om een weg of verharding aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.17.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.354 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone B van een beschoeiing.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone A van een watergang, als:
a.het initiatief parallel loopt aan de watergang; en
b.de draagkracht van de weg of verharding onvoldoende is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
d.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
e.de compensatie niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
c.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
d.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
e.er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
c.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
d.de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
h.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
i.de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
17Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
h.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
18Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
g.de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
19Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
i.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
20Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
f.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
i.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
21Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
j.de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
22Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
23Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
h.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
i.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
j.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
k.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
l.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
24Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
g.de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
h.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
i.de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
j.de nieuwe watergang:
1°. wordt aangelegd; of
2°. een verlenging is van een bestaande watergang; en
k.de compensatie plaatsvindt in:
1°. beheergebied west waarbij:
i.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
ii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
2°. beheergebied oost waarbij:
i.de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
ii.de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
iii.de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
25Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
26Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
g.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
h.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
i.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
27Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
e.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
f.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
g.de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
h.de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
i.de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
j.er:
1°. gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
i.de watergang gemeten op de waterlijn minder dan 0,50 m verbreed wordt; of
ii.de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt en de verbreding minder diep wordt dan de diepte van te verbreden watergang.
28Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied; en
f.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
29Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
g.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
30Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
g.er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
31Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
g.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
32Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
c.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
d.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
e.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
f.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
g.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
33Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
a.minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
b.de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
c.er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
d.er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
e.de compensatie plaatsvindt in:
1°. hetzelfde peilgebied; of
2°. een aangrenzend benedenstrooms peilgebied;
f.de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
g.de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
h.de compensatie plaatsvindt:
1°. in beschermingszone A van een watergang; of
2°. niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
i.een plasberm heeft; en
ii.de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Artikel 4.355 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen binnen het profiel van de vrije ruimte van een primaire waterkering, als het geen erfverharding betreft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen binnen de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het geen erfverharding betreft.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen binnen de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen binnen de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
b.de versnelde afvoer gecompenseerd wordt in:
1°. de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering;
2°. de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering;
3°. de zone waterstaatswerk van een overige waterkering; of
4°. de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een primaire waterkering; en
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een zomerkade plaatsvindt;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de zomerkade minder dan 10 m is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen, als:
a.er door het aanleggen versneld hemelwater wordt afgevoerd, waardoor er op basis van artikel 4.354 een verplichting bestaat om de versnelde afvoer te compenseren;
b.de versnelde afvoer wordt gecompenseerd in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering plaatsvindt;
c.de diepte van de graafwerkzaamheden meer dan 1 m is; en
d.de afstand tussen de graafwerkzaamheden en de zone waterstaatswerk van de niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van de niet verheelde overige waterkering minder dan 10 m is.
Artikel 4.356 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de weg of een verharding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.356a Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Als er sprake is van een toename aan verhard oppervlak van 10.000 m2 of meer wordt, in aanvulling op artikel 4.3, een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan verstrekt dat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden omvat:
a.een beschrijving/analyse van het bodem- en (grond)watersysteem;
b.een beschrijving van de met de te verrichten activiteit samenhangende activiteiten en ontwikkelingen in het gebied;
c.een beschrijving van de te verwachten gevolgen voor de te onderscheiden onderdelen van het watersysteem (aan- en afvoer en waterberging) en de goede staat en werking daarvan;
d.het toekomstige watersysteem in en rond het plangebied moet worden doorgerekend met een kortdurende bui (t100 bui 71 mm in 1 uur) en een langdurige bui (t100 bui 131 mm in 48 uur), hierbij mag geen wateroverlast of schade optreden; en
e.een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of te beperken, daarbij moet in ieder geval worden ingegaan op de volgende onderwerpen: bodem en (grond)watersysteem, waterberging en infiltratie, grondwaterbeheer, waterkwaliteit en ecologie, klimaatadaptatie, waterveiligheid, en afvalwaterketen en beheer en onderhoud.
Paragraaf 4.17.2 Weg of verharding veranderen of verwijderen
Subparagraaf 4.17.2.1 Algemeen
Artikel 4.357 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het veranderen of verwijderen van een weg of verharding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen en verplaatsen van een weg of verharding; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het veranderen of verwijderen van een weg of verharding.
Artikel 4.358 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.359 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.17.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.360 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.362 eerste lid en 4.363, als:
a.het gaat om het verwijderen van een weg of verharding;
b.het binnen een dijklichaam wordt verwijderd; en
c.het buiten de gesloten dijkperiode wordt verwijderd.
2Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.362 tweede lid en 4.363, als:
a.als het gaat om herstelwerkzaamheden van klinkerbestrating;
b.de werkzaamheden worden verricht buiten de gesloten dijkperiode; en
c.de klinkerbestrating aan het eind van de dag is hersteld.
3Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.362 derde lid en 4.363, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag;
b.het overgebleven deel van de verharding nog erosiebestendig is; en
c.er geen grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
4Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.362 derde lid en 4.363, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding;
b.het niet gaat om vervanging van grind- of puinbermen; en
c.er geen grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
5Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.362 vierde lid en 4.363, als het gaat om het verwijderen van een weg of verharding.
6Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.362 tweede lid en 4.363, als:
a.het gaat om herstelwerkzaamheden van klinkerbestrating; en
b.de klinkerbestrating aan het einde van de dag is hersteld.
7Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.362 derde lid, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag;
b.het overgebleven deel van de verharding nog erosiebestendig is; en
c.er geen grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
8Bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.362 derde lid, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding;
b.het niet gaat om het vervangen van grind- of puinbermen; en
c.er geen grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
Artikel 4.361 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een weg of een verharding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.362 vijfde lid en 4.363, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.17.2.3 Algemene regels
Artikel 4.362 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de weg en/of de verharding wordt in zijn geheel, inclusief funderingscunet, verwijderd;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen weg of verharding wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen weg of verharding;
c.de waterkering wordt afgewerkt conform Bijlage IV waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden :
a.de bovenkant van de weg en/of de verharding wordt niet significant hoger of lager afgewerkt dan de bestaande hoogte van de weg en/of de verharding;
b.aan het einde van iedere werkdag is de erosiebestendige bekleding van de waterkering teruggebracht, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
c.de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap al die maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen.
3Het volgende voorschrift geldt: de bovenkant van de weg en/of de verharding wordt niet significant hoger of lager afgewerkt dan de bestaande hoogte van de weg en/of de verharding.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de weg en/of de verharding wordt in zijn geheel, inclusief funderingscunet, verwijderd;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van de te verwijderen weg of verharding wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van de te verwijderen weg of verharding;
c.de waterkering wordt afgewerkt conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
5De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.363 Meldplicht
Het is verboden om een weg of verharding te veranderen of te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.17.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.364 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het gaat om het overlagen van asfalt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het niet gaat om:
a.het vervangen van erfverharding;
b.het verwijderen van een weg of verharding;
c.herstelwerkzaamheden van klinkerbestrating;
d.het vervangen van de toplaag of bermverharding; of
e.het overlagen van asfalt.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om het verwijderen van een weg of verharding;
b.het binnen het dijklichaam wordt verwijderd; en
c.het binnen de gesloten dijkperiode wordt verwijderd.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om herstelwerkzaamheden aan klinkerbestrating; en
b.het binnen de gesloten dijkperiode uitgevoerd wordt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om herstelwerkzaamheden aan klinkerbestrating;
b.de werkzaamheden worden verricht buiten de gesloten dijkperiode; en
c.de klinkerbestrating niet aan het einde van de dag is hersteld.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag;
b.het overgebleven deel van de verharding nog erosiebestendig is; en
c.er grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag; en
b.het overgebleven deel van de verharding niet meer erosiebestendig is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding; en
b.het gaat om het vervangen van grind- of puinbermen.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding;
b.het niet gaat om het vervangen van grind- of puinbermen; en
c.er grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het gaat om het overlagen van asfalt.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het niet gaat om:
a.het vervangen van erfverharding;
b.het verwijderen van de weg of verharding;
c.herstelwerkzaamheden van klinkerbestrating;
d.het vervangen van de toplaag of bermverharding; of
e.het overlagen van asfalt.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om herstelwerkzaamheden van klinkerbestrating; en
b.de klinkerbestrating niet aan het eind van de dag hersteld is.
13Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag;
b.het overgebleven deel van de verharding nog erosiebestendig is; en
c.er grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
14Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om het vervangen van de toplaag; en
b.het overgebleven deel van de verharding niet meer erosiebestending is.
15Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding; en
b.het gaat om het vervangen van grind- of puinbermen.
16Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om het vervangen van bermverharding;
b.het niet gaat om het vervangen van grind- of puinbermen; en
c.er grond of funderingsmateriaal wordt uitgegraven.
Artikel 4.365 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of een verharding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de weg of de verharding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.18 Beweiden
Paragraaf 4.18.1 Algemeen
Artikel 4.366 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het beweiden.
2Het eerste lid is niet van toepassing op pluimvee.
Artikel 4.367 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
i.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om schade aan het talud van de watergang en de oevervegetatie op het talud te voorkomen; en
j.wordt voorkomen dat door de beweiding schade ontstaat aan de taluds, waardoor oeverafkalving kan ontstaan.
Artikel 4.368 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.18.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.369 Aanwijzing algemene regels watergang
1Bij het beweiden in de kernzone van een watergang of in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.371 tweede lid, als het te beweiden perceel grenst aan een natuurvriendelijke oever.
2Bij het beweiden wordt voldaan aan artikel 4.371 derde lid, als het te beweiden perceel grenst aan een natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.370 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.er:
1°. niet op het talud van de waterkering wordt beweid; of
2°. op het talud van de waterkering wordt beweid en er haaks op de waterkering minimaal 5 meter aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
2Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober beweid wordt;
b.het gaat om rundvee; en
c.er:
1°. niet op de kruin maar wel op het binnentalud van een waterkering zonder binnenberm beweid wordt; of
2°. de beweiding niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering en wel op de binnenberm of buiten de bermen beweid wordt.
3Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.er niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering en wel op de binnenberm of buiten de bermen beweid wordt.
4Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart beweid wordt; en
b.er:
1°. niet op de kruin van de waterkering en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm beweid wordt; of
2°. niet op de kruin van de waterkering en niet op het talud van de waterkering en niet op de bermen beweid wordt.
5Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.niet op het talud van de waterkering wordt beweid.
6Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.op het talud van de waterkering wordt beweid en er haaks op de waterkering minimaal 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
7Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten;
c.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen beweid wordt;
d.de afscheiding voor de beweiding niet permanent is; en
e.er haaks op de waterkering minimaal 1 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
8Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober beweid wordt;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten;
c.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid;
d.de afscheiding voor de beweiding permanent is; en
e.er haaks op de waterkering minimaal 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
9Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid;
b.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen beweid wordt;
c.de afscheiding voor de beweiding niet permanent is; en
d.er haaks op de waterkering minimaal 1 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
10Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid;
b.de beweiding niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid;
c.de afscheiding voor de beweiding permanent is; en
d.er haaks op de waterkering minimaal 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
11Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee.
c.op het talud van de waterkering wordt beweid; en
d.er haaks op de waterkering minimaal 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
12Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.niet op het talud van de waterkering wordt beweid.
13Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid.
14Bij het beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.371 eerste lid als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart plaatsvindt; en
b.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel of de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid.
Paragraaf 4.18.3 Algemene regels
Artikel 4.371 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de vegetatie dient, naar het oordeel van het waterschap, steeds in een goede toestand te verkeren en mag daarom niet te kort worden afgegraasd of gemaaid;
b.binnen de periode dat beweiding is toegestaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap met het oog op het waterstaatkundige belang, de beweiding tijdelijk verbieden. Hervatting mag slechts plaatsvinden op aangeven van het dagelijks bestuur van het waterschap ;
c.drinkwatervoorzieningen en bijvoedervoorzieningen zijn te verplaatsen en worden niet op het talud geplaatst;
d.er wordt voorkomen dat er rondom de drinkwatervoorziening en de bijvoedervoorziening kale plekken ontstaan of dat er looppaden naar de drinkwatervoorziening ontstaan;
e.degene die beweidt, zorgt voor het aanbrengen en onderhouden van een voldoende veekerende afrastering;
f.bij indeling in meerdere aansluitende percelen mag van een verplaatsbare afrastering gebruik worden gemaakt, na verwijdering van de dieren dient deze afrastering ook verwijderd te worden;
g.ter plaatse van onderhoudspaden wordt de afrastering voorzien van een voldoende grote doorgang voor onderhoudsmachines;
h.wanneer de afrastering geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig de regelgeving voor het verwijderen van afrasteringen;
i.bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de afrastering tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer; en
j.tijdelijke afrasteringen, 1 m uit de teen in het talud, moeten worden verwijderd als de waterkering gemaaid of gerold wordt.
2Het volgende voorschrift geldt: een natuurvriendelijke oever moet worden afgeschermd voor vee met een deugdelijke afrastering, overeenkomstig artikel 4.268, zodanig dat het vee niet in de natuurvriendelijke oever kan komen.
3Het volgende voorschrift geldt: een natuurvriendelijke oever moet worden afgeschermd voor vee met een deugdelijke afrastering zodanig dat het vee niet in de natuurvriendelijke oever kan komen.
Paragraaf 4.18.4 Algeheel verbod
Artikel 4.372 Algeheel verbod
1Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen; of
2°. geiten;
c.op het talud van de waterkering wordt beweid; en
d.op het talud van de waterkering wordt beweid en er haaks op de waterkering minimaal 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van het talud, wordt mee beweid.
2Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om rundvee; en
c.er:
1°. op de kruin van de waterkering wordt beweid;
2°. niet op de kruin en wel op het binnen talud van een waterkering met een binnenberm wordt beweid;
3°. niet op de kruin en wel op het buiten talud van een waterkering wordt beweid; of
4°. niet op de kruin en niet op een talud van een waterkering maar wel op een buiten wordt beweid.
3Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.er:
1°. op de kruin van de waterkering wordt beweid;
2°. niet op de kruin en wel op het talud van de waterkering word beweid; of
3°. niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering en op de buitenberm wordt beweid.
4Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid;
b.op de kruin van een waterkering wordt beweid;
c.niet op de kruin en wel op het talud van de waterkering word beweid; of
d.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering en op de buitenberm wordt beweid.
5Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen; of
2°. geiten.
c.de beweiding op het talud van de waterkering plaatsvindt; en
d.er haaks op de waterkering minder dan 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
6Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober beweid wordt;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten.
c.de beweiding niet op de kruin en niet op het talud van van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid;
d.de afscheiding voor de beweiding niet permanent is; en
e.er haaks op de waterkering minder dan 1 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
7Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten.
c.de beweiding niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen beweid wordt;
d.de afscheiding voor de beweiding permanent is; en
e.er haaks op de waterkering minder dan 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
8Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de buitenberm wordt beweid.
9Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.niet op de kruin maar wel op het talud van de waterkering wordt beweid.
10Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen; of
2°. geiten; en
c.op de kruin van de waterkering wordt beweid.
11Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid;
b.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid;
c.de afscheiding voor de beweiding niet permanent is; en
d.er haaks op de waterkering minder dan 1 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
12Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid;
b.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de binnenberm of buiten de bermen wordt beweid;
c.de beweiding niet op het talud van de waterkering plaatsvindt;
d.de permanente afscheiding voor de beweiding permanent is; en
e.er haaks op de waterkering minder dan 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
13Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de beweiding:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid; en
b.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de buitenberm wordt beweid.
14Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de beweiding:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart plaatsvindt; en
b.niet op de kruin maar wel op het talud van de waterkering plaatsvindt.
15Het is verboden om te beweiden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als de beweiding:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart plaatsvindt; en
b.op de kruin van de waterkering plaatsvindt.
16Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om de volgende dieren:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee.
c.de beweiding op het talud van de waterkering plaatsvindt; en
d.er haaks op de waterkering minder dan 5 m aan vlakke grond, gemeten vanuit de teen van de talud, wordt mee beweid.
17Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar wel op de buitenberm wordt beweid.
18Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het niet gaat om de volgende dieren:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.niet op de kruin maar wel op het talud van de waterkering wordt beweid.
19Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 april tot en met 31 oktober wordt beweid;
b.het gaat om andere dieren dan:
1°. schapen;
2°. geiten; of
3°. rundvee; en
c.op de kruin van de waterkering wordt beweid.
20Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid; en
b.er niet op de kruin en niet op het talud van de waterkering maar er wel op de buitenberm wordt beweid.
21Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het beweiden gebeurt in de periode van 1 november tot en met 31 maart; en
b.er niet op de kruin maar wel op het talud van de waterkering wordt beweid.
22Het is verboden te beweiden in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.in de periode van 1 november tot en met 31 maart wordt beweid; en
b.op de kruin van de waterkering wordt beweid.
Afdeling 4.19 Bemesten
Paragraaf 4.19.1 Algemeen
Artikel 4.373 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het bemesten van gronden.
Artikel 4.374 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.375 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.19.2 Algeheel verbod
Artikel 4.376 Algeheel verbod
1Het is verboden grond te bemesten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als het bemesten plaatsvindt:
a.binnen 5 m van de buitenteen;
b.op het binnentalud van een waterkering met een binnenberm;
c.op het buitentalud; of
d.op de kruin.
2Het is verboden grond te bemesten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het bemesten plaatsvindt:
a.op de binnenberm en het niet gaat om het bemesten met kunstmest;
b.op de kruin; of
c.op het talud.
Afdeling 4.20 Grond bewerken
Paragraaf 4.20.1 Algemeen
Artikel 4.377 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het bewerken van grond.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan:
a.ploegen;
b.frezen;
c.spitten; en
d.het roeren van grond voor het aanbrengen van gewassen.
Artikel 4.378 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.379 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.20.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.380 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het bewerken van grond in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.382 tweede lid, als het niet plaatsvindt op de kruin of het talud.
Artikel 4.381 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het bewerken van grond in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.382 eerste lid en 4.383, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.20.3 Algemene regels
Artikel 4.382 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.indien er langs de waterkering binnen 5 m uit de teen van het talud een teensloot, zoals weergegeven in Bijlage III, aanwezig is dan mogen de gronden tussen de teen van het talud en de teensloot niet worden bewerkt; en
b.indien er langs de waterkering geen teensloot aanwezig is, dan mogen de gronden niet verder bewerkt worden dan tot 5 m uit de teen van het talud van de waterkering.
Artikel 4.383 Meldplicht
Het is verboden om grond te bewerken zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.20.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.384 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als het plaatsvindt buiten het dijklichaam.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het niet plaatsvindt op de kruin of het talud.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als de grond wordt bewerkt op een diepte van 50 cm of meer onder het maaiveld.
Artikel 4.385 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond te bewerken in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het bewerken van grond een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.20.5 Algeheel verbod
Artikel 4.386 Algeheel verbod
1Het is verboden grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als het plaatsvindt binnen het dijklichaam.
2Het is verboden grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het plaatsvindt binnen het dijklichaam.
3Het is verboden grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het plaatsvindt op de kruin of op het talud.
4Het is verboden grond te bewerken in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het plaatsvindt op de kruin of op het talud.
Afdeling 4.21 Grasmat vervangen
Paragraaf 4.21.1 Algemeen
Artikel 4.387 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het vervangen van een grasmat.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de grasmat.
Artikel 4.388 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.389 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.21.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.390 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een grasmat in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.392 eerste lid en 4.393, als het vervangen van de grasmat plaatsvindt:
a.binnen het dijklichaam; en
b.in de periode van 1 april tot 1 september.
2Bij het vervangen van een grasmat in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.392 eerste lid en 4.393, als het vervangen van de grasmat plaatsvindt in de periode van 1 april tot 1 september.
Artikel 4.391 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een grasmat in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.392 tweede lid en 4.393, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.21.3 Algemene regels
Artikel 4.392 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de werkzaamheden moeten achter elkaar door worden uitgevoerd, zodat de tijd dat er geen erosiebestendige grasmat aanwezig is zo kort mogelijk is; en
b.de nieuwe grasmat bestaat uit een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding of grasmat van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.393 Meldplicht
Het is verboden om een grasmat te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.21.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.394 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het vervangen van de grasmat plaatsvindt:
a.binnen het dijklichaam; en
b.in de periode van 1 september tot 1 april.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het vervangen van de grasmat plaatsvindt in de periode van 1 september tot 1 april.
Artikel 4.395 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grasmat te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de grasmat een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.22 Grondboring of sondering uitvoeren
Paragraaf 4.22.1 Algemeen
Artikel 4.396 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een grondboring of sondering.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.aanleggen of verwijderen van een filterbuis; en
b.aanleggen of verwijderen van een peilbuis.
Artikel 4.397 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang door het waterschap niet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
j.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.398 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.22.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.399 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het uitvoeren van een grondboring, het plaatsen van een peilbuis of het plaatsen van een filterbuis in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vierde lid, vijfde lid en 4.402, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag; en
c.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is.
2Bij het uitvoeren van een sondering in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vijfde lid en 4.402, als de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode.
3Bij het uitvoeren van een grondboring, het plaatsen van een peilbuis of het plaatsen van een filterbuis in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 tweede lid, derde lid en 4.402, als:
a.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag;
b.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is;
c.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
d.de werkzaamheden handmatig worden uitgevoerd.
4Bij het uitvoeren van een grondboring, het plaatsen van een peilbuis of het plaatsen van een filterbuis in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 tweede lid, derde lid en 4.402, als:
a.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag;
b.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is; en
c.het uitgevoerd wordt bij een waterkering met daarop een verharde weg.
5Bij het uitvoeren van een sondering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 derde lid en 4.402, als:
a.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
b.de werkzaamheden handmatig worden uitgevoerd.
6Bij het uitvoeren van een sondering in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.401 derde lid en 4.402, als het uitgevoerd wordt bij een waterkering met daarop een verharde weg.
7Bij het uitvoeren van een grondboring, het plaatsen van een peilbuis of het plaatsen van een filterbuis in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vierde lid, vijfde lid en 4.402, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag;
c.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is;
d.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
e.de werkzaamheden handmatig worden uitgevoerd.
8Bij het uitvoeren van een grondboring, het plaatsen van een peilbuis of het plaatsen van een filterbuis in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vierde lid, vijfde lid en 4.402, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag;
c.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is; en
d.het uitgevoerd wordt bij een waterkering met daarop een verharde weg.
9Bij het uitvoeren van een sondering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vijfde lid en 4.402, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
c.de werkzaamheden handmatig worden uitgevoerd.
10Bij het uitvoeren van een sondering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.401 vijfde lid en 4.402, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode; en
b.het uitgevoerd wordt bij een waterkering met daarop een verharde weg.
Artikel 4.400 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het uitvoeren van een grondboring of sondering in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.401 eerste lid en 4.402, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.22.3 Algemene regels
Artikel 4.401 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden voor peilbuizen en filterbuizen:
a.de peilbuizen en filterbuizen worden zodanig uitgevoerd dat deze niet kunnen overstromen;
b.de peilbuizen en filterbuizen worden afgewerkt met een straatpot of schutkoker;
c.het boorgat wordt zodanig afgedicht dat geen extra kwel of piping kan ontstaan en dat grondwaterstromingen elkaar niet kunnen beïnvloeden en niet met elkaar in verbinding kunnen komen; en
d.wanneer een peilbuis of filterbuis niet meer wordt gebruikt, wordt deze dichtgezet met bentoniet, wordt de peilbuis of filterbuis onder maaiveld afgezaagd en wordt de erosiebestendige bekleding van de waterkering binnen het dijklichaam hersteld.
3De volgende voorschriften gelden voor grondboringen en sonderingen:
a.het boorgat of sondeergat wordt zodanig afgedicht dat geen extra kwel of piping kan ontstaan en dat grondwaterstromingen elkaar niet kunnen beïnvloeden en niet met elkaar in verbinding kunnen komen; en
b.alle boorgaten binnen het dijklichaam worden na afloop voorzien van de oorspronkelijke bezoding. Hiertoe dient voorafgaand aan de grondboring de eerste 0,20 m van de boorlocatie uit te worden gestoken en apart te worden gezet. Na afloop wordt het uitgestoken gedeelte weer teruggeplaatst en vlak aangesloten op de aanwezige grasmat.
4De volgende voorschriften gelden voor peilbuizen en filterbuizen:
a.de peilbuizen en filterbuizen worden zodanig uitgevoerd dat deze niet kunnen overstromen;
b.de peilbuizen en filterbuizen worden afgewerkt met een straatpot of schutkoker;
c.het boorgat wordt zodanig afgedicht dat geen extra kwel of piping kan ontstaan en dat grondwaterstromingen elkaar niet kunnen beïnvloeden en niet met elkaar in verbinding kunnen komen; en
d.wanneer een peilbuis of filterbuis niet meer wordt gebruikt, wordt deze dichtgezet met bentoniet, wordt de peilbuis of filterbuis onder maaiveld afgezaagd en wordt de erosiebestendige bekleding van de waterkering hersteld.
5De volgende voorschriften gelden voor grondboringen en sonderingen:
a.het boorgat of sondeergat wordt zodanig afgedicht dat geen extra kwel of piping kan ontstaan en dat grondwaterstromingen elkaar niet kunnen beïnvloeden en niet met elkaar in verbinding kunnen komen; en
b.alle boorgaten worden na afloop voorzien van de oorspronkelijke bezoding. Hiertoe dient voorafgaand aan de grondboring de eerste 0,20 m van de boorlocatie uit te worden gestoken en apart te worden gezet. Na afloop wordt het uitgestoken gedeelte weer teruggeplaatst en vlak aangesloten op de aanwezige grasmat.
Artikel 4.402 Meldplicht
Het is verboden om een grondboring of sondering uit te voeren zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.22.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.403 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag; en
c.de diameter van het te boren gat meer dan 0,20 m is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode; en
b.er geboord wordt:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. voorbij de eerste vaste zandlaag.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag;
b.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is;
c.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
d.de werkzaamheden niet handmatig worden uitgevoerd.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag; en
b.de diameter van het te boren gat meer dan 0,20 m is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er geboord wordt:
a.in de eerste vaste zandlaag; of
b.voorbij de eerste vaste zandlaag.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
b.de werkzaamheden niet handmatig worden uitgevoerd.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord boven de eerste vaste zandlaag;
c.de diameter van het te boren gat maximaal 0,20 m is;
d.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
e.de werkzaamheden niet handmatig worden uitgevoerd.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.er geboord wordt boven de eerste vaste zandlaag; en
c.de diameter van het te boren gat meer dan 0,20 m is.
10Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring uit te voeren, een peilbuis te plaatsen of een filterbuis te plaatsen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode; en
b.er geboord wordt:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. voorbij de eerste vaste zandlaag.
11Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sondering uit te voeren in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden plaatsvinden buiten de gesloten dijkperiode;
b.het uitgevoerd wordt bij een waterkering zonder daarop een verharde weg; en
c.de werkzaamheden niet handmatig worden uitgevoerd.
12Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de werkzaamheden plaatsvinden binnen de gesloten dijkperiode.
Artikel 4.404 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met de grondboring of sondering een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondboring of sondering uit te voeren in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Afdeling 4.23 Bodemenergiesysteem
Paragraaf 4.23.1 Bodemenergiesysteem aanleggen
Subparagraaf 4.23.1.1 Algemeen
Artikel 4.405 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen van een bodemenergiesysteem.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van het bodemenergiesysteem;
b.uitbreiden van het bodemenergiesysteem; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het bodemenergiesysteem.
Artikel 4.406 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang door het waterschap niet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
j.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.407 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.23.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.408 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een bodemenergiesysteem in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.409 en 4.410, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.23.1.3 Algemene regels
Artikel 4.409 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.410 Meldplicht
Het is verboden om een bodemenergiesysteem aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.23.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.411 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.412 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van het bodemenergiesysteem een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.23.2 Bodemenergiesysteem verwijderen
Subparagraaf 4.23.2.1 Algemeen
Artikel 4.413 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het verwijderen van een bodemenergiesysteem.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.vervangen of verplaatsen van het bodemenergiesysteem;
b.verkleinen van het bodemenergiesysteem; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het bodemenergiesysteem.
Artikel 4.414 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang door het waterschap niet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
c.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
d.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
e.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
g.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
h.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
i.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.415 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.23.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.416 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een bodemenergiesysteem uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.417 en 4.418, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.23.2.3 Algemene regels
Artikel 4.417 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.418 Meldplicht
Het is verboden om een bodemenergiesysteem te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.23.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.419 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.420 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van het bodemenergiesysteem een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.24 Evenement houden
Paragraaf 4.24.1 Algemeen
Artikel 4.421 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het houden van een evenement.
Artikel 4.422 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om schade aan het talud van de watergang en de oevervegetatie op het talud te voorkomen;
j.er wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden ; en
k.alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat (zwerf)afval terecht komt in de watergang of de directe omgeving van de watergang.
Artikel 4.423 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.24.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.424 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het houden van een evenement in een primaire watergang of secundaire watergang, wordt voldaan aan artikel 4.428.
Artikel 4.425 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het houden van een evenement in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.427 eerste lid, als:
a.het evenement plaatsvindt binnen het dijklichaam; en
b.er geen onderdelen van het evenement plaatsvinden op onverharde delen van de waterkering.
2Bij het houden van een evenement in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.427 eerste lid, als er geen onderdelen van het evenement plaatsvinden op onverharde delen van de waterkering.
Artikel 4.426 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het houden van een evenement in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.427 tweede lid en 4.428, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.24.3 Algemene regels
Artikel 4.427 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.er wordt geen gebruik gemaakt van de taluds van de waterkering, zowel tijdens het evenement als tijdens de voorbereiding en na afloop van het evenement; en
b.er worden geen objecten naast de verharde kruin in de wegbermen aangebracht, met uitzondering van piketpaaltjes, prikpalen, jalons of vergelijkbare objecten.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.428 Meldplicht
Het is verboden om een evenement te houden zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.24.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.429 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het evenement plaatsvindt binnen het dijklichaam; en
b.er onderdelen van het evenement plaatsvinden op onverharde delen van de waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er onderdelen van het evenement plaatsvinden op onverharde delen van de waterkering.
Artikel 4.430 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een evenement te houden in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het evenement een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.25 Peilafwijking realiseren
Paragraaf 4.25.1 Algemeen
Artikel 4.431 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het realiseren van een peilafwijking, tenzij het gaat om het tijdelijk afdammen van een watergang waarbij het peil wordt verlaagd voor het uitvoeren van werken.
Artikel 4.432 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten; en
i.watergangen die belangrijk zijn voor de water aan- en afvoer niet zonder meer mogen worden gestremd.
Artikel 4.433 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.25.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.434 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het realiseren van een peilafwijking in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang, wordt voldaan aan de artikelen 4.436 eerste lid en 4.436 tweede lid, als:
a.het te hanteren peil is opgenomen in het geldende peilbesluit; en
b.de verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van de kunstwerken waarmee het te hanteren peil in stand wordt gehouden bij de initiatiefnemer ligt.
Artikel 4.435 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het realiseren van een peilafwijking in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.436 derde lid en 4.437, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.25.3 Algemene regels
Artikel 4.436 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden bij een onderbemaling:
a.de onderbemalen watergangen zijn bij de begrenzing van de onderbemaling voorzien van een dichte dam of een schot;
b.de waterstand binnen het gebied wordt door de initiatiefnemer gehouden op het peil dat is opgenomen in het peilbesluit;
c.de onderbemalingsinstallatie heeft geen grotere capaciteit dan 1,5 liter per seconde per hectare;
d.in het geval van een maalstop of een andere bijzondere omstandigheid, wordt de onderbemalingsinstallatie buiten werking gezet en gehouden;
e.de diepte van de watergangen die onderdeel uitmaken van de onderbemaling is gelijk aan de diepte zoals vermeld in de profielenlegger; en
f.kunstwerken ten behoeve van de onderbemaling worden door de initiatiefnemer beheerd, zodra de onderbemaling vervalt of niet meer is toegestaan op basis van het peilbesluit, worden de kunstwerken door en op kosten van de initiatiefnemer verwijderd.
2De volgende voorschriften gelden bij een opmaling:
a.de opmaling is bij de begrenzing voorzien van een dichte dam of een schot;
b.de waterstand binnen het gebied wordt door de initiatiefnemer gehouden op het peil dat is opgenomen in het peilbesluit;
c.er mag niet meer water worden ingelaten dan noodzakelijk om het water binnen de opmaling op peil te houden;
d.uit de opmaling wordt niet meer water afgevoerd dan 1,5 liter per seconde per hectare; en
e.kunstwerken ten behoeve van de opmaling worden door de initiatiefnemer beheerd, zodra de opmaling vervalt of niet meer is toegestaan op basis van het peilbesluit, worden de kunstwerken door en op kosten van de initiatiefnemer verwijderd.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.437 Meldplicht
Het is verboden om een peilafwijking te realiseren zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.25.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.438 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang, als het te hanteren peil niet is opgenomen in het geldende peilbesluit.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang, als:
a.het te hanteren peil is opgenomen in het geldende peilbesluit; en
b.de verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van de kunstwerken waarmee het te hanteren peil in stand wordt gehouden bij het waterschap ligt.
Artikel 4.439 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de peilafwijking meer dan 10 cm is; en
b.het gaat om een onderbemaling.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de peilafwijking meer dan 10 cm is;
b.het niet gaat om een onderbemaling; en
c.het gaat om een permanente peilverlaging.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de peilafwijking nodig is voor iets anders dan het uitvoeren van werkzaamheden.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de peilafwijking nodig is voor het uitvoeren van werkzaamheden; en
b.de peilafwijking langer dan 1 dag duurt.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.peilafwijking groter is dan 10 cm; en
b.de peilafwijking nodig is voor iets anders dan het uitvoeren van werkzaamheden.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de peilafwijking groter is dan 10 cm;
b.de peilafwijking nodig is voor het uitvoeren van werkzaamheden; en
c.de peilafwijking langer dan 1 dag duurt.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als de werkzaamheden plaatsvinden in de gesloten dijkperiode.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering.
9Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een niet verheelde overige waterkering langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel.
Artikel 4.440 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het realiseren van de peilafwijking een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.26 Gemaal
Paragraaf 4.26.1 Gemaal aanleggen
Subparagraaf 4.26.1.1 Algemeen
Artikel 4.441 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een gemaal.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van het gemaal; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het gemaal.
Artikel 4.442 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
k.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
l.het gemaal geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen; en
m.bij de onttrekking van oppervlaktewater alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om inname van in water levende organismen te voorkomen.
Artikel 4.443 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.26.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.444 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.445 en 4.446, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.26.1.3 Algemene regels
Artikel 4.445 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.446 Meldplicht
Het is verboden om een gemaal aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.26.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.447 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.448 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.het gemaal gefundeerd wordt op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.449 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van het gemaal een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.26.2 Gemaal verwijderen
Subparagraaf 4.26.2.1 Algemeen
Artikel 4.450 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een gemaal.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van het gemaal; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het gemaal.
Artikel 4.451 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het verwijderen van een gemaal geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.452 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.26.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.453 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een gemaal in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.456 eerste lid en 4.457, als het een gemaal betreft dat van belang is voor de waterhuishouding op alleen de eigen percelen.
Artikel 4.454 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.456 tweede lid en 4.457, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal geen fundering onder maaiveld of op palen heeft.
2Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.456 derde lid en 4.457, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.456 vierde lid en 4.457, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal geen fundering onder maaiveld of op palen heeft.
4Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.456 tweede lid, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
5Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.456 vijfde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden buiten de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
6Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.456 vierde lid, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
7Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.456 zesde lid en 4.457, als het gemaal geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
8Bij het verwijderen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.456 zesde lid, als het gemaal geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
9Bij het verwijderen van een gemaal binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.456 achtste lid en 4.457, als:
a.de werkzaamheden buiten de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering plaatsvinden;
b.het gemaal is gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.455 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.456 negende lid en 4.458, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.26.2.3 Algemene regels
Artikel 4.456 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt: de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gemaal;
c.direct na het verwijderen van het gemaal wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
3De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gemaal;
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
e.bij grondtekorten wordt buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk, klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
4De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering; en
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gemaal.
5De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd;
c.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gemaal; en
d.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
6De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief bovengrondse fundering;
b.het profiel van de waterkering ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het profiel aansluit op het bestaande profiel van de waterkering aan weerszijden van het te verwijderen gemaal;
c.direct na het verwijderen van het gemaal wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
d.als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
7Vervallen
8De volgende voorschriften gelden:
a.het gemaal wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van het te verwijderen gemaal wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van het te verwijderen gemaal.
9De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.457 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2
Artikel 4.458 Meldplicht
Het is verboden om een gemaal te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.26.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.459 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang als dit niet plaatsvindt op een eigen perceel.
Artikel 4.460 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden binnen het dijklichaam plaatsvinden; en
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de werkzaamheden buiten het dijklichaam plaatsvinden;
b.het te verwijderen gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
c.de werkzaamheden binnen de gesloten dijkperiode plaatsvinden.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het gemaal een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Artikel 4.461 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met de verwijderen van het gemaal een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.26.3 Gemaal vervangen
Subparagraaf 4.26.3.1 Algemeen
Artikel 4.462 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een gemaal.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van het gemaal.
Artikel 4.463 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het vervangen van een gemaal geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken;
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
k.het gemaal geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen; en
l.bij de onttrekking van oppervlaktewater alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om inname van in water levende organismen te voorkomen.
Artikel 4.464 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.26.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.465 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het vervangen van een gemaal wordt voldaan aan de artikelen 4.468tweede lid en 4.469, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van het nieuwe gemaal identiek zijn aan de specificaties van het bestaande gemaal.
Artikel 4.466 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, wordt voldaan aan de artikelen 4.468 derde lid en 4.469 als:
a.het te vervangen gemaal geen onderdeel is van de waterkering; en
b.het te vervangen gemaal:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
2Bij het vervangen van een gemaal in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.468 derde lid en 4.469, als het te vervangen gemaal geen onderdeel is van de waterkering.
Artikel 4.467 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.468 eerste lid en 4.469, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.26.3.3 Algemene regels
Artikel 4.468 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder het gemaal kan ontstaan;
b.voorkomen wordt dat boven- of benedenstrooms van het gemaal erosie of uitspoeling optreedt;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd;
e.de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
f.tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.469 Meldplicht
Het is verboden om een gemaal te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.26.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.470 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van het nieuwe gemaal niet identiek zijn aan de specificaties van het bestaande gemaal.
Artikel 4.471 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het te vervangen gemaal onderdeel van de waterkering is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het te vervangen gemaal geen onderdeel van de waterkering is;
b.het te vervangen gemaal een fundering heeft; en
c.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als het te vervangen gemaal onderdeel van de waterkering is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.het te vervangen gemaal een fundering heeft;
b.de fundering van het te vervangen gemaal wordt aangepast;
c.het te vervangen gemaal gefundeerd is op palen; en
d.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.472 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemaal te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van het gemaal een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.27 Stuw
Paragraaf 4.27.1 Stuw aanleggen
Subparagraaf 4.27.1.1 Algemeen
Artikel 4.473 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een stuw.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de stuw; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de stuw.
Artikel 4.474 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg en het watersysteem niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
k.het plaatsen van een kunstwerk geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken;
l.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
m.de stuw geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.475 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.27.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.476 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het aanleggen van een stuw in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.478 eerste lid en 4.479, als er geen onderdelen van de stuw worden aangelegd op de kruin of op het talud van de waterkering.
Artikel 4.477 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een stuw in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.478 tweede lid en 4.479, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.27.1.3 Algemene regels
Artikel 4.478 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt en direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.479 Meldplicht
Het is verboden om een stuw aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.27.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.480 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.481 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering als onderdelen van de stuw worden aangelegd op de kruin of op het talud van de waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als de funderingspalen van de aan te leggen stuw in of voorbij de eerste vaste zandlaag worden aangebracht.
Artikel 4.482 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met de aanleg van de stuw een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.27.2 Stuw verwijderen
Subparagraaf 4.27.2.1 Algemeen
Artikel 4.483 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een stuw.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de stuw; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de stuw.
Artikel 4.484 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtgelaten;
b.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
c.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
f.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
g.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
h.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
Artikel 4.485 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.27.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.486 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een stuw in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.488 eerste lid en 4.489, als de funderingspalen van de te verwijderen stuw in of voorbij de eerste vaste zandlaag staan.
2Bij het verwijderen van een stuw in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.488 tweede lid en 4.490, als er geen onderdelen van de stuw worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
Artikel 4.487 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een stuw uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.488 derde lid en 4.490, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.27.2.3 Algemene regels
Artikel 4.488 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de stuw wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen stuw wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen stuw.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.489 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.490 Meldplicht
Het is verboden om een stuw te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.27.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.491 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.492 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering.
2Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er onderdelen van de stuw worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
3Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.493 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de stuw een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.27.3 Stuw vervangen
Subparagraaf 4.27.3.1 Algemeen
Artikel 4.494 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een stuw.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de stuw.
Artikel 4.495 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond leidt niet tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van het werk wordt gebruik gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het vervangen van een stuw geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken;
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
k.de stuw geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.496 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.27.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.497 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het vervangen van een stuw wordt voldaan aan de artikelen 4.500eerste lid en 4.501, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe stuw identiek zijn aan de specificaties van de bestaande stuw.
Artikel 4.498 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een stuw in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.500 tweede lid en 4.501, als:
a.de te vervangen stuw geen onderdeel is van de waterkering; en
b.de te vervangen stuw:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
2Bij het vervangen van een stuw in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.500 tweede lid en 4.501, als de te vervangen stuw geen onderdeel is van de waterkering.
Artikel 4.499 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een stuw in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.500 derde lid en 4.501, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.27.3.3 Algemene regels
Artikel 4.500 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de stuw kan ontstaan;
b.voorkomen wordt dat boven- of benedenstrooms van de stuw erosie of uitspoeling optreedt;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen;
e.de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
f.tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om het waterpeil te waarborgen.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.501 Meldplicht
Het is verboden om een stuw te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.27.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.502 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe stuw niet identiek zijn aan de specificaties van de bestaande stuw.
Artikel 4.503 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de te vervangen stuw onderdeel van de waterkering is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de te vervangen stuw geen onderdeel van de waterkering is;
b.de te vervangen stuw een fundering heeft; en
c.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als de te vervangen stuw onderdeel van de waterkering is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de te vervangen stuw een fundering heeft;
b.de fundering van de te vervangen stuw wordt aangepast;
c.de te vervangen stuw gefundeerd is op palen; en
d.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.504 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een stuw te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen de stuw een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.28 Sluis
Paragraaf 4.28.1 Sluis aanleggen
Subparagraaf 4.28.1.1 Algemeen
Artikel 4.505 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een sluis.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de sluis; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de sluis.
Artikel 4.506 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
j.de sluis geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.507 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.28.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.508 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een sluis in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.509 en 4.510, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.28.1.3 Algemene regels
Artikel 4.509 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.510 Meldplicht
Het is verboden om een sluis aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.28.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.511 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.512 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, in de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, in de zone waterstaatswerk van een overige waterkering in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, in de beschermingszone van een primaire waterkering, in de beschermingszone van een regionale waterkering, in de beschermingszone van een overige waterkering of in de beschermingszone van een zomerkade.
Artikel 4.513 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de sluis een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.28.2 Sluis verwijderen
Subparagraaf 4.28.2.1 Algemeen
Artikel 4.514 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een sluis.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de sluis; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de sluis.
Artikel 4.515 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het verwijderen van een sluis geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
k.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
l.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.516 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.28.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.517 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een sluis uit een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.518 en 4.519, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.28.2.3 Algemene regels
Artikel 4.518 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.519 Meldplicht
Het is verboden om een sluis te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.28.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.520 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.521 Vergunningplicht waterkering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een overige waterkering, de zone waterstaatswerk van een zomerkade, de beschermingszone van een primaire waterkering, de beschermingszone van een regionale waterkering, de beschermingszone van een overige waterkering of de beschermingszone van een zomerkade.
Artikel 4.522 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de sluis een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te verwijderen, als de sluis zich in een vaarweg bevindt.
Paragraaf 4.28.3 Sluis vervangen
Subparagraaf 4.28.3.1 Algemeen
Artikel 4.523 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een sluis.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de sluis.
Artikel 4.524 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van het werk, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de werkzaamheden zijn ontstaan, worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de werkzaamheden het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van het werk gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het vervangen van een sluis geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken;
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
k.de sluis geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.525 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.28.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.526 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het vervangen van een sluis wordt voldaan aan de artikelen 4.529eerste lid en 4.530, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe sluis identiek zijn aan de specificaties van de bestaande sluis.
Artikel 4.527 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een sluis in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.529 tweede lid en 4.530, als:
a.de te vervangen sluis geen onderdeel van de waterkering is; en
b.de te vervangen sluis:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
2Bij het vervangen van een sluis in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.529 tweede lid en 4.530, als de te vervangen sluis geen onderdeel van de waterkering is.
Artikel 4.528 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een sluis in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.529 derde lid en 4.530, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.28.3.3 Algemene regels
Artikel 4.529 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de sluis kan ontstaan;
b.voorkomen wordt dat boven- of benedenstrooms van de sluis erosie of uitspoeling optreedt;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen;
e.de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
f.tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om het waterpeil te waarborgen.
2De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.530 Meldplicht
Het is verboden om een sluis te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.28.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.531 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe sluis niet identiek zijn aan de specificaties van de bestaande sluis.
Artikel 4.532 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de te vervangen sluis onderdeel van de waterkering is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de te vervangen sluis geen onderdeel van de waterkering is;
b.de te vervangen sluis een fundering heeft; en
c.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als de te vervangen sluis onderdeel van de waterkering is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering als:
a.de te vervangen sluis een fundering heeft;
b.de fundering van de te vervangen sluis wordt aangepast;
c.de te vervangen sluis gefundeerd is op palen; en
d.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.533 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen uit een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de sluis een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een sluis te vervangen, als de specificaties van de nieuwe sluis, die van belang zijn voor de vaarweg, niet identiek zijn aan de specificaties van de bestaande sluis.
Afdeling 4.29 Peilscheiding
Paragraaf 4.29.1 Peilscheiding aanleggen
Subparagraaf 4.29.1.1 Algemeen
Artikel 4.534 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een peilscheiding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de peilscheiding; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de peilscheiding.
Artikel 4.535 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
k.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
l.de peilscheiding geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.536 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.29.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.537 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het aanleggen van een peilscheiding in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.540 eerste lid en 4.541, als:
a.het in een binnensloot wordt aangelegd; en
b.het een peilscheiding betreft conform het geldende peilbesluit.
Artikel 4.538 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het aanleggen van een peilscheiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.540 derde lid en 4.542, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot; en
b.onderdelen van de peilscheiding worden niet aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
2Bij het aanleggen van een peilscheiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.540 tweede lid, als het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam.
Artikel 4.539 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.540 vierde lid en 4.542, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.29.1.3 Algemene regels
Artikel 4.540 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de peilscheiding kan ontstaan;
b.de peilscheiding krijgt en behoudt een hoogte van minimaal 0,60 meter boven het hoogst opgenomen peil in het peilbesluit of is minimaal gelijk aan de hoogte van het aangrenzende maaiveld;
c.indien de peilscheiding wordt uitgevoerd als dichte dam, is deze dam niet breder dan strikt noodzakelijk voor de peilscheidende functie; en
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden.
2De volgende voorschriften gelden:
a.aanvulling vindt plaats conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij het aanleggen van de peilscheiding wordt een eventuele sliblaag eerst verwijderd voordat de peilscheiding wordt aangelegd; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel.
4De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.541 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden aan de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.542 Meldplicht
Het is verboden om een peilscheiding aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.29.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.543 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een tertiaire watergang, als de peilscheiding niet in een binnensloot wordt aangelegd.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
a.het in een binnensloot wordt aangelegd; en
b.het niet een peilscheiding betreft conform het geldende peilbesluit.
Artikel 4.544 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk zomerkade, als het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot; en
b.onderdelen van de peilscheiding worden aangelegd op de kruin of het talud van de waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot;
b.het schot wordt gefundeerd op palen; en
c.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam; en
b.de dam binnen het dijklichaam wordt aangelegd.
Artikel 4.545 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de peilscheiding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn.
Paragraaf 4.29.2 Peilscheiding verwijderen
Subparagraaf 4.29.2.1 Algemeen
Artikel 4.546 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een peilscheiding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de peilscheiding; en
b.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de peilscheiding.
Artikel 4.547 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het verwijderen van een peilscheiding geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.548 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.29.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.549 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het verwijderen van een peilscheiding in de vorm van een schot in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.551 derde lid en 4.552, als de funderingspalen van het te verwijderen schot in of voorbij de eerste vaste zandlaag staan.
2Bij het verwijderen van een peilscheiding in de vorm van een schot in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.551 eerste lid en 4.553, als er geen onderdelen van het schot worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
3Bij het verwijderen van een peilscheiding in de vorm van een dam in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 4.552.
Artikel 4.550 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.551 tweede lid en 4.553, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.29.2.3 Algemene regels
Artikel 4.551 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de peilscheiding wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen peilscheiding wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen peilscheiding.
Artikel 4.552 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.553 Meldplicht
Het is verboden om een peilscheiding te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden. Bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.29.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.554 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.555 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding in de vorm van een schot te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding in de vorm van een schot te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er onderdelen van het schot worden verwijderd in de kruin of taluds van de waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding in de vorm van een schot te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding in de vorm van een dam te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding in de vorm van een dam te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.556 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de peilscheiding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.29.3 Peilscheiding vervangen
Subparagraaf 4.29.3.1 Algemeen
Artikel 4.557 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een peilscheiding.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de peilscheiding.
Artikel 4.558 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
j.het vervangen van een peilscheiding geen wateroverlast of waterschaarste veroorzaakt; en
k.indien er een krooshek of drijfbalk geplaatst wordt, deze vispasseerbaar is, waarbij de krooshekken onder water een spijlafstand van minimaal 8 cm hebben.
Artikel 4.559 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.29.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.559a Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het vervangen van een peilscheiding wordt voldaan aan de artikelen 4.562 tweede lid en 4.563, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe peilscheiding identiek zijn aan de specificaties van de bestaande peilscheiding.
Artikel 4.560 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Vervallen
2Bij het vervangen van een peilscheiding in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, wordt voldaan aan de artikelen 4.562 derde lid en 4.563, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot;
b.de te vervangen peilscheiding geen onderdeel is van de waterkering; en
c.de te vervangen peilscheiding:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
3Bij het vervangen van een peilscheiding in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.562 derde lid en 4.563, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot; en
b.de te vervangen peilscheiding geen onderdeel van de waterkering is.
4Bij het vervangen van een peilscheiding in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.562 derde lid, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam; en
b.de te vervangen peilscheiding geen onderdeel van de waterkering is.
Artikel 4.561 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.562 eerste lid en 4.563, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.29.3.3 Algemene regels
Artikel 4.562 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de peilscheiding kan ontstaan;
b.de peilscheiding krijgt en behoudt een hoogte van minimaal 0,60 meter boven het hoogst opgenomen peil in het peilbesluit of is minimaal gelijk aan de hoogte van het aangrenzende maaiveld;
c.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
d.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen;
e.de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
f.tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven. Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om het waterpeil te waarborgen.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.563 Meldplicht
Het is verboden om een peilscheiding te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden. Bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.29.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.564 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe peilscheiding niet identiek zijn aan de specificaties van de bestaande peilscheiding.
Artikel 4.565 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot; en
b.de te vervangen peilscheiding onderdeel van de waterkering is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot;
b.de te vervangen peilscheiding geen onderdeel van de waterkering is;
c.de te vervangen peilscheiding een fundering heeft; en
d.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot; en
b.de te vervangen peilscheiding onderdeel van de waterkering is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een schot;
b.de te vervangen peilscheiding een fundering heeft;
c.de fundering van de vervangen peilscheiding wordt aangepast;
d.de te vervangen peilscheiding gefundeerd is op palen; en
e.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam; en
b.de te vervangen peilscheiding onderdeel van de waterkering is.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam;
b.de te vervangen peilscheiding geen onderdeel van de waterkering is; en
c.de te vervangen peilscheiding binnen het dijklichaam ligt.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam; en
b.de te vervangen peilscheiding onderdeel van de waterkering is.
8Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als:
a.het gaat om een peilscheiding in de vorm van een dam; en
b.de te vervangen peilscheiding onderdeel van de waterkering is.
Artikel 4.566 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een peilscheiding te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de peilscheiding een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.30 Afsluitbare duiker
Paragraaf 4.30.1 Afsluitbare duiker aanleggen
Subparagraaf 4.30.1.1 Algemeen
Artikel 4.567 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een afsluitbare duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de afsluitbare duiker;
b.verlengen van de afsluitbare duiker; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.568 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
b.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
c.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
d.er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergang door het waterschap niet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
e.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
f.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
g.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
h.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
i.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
j.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
k.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
l.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
m.de afsluitbare duiker geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.569 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.30.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.570 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het aanleggen van een afsluitbare duiker in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.572 eerste lid en 4.573, als:
a.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden;
b.de diameter van de duiker maximaal 110 mm is;
c.de buitenzijde afsluitbaar is met een goed functionerende afsluiter; en
d.deze via een persing wordt aangelegd.
Artikel 4.571 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.572 tweede lid en 4.573, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.30.1.3 Algemene regels
Artikel 4.572 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
c.als materiaal voor de afsluitbare duiker wordt geen PVC toegepast; en
d.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.573 Meldplicht
Het is verboden om een afsluitbare duiker aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.30.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.574 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
Artikel 4.575 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
a.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de diameter van de duiker groter is dan 110 mm;
b.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de duiker aan de buitenzijde niet afsluitbaar is met een goed functionerende afsluiter;
c.de binnen- en buitenzijde van de waterkering met elkaar wordt verbonden en de duiker niet via een persing wordt aangelegd; of
d.de binnen- en buitenzijde van de waterkering niet met elkaar wordt verbonden.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de duiker gefundeerd wordt op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.576 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van een afsluitbare duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.30.2 Afsluitbare duiker verwijderen
Subparagraaf 4.30.2.1 Algemeen
Artikel 4.577 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een afsluitbare duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de afsluitbare duiker;
b.inkorten van de afsluitbare duiker; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.578 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het verwijderen van een afsluitbare duiker geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.579 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.30.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.580 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het verwijderen van een afsluitbare duiker uit een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.583 eerste lid en 4.584, als het een inlaatduiker betreft die alleen van belang is voor de waterhuishouding op de eigen percelen.
Artikel 4.581 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het verwijderen van een afsluitbare duiker in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.583 derde lid en 4.584, als de funderingspalen van de te verwijderen afsluitbare duiker in of voorbij de eerste vaste zandlaag staan.
Artikel 4.582 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.583 tweede lid en 4.585, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.30.2.3 Algemene regels
Artikel 4.583 Algemene regel
1Het volgende voorschrift geldt: de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.de afsluitbare duiker wordt in zijn geheel verwijderd inclusief de fundering, met uitzondering van de funderingspalen;
b.de funderingspalen worden tot 1 m onder maaiveld verwijderd; en
c.het maaiveld ter plaatse van de te verwijderen afsluitbare duiker wordt zodanig afgewerkt dat het aansluit op het bestaande maaiveld aan weerszijden van de te verwijderen afsluitbare duiker.
Artikel 4.584 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.585 Meldplicht
Het is verboden om een afsluitbare duiker te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.30.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.586 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen uit een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang, als het een inlaatduiker betreft die van belang is voor de waterhuishouding op andere percelen dan waar de inlaatduiker gelegen is.
Artikel 4.587 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
Artikel 4.588 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen n een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de afsluitbare duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.30.3 Afsluitbare duiker vervangen
Subparagraaf 4.30.3.1 Algemeen
Artikel 4.589 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een afsluitbare duiker.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.590 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het vervangen van een afsluitbare duiker geen wateroverlast of waterschaarste veroorzaakt;
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden; en
k.de afsluitbare duiker geen belemmering vormt voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Artikel 4.591 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.30.3.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.592 Aanwijzing algemene regels watergang
Bij het vervangen van een afsluitbare duiker wordt voldaan aan de artikelen 4.595eerste lid en 4.596, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe afsluitbare duiker identiek zijn aan de specificaties van de bestaande afsluitbare duiker.
Artikel 4.593 Aanwijzing algemene regels waterkering
1Bij het vervangen van een afsluitbare duiker in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 4.595 derde lid en 4.596, als:
a.de te vervangen afsluitbare duiker geen onderdeel van de waterkering is; en
b.de te vervangen afsluitbare duiker:
1°. geen fundering heeft; of
2°. wel een fundering heeft die niet wordt aangepast.
2Bij het vervangen van een afsluitbare duiker in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.595 derde lid en 4.596, als de te vervangen afsluitbare duiker geen onderdeel is van de waterkering.
Artikel 4.594 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het vervangen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.595 tweede lid en 4.596, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.30.3.3 Algemene regels
Artikel 4.595 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de afsluitbare duiker kan ontstaan;
b.voorkomen wordt dat boven- of benedenstrooms van het kunstwerk erosie of uitspoeling optreedt;
c.afsluitbare duikers zijn tenminste aan de hoogwaterzijde voorzien van een voor het doel geschikte spindelafsluiter, die zo is geconstrueerd dat deze niet door onbevoegden kan worden bediend;
d.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
e.de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd;
f.de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
g.tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
3De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Artikel 4.596 Meldplicht
Het is verboden om een afsluitbare duiker te vervangen zonder dit tenminste twee weken voor het begin van de werkzaamheden te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.30.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.597 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen, als de specificaties, die van belang zijn voor de waterhuishouding, van de nieuwe afsluitbare duiker niet identiek zijn aan de specificaties van de bestaande afsluitbare duiker.
Artikel 4.598 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als de te vervangen afsluitbare duiker onderdeel van de waterkering is.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.de te vervangen afsluitbare duiker geen onderdeel van de waterkering is;
b.de te vervangen afsluitbare duiker een fundering heeft; en
c.deze fundering wordt aangepast.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in de zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering, als de te vervangen afsluitbare duiker onderdeel van de waterkering is.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen binnen het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering als:
a.de te vervangen afsluitbare duiker een fundering heeft;
b.de fundering van de te vervangen afsluitbare duiker wordt aangepast;
c.de te vervangen afsluitbare duiker gefundeerd is op palen; en
d.de diepte van de palen reikt tot in de eerste vaste zandlaag of onder de eerste vaste zandlaag.
Artikel 4.599 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een afsluitbare duiker te vervangen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het vervangen van de afsluitbare duiker een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.31 Vispassage
Paragraaf 4.31.1 Vispassage aanleggen
Subparagraaf 4.31.1.1 Algemeen
Artikel 4.600 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een vispassage.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de vispassage;
b.vervangen van de vispassage; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de vispassage.
Artikel 4.601 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling; en
k.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.602 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.31.1.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.603 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het aanleggen van een vispassage in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.605 eerste lid en 4.606, als er geen onderdelen van de vispassage op de kruin of talud van de waterkering worden aangelegd.
Artikel 4.604 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het aanleggen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.605 tweede lid en 4.606, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.31.1.3 Algemene regels
Artikel 4.605 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.606 Meldplicht
Het is verboden om een vispassage aan te leggen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.31.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.607 Vergunningplicht watergang
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een primaire watergang, een secundaire watergang of een tertiaire watergang.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen, als de vispassage in de beschermingszone K van een peilregelend of in de beschermingszone K van een peilscheidend kunstwerk wordt aangelegd.
Artikel 4.608 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de vispassage gefundeerd wordt op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als onderdelen van de vispassage op de kruin of het talud van de waterkering worden aangelegd.
Artikel 4.609 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het aanleggen van de vispassage een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage aan te leggen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.31.2 Vispassage verwijderen
Subparagraaf 4.31.2.1 Algemeen
Artikel 4.610 Toepassingsbereik
1Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een vispassage.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
a.verplaatsen van de vispassage;
b.vervangen van de vispassage; en
c.uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de vispassage.
Artikel 4.611 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.het verwijderen van een gemaal geen wateroverlast of waterschaarste mag veroorzaken; en
j.wordt voorkomen dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden.
Artikel 4.612 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze paragraaf een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Subparagraaf 4.31.2.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.613 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het verwijderen van een vispassage in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of binnen een zone niet verheelde overige regionale waterkering wordt aan de artikelen 4.615 eerste lid en 4.616, als er geen onderdelen van de vispassage worden verwijderd op de kruin of het talud van de waterkering.
Artikel 4.614 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het verwijderen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.615 tweede lid en 4.616, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Subparagraaf 4.31.2.3 Algemene regels
Artikel 4.615 Algemene regel
1De volgende voorschriften gelden:
a.alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
b.bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
c.direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
2De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.616 Meldplicht
Het is verboden om een vispassage te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Subparagraaf 4.31.2.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.617 Vergunningplicht watergang
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een visspassage te verwijderen.
Artikel 4.618 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering, als:
a.de vispassage gefundeerd is op palen; en
b.de palen een diepte hebben die reikt tot:
1°. in de eerste vaste zandlaag; of
2°. onder de eerste vaste zandlaag.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als er onderdelen van de vispassage worden verwijderd op de kruin of het talud van de waterkering.
Artikel 4.619 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een vispassage te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van de vispassage een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Afdeling 4.32 Seismisch onderzoek uitvoeren
Paragraaf 4.32.1 Algemeen
Artikel 4.620 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van seismisch onderzoek.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het uitvoeren van het seismisch onderzoek.
Artikel 4.621 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.622 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.32.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.623 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het uitvoeren van seismisch onderzoek in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.624 en 4.625, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.32.3 Algemene regels
Artikel 4.624 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.625 Meldplicht
Het is verboden om seismisch onderzoek uit te voeren zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.32.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.626 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning seismisch onderzoek uit te voeren in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning seismisch onderzoek uit te voeren in de beschermingszone van een primaire waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering of de beschermingszone van een zomerkade.
Artikel 4.627 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het uitvoeren van het seismisch onderzoek een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een seismisch onderzoek uit te voeren in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Afdeling 4.33 Explosiegevaarlijk materiaal opslaan
Paragraaf 4.33.1 Algemeen
Artikel 4.628 Toepassingsbereik
1Deze afdeling is van toepassing op het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal.
2Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal.
Artikel 4.629 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
a.de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
b.de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
c.eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
d.eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
e.de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
f.indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
g.voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering;
h.na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
i.de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd; en
j.de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling.
Artikel 4.630 Voorrangsbepaling
1Als er voor de activiteit in deze afdeling een informatieplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een meldplicht is aangewezen.
2Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.
3Als er voor de activiteit in deze afdeling een algemene regel, een informatieplicht, een meldplicht of vergunningplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Paragraaf 4.33.2 Aanwijzing algemene regels
Artikel 4.631 Aanwijzing algemene regels waterkering
Bij het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.634, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank bovengronds wordt geplaatst.
Artikel 4.632 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Bij het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.633 en 4.635, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
d.voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Paragraaf 4.33.3 Algemene regels
Artikel 4.633 Algemene regel
De volgende voorschriften gelden:
a.de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
b.aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
c.beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
d.de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
e.de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
Artikel 4.634 Informatieplicht
Voor het begin van de activiteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit artikelen 1.11 en 4.2.
Artikel 4.635 Meldplicht
Het is verboden om explosiegevaarlijk materiaal op te slaan zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
Paragraaf 4.33.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 4.636 Vergunningplicht waterkering
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank bovengronds wordt geplaatst.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank ondergronds wordt geplaatst.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de beschermingszone van een primaire waterkering, als:
a.een gastank wordt geplaatst die niet gebruikt wordt voor een woning of de land- en tuinbouw; of
b.het niet gaat om een gastank.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of in de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank bovengronds wordt geplaatst.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de beschermingszone van een zomerkade, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank ondergronds wordt geplaatst.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de beschermingszone van een zomerkade, als een gastank wordt geplaatst die niet gebruikt wordt voor een woning of de land- en tuinbouw.
Artikel 4.637 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
1Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
2Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang.
3Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang; en
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
4Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
5Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
6Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een natuurvriendelijke oever, als:
a.er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
b.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
1°. een watergang met beschermingszone A; of
2°. het doorstroomprofiel van de watergang;
c.compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
d.er voorafgaand of gelijktijdig met het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
e.de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
7Het is verboden om zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
a.wordt versmald;
b.wordt verondiept;
c.een beperkte doorvaarthoogte krijgt; of
d.belemmerd wordt voor de doorvaart.
Paragraaf 4.33.5 Algeheel verbod
Artikel 4.638 Algeheel verbod
1Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank ondergronds wordt geplaatst.
2Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
a.een gastank wordt geplaatst die niet gebruikt wordt voor een woning of de land- en tuinbouw; of
b.het niet gaat om een gastank.
3Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering.
4Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
a.een gastank wordt geplaatst voor het gebruik in een woning of de land- en tuinbouw; en
b.de gastank ondergronds wordt geplaatst.
5Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als een gastank wordt geplaatst die niet gebruikt wordt voor een woning of de land- en tuinbouw.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 5.1 Overgangsbepalingen
Artikel 5.1 Overgangsrecht algemeen
1Een melding of kennisgeving van een activiteit die gedaan is voor inwerkingtreding van deze verordening geldt als een melding op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een meldplicht van toepassing is.
2Met een melding of kennisgeving van een activiteit die gedaan is voor inwerkingtreding van deze verordening is voldaan aan een informatieplicht op grond van deze verordening als er voor die activiteit in deze verordening een informatieplicht van toepassing is.
3Een omgevingsvergunning voor een activiteit die onherroepelijk is en waarvoor op grond van deze verordening geen vergunningplicht bestaat, geldt als een melding als er voor die activiteit een melding is vereist op grond van deze verordening.
4Een omgevingsvergunning voor een activiteit die onherroepelijk is en waarvoor op grond van deze verordening geen vergunningplicht bestaat, geldt als het voldoen aan een informatieplicht als er voor die activiteit in deze verordening een informatieplicht van toepassing is.
5Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de regels die golden voor inwerkingtreding van deze verordening en dat onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.
6Een melding van een activiteit die gedaan is voor inwerkingtreding van deze verordening, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een vergunningplicht van toepassing is.
Artikel 5.2 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
1Dit artikel is van toepassing op handhavingsbesluiten anders dan bedoeld in paragraaf 4.2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde en voor de inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor de handhaving van een overtreding of dreigende overtreding van de regels bij of krachtens de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a.de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;
b.de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of
c.als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd;
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
3°. de last is opgeheven.
Afdeling 5.2 Slotbepalingen
Artikel 5.3 Inwerkingtreding
1Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
2Indien de Omgevingswet na 1 januari 2024 in werking treedt, is het eerste lid niet van toepassing en treedt deze verordening in werking op een door het dagelijks bestuur van het waterschap te bepalen tijdstip.
Artikel 5.4 Citeertitel
Deze verordening noemen we: Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
Bijlage I Begripsbepalingen
aangewezen oppervlaktewaterlichaam
een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
algemeen bestuur
het hoogste vertegenwoordigende orgaan van het waterschap, zoals bedoeld in de Waterschapswet.
aquathermie
de verzamelnaam voor duurzaam verwarmen en koelen met warmte en koude uit water.
aquatisch ecosysteem
een gemeenschap bestaande uit groepen van organismen en abiotische elementen in een bepaald water.
beheersmaatregel
een maatregel die zich richt op het elimineren, vermijden of verkleinen van de oorzaak of het gevolg van een ongewenste gebeurtenis.
bemaling
het actief beheersen van het peil van grondwater of oppervlaktewater met bijvoorbeeld een pomp of gemaal.
beschermingszone
een aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.
beschoeiing
een constructie veelal van staal of hout, die een oever of waterkant beschermt tegen afkalven, golven en andere invloeden die de stabiliteit van de waterkant in gevaar brengen.
binnenberm
een verbreding aan de binnendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om zandmeevoerende wellen te voorkomen.
binnendijks
aan de polderzijde van de waterkering gelegen.
binnensloot
een sloot gelegen binnen één kadastraal perceel of tussen twee aan elkaar grenzende kadastrale percelen van één eigenaar.
binnentalud
het hellend vlak van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk.
boogboring met bentoniet
een boogboring waarbij bentoniet door de snijkop spuit om de boorgang open te houden.
boorstaat
een boorstaat is een log of beschrijving van een boring, met onder andere diepte, grondsoort, kleur en specifieke waarnemingen.
dagelijks bestuur
dagelijks bestuur van het waterschap, zoals bedoeld in de Waterschapswet.
damwand
een verticale grond- en/of waterkerende constructie, die bestaat uit een rij losse de grond in gedreven wandelementen die door middel van een gronddichte en in sommige gevallen ook waterdichte messing-en-groefverbinding met elkaar zijn verbonden.
deklaag
een vaak slecht doorlatende bodemlaag die zich bevindt aan het maaiveld.
dijklichaam
een waterkerende constructie die bestaat uit de kruin met aan weerszijde taluds, met inbegrip van eventuele bermen en 5 meter vlak aan weerzijden (of tot aan de bodem van een naastliggende watergang).
doorstroomprofiel
de onder de waterspiegel gelegen dwarsdoorsnede van een watergang.
droge sloot
een deel van het oppervlaktewaterlichaam dat een deel van het jaar niet watervoerend is, maar wel belangrijk kan zijn voor de waterhuishouding.
dämmer
een dikke vloeibare stof die wordt gebruikt om leidingen van een relatief kleine diameter over de gehele lengte te vullen, waardoor deze blijvend flexibel en waterdicht is.
eerste vaste zandlaag
de bovenste draagkrachtige laag waar de fundering op rust.
eerste watervoerend pakket
de eerste bodemlaag vanaf het aardoppervlak (vaak opgebouwd uit zand en/of grind), waarin het grondwater zich relatief gemakkelijk kan verplaatsen en die aan de bovenzijde begrensd wordt door een mogelijk slecht doorlatende laag met een vrije waterspiegel en aan de onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag.
erosiebestendige bekleding
de afdekking van een grondlichaam, bijvoorbeeld gras of steen, ter voorkoming van uitspoeling van grond.
fauna-uitstapplaats
een voorziening langs een steile oever van een waterweg, waar (te water geraakte) dieren aan land kunnen komen.
flauwe oever
een oever met een geleidelijk oplopend talud van de watergang naar het land.
funderingscunet
een uitgegraven gedeelte in een niet draagkrachtige grondlaag, voor de aanleg van een fundering.
fysisch-chemische waterkwaliteit
de kwaliteit van het water uitgedrukt in fysische en chemische eigenschappen.
gesloten dijkperiode
de periode van 1 oktober tot 1 april.
gesloten TEO-systeem
een systeem dat warmte uit oppervlaktewater haalt door middel van een warmtewisselaar die in direct contact met het oppervlaktewater is geplaatst.
gestuurde boring
een sleufloze boortechniek voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur.
geïsoleerde watergang
een op zichzelf staande watergang die niet is verbonden met het oppervlaktewatersysteem.
GHG
de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand, bepaald aan de hand van in peilbuis gemeten stijghoogtes ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
GLG
de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand, bepaald aan de hand van in peilbuis gemeten stijghoogtes ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
grondwatergevoelig natuurgebied
een natuurgebied dat door het waterschap als grondwatergevoelig is aangemerkt.
HAS-kast
een kast met een hoge druk aansluitset voor gasleverantie aan huishoudens en dergelijke.
hoogwatervoorziening
een gebied rond bebouwing waarvan in het peilbesluit is aangegeven dat ten behoeve van de bescherming van de fundering het oppervlaktewaterpeil op een hoger peil wordt gehouden dan het omringende gebied.
inerte goederen
goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn of bevatten.
inkassing
een trapsgewijze afgraving die nodig is om een aan te brengen grondlichaam goed te laten hechten aan een bestaand grondlichaam.
insteek
de snijlijn van het talud van een oppervlaktewaterlichaam met het maaiveld.
insteekhaven
een plaatselijke verbreding van een watergang die de doorgaande oeverlijn onderbreekt, aangelegd ten behoeve van het afmeren van een vaartuig.
interceptiebemaling
een grondwaterbemaling in of direct naast een verontreinigingsvlek om verplaatsing van de vlek, ten gevolgen van een andere bemaling, tegen te gaan.
inundatie
het met opzet onder water zetten van land.
inwonerequivalent
een maat voor de belasting van het afvalwater met organische bestanddelen die een inwoner gemiddeld per dag produceert.
kanosteiger
een steiger die bedoeld is om een of meerdere kano’s aan te meren.
kerende hoogte
de hoogte die een kunstwerk of waterkering moet hebben. Deze hoogte is bepaald door de eis ten aanzien van overlopen en golfoverslag.
kernzone
het centrale gedeelte van een watergang dat als zodanig in de legger is aangegeven, gemeten van insteek tot insteek.
koelwater
water waarmee iets gekoeld wordt.
koelwatersysteem
een systeem dat water gebruikt om te koelen.
koudevracht
een maat voor het afkoelend vermogen van het te lozen water.
het kritische punt van de bouwput
het kritische punt van een bemaling, is het punt in een bouwput waar, met de aangelegde bemaling, de kleinste verlaging behaald kan worden.
kruin
het hoogste punt in het dwarsprofiel van het dijklichaam.
KRW-oppervlaktewaterlichaam
een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2, onder 10, van de Kaderrichtlijn Water.
kunstwerk
een civieltechnische constructie voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt.
kwel
het water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt.
kwetsbaar-water
een water dat bijzondere bescherming behoeft en door HDSR als zodanig is aangeduid.
kwetsbare bebouwing
de bebouwing die gevoelig is voor schade door zetting van de bodem onder andere ten gevolge van verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte van dieper gelegen grondwater door een grondwateronttrekking.
leggerprofiel
het profiel van een waterstaatswerk zoals dat is vastgelegd in de profielenlegger.
maaiveld
de hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen.
maalstop
de situatie waarbij het water uit een of meer polders niet meer naar de boezem wordt gepompt, doordat er een of meer poldergemalen zijn stopgezet.
natuurvriendelijke oever
een oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen.
NEN 6600-1
NEN 6600-1:2019 nl - Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater
NEN 6646
NEN 6646/C1:2015 nl - Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat
NEN 6966
NEN 6966:2005/C1:2006 nl - Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-emissie-spectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES)
NEN-EN 12566-1
NEN-EN 12566-1:2016 en - Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks
NEN-EN 13284-1
NEN-EN 13284-1:2017 en - Emissies van stationaire bronnen - Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties - Deel 1: Manuele gravimetrische methode
NEN-EN 872
NEN-EN 872:2005 en - Water - Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen - Methode door filtratie over glasvezelfilters
NEN-EN-ISO 10301
NEN-EN-ISO 10301:1997 en - Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden
NEN-EN-ISO 11732
NEN-EN-ISO 11732:2005 en - Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie
NEN-EN-ISO 11885
NEN-EN-ISO 11885:2009 en - Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES)
NEN-EN-ISO 12846
NEN-EN-ISO 12846:2012 en - Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;:
NEN-EN-ISO 13395
NEN-EN-ISO 13395:1997 nl - Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie
NEN-EN-ISO 14688-1
NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl - Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving
NEN-EN-ISO 15587-1
NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en - Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting
NEN-EN-ISO 15587-2
NEN-EN-ISO 15587-2:2002 en - Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur
NEN-EN-ISO 15680
NEN-EN-ISO 15680:2003 en - Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie
NEN-EN-ISO 15681-1
NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en - Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA)
NEN-EN-ISO 15681-2
NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en - Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA)
NEN-EN-ISO 15682
NEN-EN-ISO 15682:2001 en - Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie
NEN-EN-ISO 17294-2
NEN-EN-ISO 17294-2:2016 en - Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uraniumisotopen
NEN-EN-ISO 17852
NEN-EN-ISO 17852:2008 en - Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie
NEN-EN-ISO 17993
NEN-EN-ISO 17993:2004 en - Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie
NEN-EN-ISO 5667-3
NEN-EN-ISO 5667-3:2018 en - Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters
NEN-EN-ISO 5815-1
NEN-EN-ISO 5815-1:2019 en - Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2
NEN-EN-ISO 5815-2:2003 en - Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters
NEN-EN-ISO 6878
NEN-EN-ISO 6878:2004 en - Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode
NEN-EN-ISO 9377-2
NEN-EN-ISO 9377-2:2000 en - Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie
NEN-ISO 15705
NEN-ISO 15705:2003 en - Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode
NEN-ISO 15923-1
NEN-ISO 15923-1:2013 en - Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat
NEN-ISO 5663
NEN-ISO 5663:1993 en - Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen
niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
een oppervlaktewaterlichaam dat niet aangewezen en begrensd is in bijlage II van de waterschapsverordening.
onderbemaling
als door middel van een werk (bijvoorbeeld een pomp of schuif) een lager peil wordt gehandhaafd dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.
onderhoudslegger
de legger bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, waarin voor delen van een waterstaatswerk een onderhoudsplichtige en een of meerdere onderhoudsplichten worden aangewezen.
onderhoudspad
een pad of strook grond gelegen langs een waterstaatswerk ten behoeve van beheerdoeleinden.
onderhoudsroute
de route die onderhoudsvoertuigen kunnen gebruiken om vanaf de kant het watersysteem te onderhouden.
onderhoudsvaarwater
een onderhoudsvaarwater dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
onderwaterdrainage
het met behulp van drainagebuizen kunstmatig ontwateren van de bodem, of brengen van oppervlaktewater in de bodem. De drainagebuizen liggen onder het winterpeil maar boven het zomerpeil, waardoor in de winterperiode de drainagebuizen draineren en in de zomerperiode de drainagebuizen oppervlaktewater in de bodem brengen.
onttrekkingsfilter
een buis of pijp die op bepaalde gedeelten op en bepaalde manier is geperforeerd om het onttrekken van grondwater mogelijk te maken.
opbarsten
het bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken.
open bemaling
een vorm van bronnering voor de afvoer van vrij uit taluds en putbodem toestromend water en hemelwater door greppels of putten te graven in een bouwput tot een plaatselijk verdiept gedeelte, de pompput, waaruit het water kan worden weggepompt.
open TEO-systeem
een systeem dat oppervlaktewater inneemt, hier de warmte uithaalt en het vervolgens loost op het oppervlaktewater.
opmaling
het door middel van een werk (pomp, inlaat, stuw e.d.) handhaven van een hoger peil dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.
oppervlaktewater
het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water zoals sloten, rivieren, kanalen, plassen en meren.
opstuwing
een peilstijging als gevolg van verminderde doorstroming.
overige waterkering
een categorie waterkeringen, niet zijnde primaire waterkeringen, regionale waterkeringen of zomerkades.
peilafwijking
een afwijking van de waterstanden in het peilbesluit waarvoor door het waterschap een vergunning is afgegeven of die als zodanig in het peilbesluit zijn opgenomen.
peilbeheer
het vaststellen en handhaven van het waterpeil in rivieren, beken en sloten.
peilbesluit
een bestuurlijk besluit met betrekking tot de te handhaven waterhoogte in watergangen.
peilregelend kunstwerk
een ondersteunend kunstwerk voor het regelen van het waterpeil.
peilscheidend kunstwerk
een ondersteunend kunstwerk om twee peilgebieden van elkaar te scheiden.
piping
de lekstroom onder een constructie door.
plasberm
een natte oeverstrook die langs een watergang wordt aangelegd.
polderpeil
het reglementair vastgestelde waterpeil in een polder dat door de beherende instantie wordt nagestreefd.
primaire watergang
een primaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
profiel van vrije ruimte
de vrij te houden ruimte voor het blijvend kunnen realiseren van de waterkerende functie van een kering voor in het heden en de toekomst.
profielenlegger
de legger bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, waarin wordt beschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen.
protocol 2001
het geldende protocol 2001 voor het plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, zoals opgesteld door het SIKB.
protocol 2101
het geldende protocol 2101 voor het mechanisch boren, zoals opgesteld door het SIKB.
referentielijn
lijnvormige representatie die als referentie voor de locatie van een object wordt gehanteerd.
regionale waterkering
een waterkering die is aangewezen op grond van een provinciale verordening en is opgenomen in de legger van het waterschap.
rijksdriehoeksstelsel
een projectiemethode (coördinatenstelsel) gebaseerd op de Bessel 1841 ellipsoïde met als datumpunt Amersfoort.
scheidende laag
een bodemlaag tussen twee watervoerende pakketten waar grondwater moeilijk of niet doorheen stroomt.
schermbemaling
een retourbemaling van onttrokken grondwater tussen de grondwateronttrekking en een verontreiniging, om verplaatsing van deze verontreiniging te beperken.
schutkoker
een bovengrondse koker ter bescherming van een peilbuis.
secundaire watergang
een secundaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
septic tank
een ondergrondse opslagtank voor afval(water) van huizen die niet aangesloten zijn op een riool.
sleufbemaling
een bemaling om sleuven droog te leggen voor de aanleg van bijvoorbeeld rioleringen of transportleidingen.
slootwaaier
een waaiervormig hekwerk bij een sloot.
steiger
een constructie langs of boven het water.
stijghoogte
het potentiele peil van het wateroppervlak van het grondwater gemeten ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
straatpot
een kleine afsluitbare put in het wegdek waaronder zich bijvoorbeeld een peilbuis bevindt of een afsluiter voor een gasleiding, waterleiding en dergelijke.
talud
een onder helling gelegen vlak.
tertiaire watergang
een tertiaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
retourbemaling
het terugbrengen van onttrokken grondwater in de bodem in hetzelfde watervoerend pakket als waarop het grondwater onttrokken is.
verbindingsduiker
een duiker die uitsluitend tot doel heeft het verbeteren van de waterkwaliteit.
verdroging
alle onbedoelde effecten als gevolg van daling van de grondwaterstand op bos, natuur en landschap, zowel als gevolg van vochttekort als van mineralisatie en verandering in de invloed van kwel en neerslag.
verharde kruin
de bovenkant van een dijklichaam voorzien van verharding.
verheelde waterkering
een waterkering waarbij in de zone van 50 meter breedte, gerekend vanaf de referentiekruinlijn, een strook grond aanwezig is van 12 meter breedte met een hoogte van tenminste 0,20 meter boven de leggerhoogte. Verheelde kades zijn niet altijd in het landschap als waterkering te herkennen.
verlanden
het optreden van verlanding.
verlanding
een proces waarbij ondiepe watergangen door gebrekkig onderhoud langs natuurlijke weg in land veranderen.
vernatting
een verhoging van de grondwaterstand.
warmtevracht
een maat voor het opwarmend vermogen van het te lozen water.
warmtewisselaar
een apparaat voor warmteoverdracht tussen twee media, gas of vloeistof, gescheiden door een warmte geleidende wand.
waterbeheerder
de aangewezen overheidsinstantie die zorgdraagt voor het beheer van watersystemen, zoals opgenomen in de Omgevingswet.
waterbezwaar
de totaal onttrokken of te onttrekken hoeveelheid (grond)water.
waterbezwaarlijkheid
de mate waarin er een kans is op nadelige effecten voor het aquatisch milieu.
waterenergieplan
een ruimtelijk (beleids-)plan waarin de locaties en omvang van de warmtewinningen (koudelozingen) in een gebied van tevoren bepaald worden.
watergang
een langgerekte verlaging in het terrein van natuurlijke of kunstmatige oorsprong die permanent of periodiek stromend water bevat.
waterkerend vermogen
het vermogen om een bepaalde waterdruk als gevolg van hoogwater te weerstaan.
waterkerende constructie
een constructie die tot doel heeft om water te keren.
waterkering
een kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben.
waterlijn
de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het waterpeil met de aangrenzende gronden.
waterspiegel
het grensvlak tussen water en lucht.
watervoerend pakket
een geologische formatie waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt.
wegzijging
de neerwaartse stroming van (grond-)water door een slecht doorlatende laag.
windsingel
een aanplanting van bomen of hagen, gebruikt als windscherm of emissiescherm.
zandbed
het bovenste gedeelte van de aardebaan, waarvan het materiaal aan bepaalde eisen moet voldoen en waarop de verharding rust.
zomerkade
de waterkering langs een rivier die bij lage afvoeren de rivier in het stroomprofiel houdt.
zone waterstaatswerk
deel van de waterkering dat als zodanig in de legger is aangegeven. In de zone waterstaatswerk gelden beperkingen ten aanzien van het gebruik.
Bijlage II Overzicht Informatieobjecten
Beheergebied Oost
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_O_ARK/nld@2024-12-02;1004
Beheergebied West
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_W_ARK/nld@2024-12-02;1004
Beschermingszone A van een watergang
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_A_Onderhoud/nld@2026-08-31;10002
Beschermingszone B van een beschoeiing
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_BZ_B/nld@2023-12-01
Beschermingszone K van een kunstwerk
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_K_Kunstwerk/nld@2026-08-31;10002
Beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_K_Peilregelendkunstwerk/nld@2026-08-31;10002
Beschermingszone niet verheelde overige waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_BZ_nietverh_202505/nld@2025-07-15;10001
Beschermingszone niet verheelde regionale waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_BZ_nietverh_202505/nld@2025-07-10;10001
Beschermingszone overige waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_BZ_202505/nld@2025-07-10;10001
Beschermingszone primaire waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_PK_BZ/nld@2023-12-01
Beschermingszone regionale waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_BZ_202505/nld@2025-07-10;10001
Beschermingszone zomerkade
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_ZK_BZ/nld@2023-12-01
Enkele Wiericke en bovenloop Kromme Rijn
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_VW_bKRR_EWI/nld@2023-12-01
Grondwatergevoelig natuurgebied
/join/id/regdata/ws0636/2023/GW_natuur_18B/nld@2023-12-01
Klei op veen- of veengronden
/join/id/regdata/ws0636/2023/BO_VenKopV/nld@2023-12-01
Natuurvriendelijke oever
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_NVO/nld@2023-12-01
Onderhoudsvaarwater
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Onderhoudsvaarwater/nld@2026-08-31;10002
Waterkering langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_OK_ZWW_GHIJ/nld@2023-12-01
Primaire watergang
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Primaire_KZ/nld@2026-08-31;10002
Profiel van vrije ruimte van primaire waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_PK_PVVR/nld@2023-12-01
Secundaire watergang
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Secundaire_KZ/nld@2026-08-31;10002
Tertiaire watergang met geborgde afmetingen
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_TW_geb_afm/nld@2023-12-01
Tertiaire droge sloot
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Tertiaire_Droge_Sloot/nld@2026-08-31;10002
Tertiaire watergang
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Tertiaire_KZ/nld@2026-08-31;10002
Utrechtse Heuvelrug
/join/id/regdata/ws0636/2023/Utrechtse_Heuvelrug/nld@2023-12-01
Vaarweg
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_VW/nld@2023-12-01
Watergang met groot afvoerdebiet
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_GA/nld@2023-12-01
Zone waterstaatswerk niet verheelde overige waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_OK_ZWW_nietverh/nld@2023-12-01
Zone waterstaatswerk niet verheelde regionale waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_RK_ZWW_nietverheeld_202505/nld@2025-07-15;10001
Zone waterstaatswerk overige waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_ZWW_202505/nld@2025-07-10;10001
Zone waterstaatswerk primaire waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_PK_ZWW/nld@2023-12-01
Zone waterstaatswerk regionale waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_ZWW_202505/nld@2025-07-10;10001
Zone waterstaatswerk van een verheelde overige waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_ZWW_verheeld_202505/nld@2025-07-10;10001
Zone waterstaatswerk van een verheelde regionale waterkering
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_RK_ZWW_verheeld_202505/nld@2025-07-15;10001
Zone waterstaatswerk zomerkade
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_ZK_ZWW/nld@2023-12-01
Gebied met een grotere minimale duikerdiameter
/join/id/regdata/ws0636/2023/WG_08T5/nld@2025-07-10;10002
Aangewezen oppervlaktewaterlichaam voor het lozen van warmte of koude
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_Aangew_Thermisch/nld@2025-07-10;10002
Aangewezen oppervlaktewaterlichaam
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Aangewezen/nld@2026-04-14;10001
Bebouwd gebied
/join/id/regdata/ws0636/2025/Rode_contour_Bebouwd_gebied/nld@2025-01-30;10002
Beschermingszone V van een vispassage
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_BZ_V_Vispassage_202510/nld@2026-04-14;10001
Kwetsbare wateren
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_Kwetsbaar_202510/nld@2026-04-14;10001
Geïsoleerd water
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Geisoleerd/nld@2026-04-14;10001
Bijlage III Profielen Waterkeringen
Figuur 3.1 Dijklichaam
Figuur 3.1 Dijklichaam
Link
Uitleg: Schematische weergave van een dijklichaam bij verschillende profielen, al dan niet met een teensloot.
Figuur 3.2 Zone Waterstaatswerk
Figuur 3.2 Zone Waterstaatswerk
Link
Uitleg: Vier varianten van een waterkering waarbij telkens de zone waterstaatswerk is aangegeven.
Figuur 3.3 Begrippen waterkering
Figuur 3.3 Begrippen waterkering
Link
Uitleg: 3D weergave van een waterkering waarin deze begrippen aangegeven zijn: buitenberm, buitenteen, buitentalud, kruin, binnentalud, binnenteen, binnenberm en teemsloot.
Bijlage IV Toepassing van klei binnen de zone waterstaatswerk
Figuur 4.1 Toepassing van klei binnen de zone waterstaatswerk
Figuur 4.1 Toepassing van klei binnen de zone waterstaatswerk
Link
Uitleg: Drie dwarsdoorsneden van een waterkering waarbij is aangegeven waar welke klasse klei toegepast moet worden. De bovenste doorsnede is een primaire waterkering, daaronder een regionale kering met en dan een zonder verharding op de kruin.
Figuur 4.2 Indeling en benaming grondsoorten o.b.v. gehaltes lutum silt en zand
Figuur 4.2 Indeling en benaming grondsoorten o.b.v. gehaltes lutum silt en zand
Link
Uitleg: Indeling en benaming van grondsoorten naar de gehaltes aan lutum, silt en zand conform NEN-EN- ISO-14688.
Figuur 4.3 Eisen klei
Figuur 4.3 Eisen klei
Link
Uitleg: Toelichting over het toepassen van klei binnen de zone waterstaatswerk
Bijlage V Algemene- en artikelsgewijze toelichting
1Inleiding
Deze waterschapsverordening bevat de regels van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen en de zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij HDSR. De waterschapsverordening is gebaseerd op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de volgende regelingen:
de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018;
de Uitvoeringsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018;
de bijlagen bij de keur en uitvoeringsregels (inclusief de keurkaarten); en
de overzichtskaarten, met de zonering van waterstaatswerken en beschermingszones, van de volgende profielenleggers:
de Legger Oppervlaktewateren Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2020;
de Legger van de primaire waterkeringen langs de Neder- Rijn en Lek met de daartoe behorende kunstwerken; en
de Legger van de regionale waterkeringen met de daartoe behorende kunstwerken van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
Deze waterschapsverordening bevat nu ook regels over kwalitatieve lozingen, die voorheen op het niveau van de rijksoverheid werden gereguleerd. Deze regels staan bekend als de bruidsschat. De bruidsschat bevat ook begripsbepalingen, beoordelingsregels, indieningsvereisten en regels over wateronttrekkingsactiviteiten. HDSR heeft ervoor gekozen de bruidsschatregels te integreren in de waterschapsverordening.
Bij het ontwikkelen van de waterschapsverordening is gebruik gemaakt van de Handreiking waterschapsverordening van de Unie van Waterschappen en Het Waterschapshuis (TROWA, 2019).
2Omgevingswet: verbeterdoelen van de stelselherziening
De Omgevingswet maakt onderdeel uit van een complete stelselherziening van het omgevingsrecht. De invoering van de waterschapsverordening van HDSR draagt bij aan de landelijke verbeterdoelen die zijn beoogd met de invoering van de Omgevingswet: een inzichtelijk omgevingsrecht, waarin de leefomgeving centraal staat, waarin ruimte is voor maatwerk en waarin besluitvorming over projecten sneller en beter verloopt.
3Bestuurlijke opdracht
In maart 2020 heeft het algemeen bestuur van het waterschap een aantal uitgangspunten vastgesteld voor het opstellen van de waterschapsverordening. Deze zijn als volgt:
Sturingsfilosofie. De Omgevingswet leidt tot een cultuurverandering. Er zal op onderdelen een verschuiving optreden van een rechtmatige overheid naar een meer netwerkende overheid waarbij ruimte is voor participatie.
Van keur naar waterschapsverordening. De huidige “ja, mits-keur” werkt goed in de praktijk. De keur en uitvoeringsregels zullen als uitgangspunt worden gebruikt voor de waterschapsverordening.
Overgangstermijn. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het waterschap een termijn van 2 jaar om een waterschapsverordening op te stellen die voldoet aan alle juridische en digitale eisen (overgangstermijn). Indien nodig maakt HDSR gebruik van de overgangstermijn.
Bruidsschat en ecologie. HDSR zal de bruidsschat bestaande uit de huidige rijksregels eerst 1:1 over nemen. Onderkend wordt dat aanpassen van de kwaliteitsregels niet kan zonder afstemming met andere netwerkpartners binnen hetzelfde stroomgebied: gemeenten, provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat. Die afstemming vraagt tijd.
Bevoegdheidsverdeling. De regelgevende bevoegdheid ligt primair bij het algemeen bestuur van het waterschap. Om te zorgen voor flexibiliteit is het wenselijk de bevoegdheid tot vaststelling van de regels voor uitvoering van specifieke activiteiten te delegeren aan het dagelijks bestuur van het waterschap, evenals de koppeling en vaststelling van geografische informatie (werkingsgebieden en beperkingengebieden).
Participatie. Met de Omgevingswet wordt participatie steeds belangrijker. HDSR wil graag samen met de omgeving optrekken; de winst bij het opstellen van de regels zit aan de voorkant.
Samenwerking. HDSR gaat door op de ingeslagen weg en zoekt waar mogelijk de samenwerking met netwerkpartners. De Omgevingswet, de bijbehorende bruidsschat en het werken aan de één-loket gedachte maakt intensieve samenwerking noodzakelijk.
Aansluiting andere onderwerpen/projecten. Implementatie van de Omgevingswet is een complex project. Bij het opstellen van de waterschapsverordening is aandacht voor en doorwerking van andere onderwerpen en projecten bij HDSR, zoals de Visie VTH, actualisering leggers en keurkaarten, digitaliseringsslag, Waterbeheerprogramma (2022), grondwater en klimaatadaptatie en duurzaamheid.
4Ontsluiting in Digitaal Stelsel Omgevingswet
4.1 Inleiding
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt overheden bij de uitvoering van de Omgevingswet. Een van de onderdelen van het DSO is het Omgevingsloket. Dit is een digitaal loket waar initiatiefnemers en betrokkenen snel kunnen zien wat er mag in de fysieke leefomgeving. Dit is de centrale plek waar alle digitale informatie daarover samenkomt.
Via het Omgevingsloket kan een ieder:
via een vragenboom controleren of een idee mag worden uitgevoerd op een locatie (Vergunningcheck);
vergunningen aanvragen, meldingen doen en informatie geven (Aanvragen); en
zien welke regels gelden op een locatie (Regels op de kaart).
4.2 Juridische regels
De waterschapsverordening van HDSR wordt onder de Omgevingswet ontsloten via het Omgevingsloket van het DSO en zal te vinden zijn via regels op de kaart. Nieuw is dat de regels over activiteiten zijn gekoppeld aan geometrisch aangewezen en begrensde werkingsgebieden, waarbij een ieder met een eenvoudige klik op een kaart kan zien welke regels op het betreffende gebied van toepassing zijn. Om dit mogelijk te maken, moet iedere individuele regel van HDSR voorzien worden van een zogenoemd werkingsgebied en op een kaartlaag aangeleverd worden. Waar geen specifiek werkingsgebied is benoemd, geldt het hele beheergebied van HDSR als werkingsgebied.
4.3 Toepasbare regels
Het Omgevingsloket van het DSO maakt ook inzichtelijk onder welke voorwaarden activiteiten zijn toegestaan. Om dit mogelijk te maken, zijn naast de juridische regels ook zogenaamde toepasbare regels opgesteld. Zo kan aan de hand van vragen die men doorloopt in het DSO (Vergunningcheck) worden bepaald of er al dan niet een vergunning aangevraagd moet worden, of dat er bijvoorbeeld alleen een meldplicht of informatieplicht geldt.
5Regels in de waterschapsverordening
5.1 Beslismodel schrijven regels
Bij het schrijven van de juridische regels in hoofdstukken 2, 3 en 4 van de waterschapsverordening en de bijbehorende toepasbare regels voor het Omgevingsloket heeft HDSR gebruik gemaakt van een beslismodel. Dit is gedaan om consistente regels te maken. Het beslismodel vormt de basis voor zowel de juridische als de toepasbare regels. Hierdoor blijven beide op elkaar afgestemd.
5.2 Activiteiten
Activiteitgerichte regels
De waterschapsverordening is activiteitgericht opgebouwd. Uitgangspunt zijn de activiteiten die burgers en bedrijven willen verrichten nabij waterstaatswerken of invloed hebben op het watersysteem of zuiveringtechnische werken. Dit betekent dat de hoofdstukken, afdelingen en paragrafen zijn geordend naar de relevante activiteiten waar HDSR regels over stelt. In de keur waren de regels over activiteiten bij watergangen en waterkeringen apart te vinden, deze zijn onder de nieuwe regels beleidsneutraal samengevoegd.
De activiteitgerichte benadering komt terug in de hoofdstukindeling van de waterschapsverordening. Hoofdstukken 2, 3 en 4 bevatten regels over activiteiten, waarbij de aard van de activiteiten bepalend is. Hierbij is aansluiting gezocht bij het begrip wateractiviteit en de bruidsschatregels. Hieronder is in de leeswijzer waterschapsverordening een nadere toelichting opgenomen over de inhoud van de hoofdstukken.
Activiteiten
Aanleggen
Als een voorgenomen activiteit ziet op het aanleggen, dan gelden de regels zoals opgenomen onder aanleggen. De regels voor aanleggen zijn van toepassing indien objecten worden aangelegd of vergroot. Er zijn voor de initiatiefnemer verschillende uitkomsten mogelijk, afhankelijk van de soort activiteit.
Verwijderen
Als een voorgenomen activiteit ziet op het verwijderen van iets, dan gelden de regels zoals opgenomen onder verwijderen. De regels voor verwijderen zijn van toepassing als objecten (deels) worden weggehaald. In dat geval zijn er voor de initiatiefnemer verschillende uitkomsten mogelijk, afhankelijk van de soort activiteit.
Vervangen
In algemene zin is er in de regels vanuit gegaan dat het vervangen van iets, gelijk is aan het verwijderen en het (opnieuw) aanleggen ervan. Initiatiefnemer moet dan voor deze activiteit twee aparte beoordelingen doen en in het uiterste geval twee aparte vergunningen aanvragen. Wordt een object verwijderd en op dezelfde locatie eenzelfde object teruggeplaatst dan zijn dus de regels voor verwijderen en aanleggen van toepassing. Bij sommige activiteiten zijn specifieke regels opgesteld voor het vervangen. In dat geval gelden niet de algemene regels voor verwijderen en aanleggen maar dienen de specifieke(re) regels onder het kopje vervangen te worden gevolgd.
Verplaatsen
Wordt een object verwijderd en op een andere locatie teruggeplaatst dan is er sprake van verplaatsen. De regels die gelden voor verwijderen en aanleggen zijn dan van toepassing.
Wijzigen
In de waterschapsverordening komt de activiteit wijzigen niet voor. Daardoor zou het mogelijke misverstand kunnen ontstaan dat voor de activiteit ‘wijzigen’ enkel de zorgplicht zou gelden. Dit is onjuist. Afhankelijk van het soort wijziging zijn de regels van aanleggen van toepassing, bijvoorbeeld het vergroten van een dam met duiker. Wordt daarentegen een dam met duiker verkleind dan zijn de regels voor verwijderen van toepassing. Gaat het om het wijzigen van een locatie dan is sprake van verplaatsen en zijn de regels die gelden voor verwijderen en aanleggen dan van toepassing.
5.3 Verplichtingen
Het ‘nee, tenzij’-principe in hoofdstuk 2: bruidsschat
Hoofdstuk 2 bevat regels over diverse lozingsactiviteiten op regionaal water en zuiveringtechnische werken uit de bruidsschat. Hier is het ‘nee, tenzij’-principe van toepassing. Als de lozing niet is geregeld in één van de afdelingen van hoofdstuk 2, dan is een omgevingsvergunning vereist (vangnetvergunningplicht). Voor alle lozingen geldt een vergunningplicht, tenzij de lozing is vrijgesteld. Dit komt door de manier waarop de bruidsschatregels door het Rijk zijn opgesteld en overgedragen aan de waterschappen.
Het 'ja, mits'-principe in hoofdstuk 3 en 4
Net als bij de keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het geval was, geldt ook bij een groot gedeelte (hoofdstuk 3 en 4) van de waterschapsverordening het ‘ja, mits’-principe. Dat betekent dat in beginsel handelingen in het watersysteem zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de zorgplicht, tenzij expliciet in deze verordening anders is bepaald. Als dat laatste het geval is, kunnen er verschillende soort regels gelden: algemene regels, informatieplicht, meldplicht, vergunningplicht, maatwerkvoorschrift en algeheel verbod. De zwaarste verplichting voor de betreffende activiteit geldt.
Het ‘ja-mits’-principe geldt als gezegd voor de regels in hoofdstuk 3 (wateronttrekkingsactiviteiten) en 4 (beperkingengebiedactiviteiten) van de waterschapsverordening. Deze regels zijn namelijk omgezet uit de keur en de uitvoeringsregels.
Soorten verplichtingen
De waterschapsverordening is het instrument waarmee HDSR regels kan stellen over activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. HDSR kan verschillende soorten verplichtingen (regels) opnemen. Hieronder volgt een toelichting op de belangrijkste: specifieke zorgplicht, algemene regels, meldplicht, informatieplicht, vergunningplicht, algeheel verbod en maatwerkvoorschriften.
Specifieke zorgplicht
Bij het verrichten van een activiteit geldt de specifieke zorgplicht als uitgangspunt. Hierin wordt geformuleerd waar de initiatiefnemer ten minste rekening moet houden bij het verrichten van een activiteit. De specifieke zorgplicht geldt ook als een vangnet. Dat betekent dat als er niets geregeld is, de specifieke zorgplicht altijd van toepassing is. HDSR kan bestuurlijk optreden op grond van (het overtreden van) deze specifieke zorgplicht.
Algemene regel
Algemene regels zijn regels (voorschriften) die voor iedereen gelden. Degene die de activiteit verricht waarbij algemene regels zijn aangewezen, moet zich houden aan voorschriften van die algemene regels. HDSR heeft algemene regels en combineert deze al dan niet met een informatieplicht of een meldplicht.
Informatieplicht, meldplicht
In de waterschapsverordening is een duidelijk verschil gemaakt tussen een informatieplicht en een meldplicht. Een informatieplicht is een verplichting om informatie te verstrekken gedurende het verrichten van een activiteit of binnen een bepaalde termijn voorafgaand aan het starten van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten. Bijvoorbeeld als het waterschap graag op de hoogte wil zijn van een activiteit, om nadien de leggerkaart te kunnen aanpassen. Bij een meldplicht is het verboden om de activiteit of bepaalde onderdelen daarvan te starten zonder binnen een gestelde termijn een melding te doen. Zonder melding mag dan niet worden gestart met de werkzaamheden. Achterliggende gedachte is dat HDSR de werkzaamheden kan beoordelen en kan bezien of eventuele maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Daarnaast stelt deze systematiek HDSR in staat om medewerkers van het team Toezicht en Handhaving eventueel te kunnen laten controleren op de werkzaamheden.
Vergunningplicht
Als voorafgaande toestemming van HDSR noodzakelijk wordt geacht, wordt in de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist. In dat geval is een initiatiefnemer dus verplicht vooraf bij HDSR toestemming te vragen om de activiteit te mogen uitvoeren. Het gaat hier om een verbodsbepaling, het is verboden om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Het beoordelingskader is in principe opgenomen in de waterschapsverordening. Het is mogelijk dat door HDSR beleidsregels worden opgesteld, om meer kader te geven aan discretionaire bevoegdheden. Voordat initiatiefnemers een aanvraag of melding definitief indienen, kunnen ze deze eerst als conceptverzoek indienen. Met deze optie kunnen initiatiefnemers laten controleren of hun aanvraag compleet is en of de juiste informatie is ingevuld. Een initiatiefnemer heeft ook de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Daarbij kan samen met het waterschap worden besproken wat het waterschap nodig heeft om een besluit te kunnen nemen. Ook kan worden besproken of een voorgenomen initiatief realiseerbaar is of dat er nog wijzigingen in de plannen noodzakelijk zijn. Na afweging van alle relevante belangen kan HDSR al dan niet de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit verlenen onder voorwaarden.
Algeheel verbod
Een activiteit kan in een bepaald gebied aanzienlijke nadelige gevolgen hebben op de te bereiken doelen van het waterschap. In een dergelijk geval heeft HDSR ervoor gekozen om een algeheel verbod voor het verrichten van deze activiteit in de waterschapsverordening op te nemen. Dat betekent dat deze activiteit verboden is.
Maatwerkvoorschriften
HDSR heeft in hoofdstuk 1 van de waterschapsverordening onderwerpen gewezen waarvoor het dagelijks bestuur van het waterschap maatwerkvoorschriften kan stellen, zie artikel 1.10. Een maatwerkvoorschrift is een beschikking waarmee het waterschap in een individueel geval aan een initiatiefnemer de verplichting oplegt om te voldoen aan bepaalde voorschriften in aanvulling op of afwijking van een geldende algemene regel van de waterschapsverordening.
Indieningsvereisten
De indieningsvereisten die in de waterschapsverordening worden gevraagd, zijn aanvullend op de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling worden gevraagd. In hoofdstuk 1 zijn de algemene gegevens en bescheiden opgenomen (voor informatie- en meldplicht en ongewoon voorval). De specifieke gegevens en bescheiden voor lozingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten zijn in de afdeling ‘algemeen’ bij de betreffende hoofdstukken opgenomen. Waar nodig zijn per activiteit aanvullende indieningsvereisten opgenomen.
De indieningsvereisten vormen de juridische basis voor de aanvraagformulieren in het omgevingsloket van het DSO. Deze formulieren worden opgebouwd met 'toepasbare regels', gebaseerd op de indieningsvereisten.
5.4 Diverse onderwerpen
Doelstellingen
In de tekst van hoofdstuk 1 is duidelijk gemaakt welke doelstellingen met de regels worden gediend. Doordat de regels zijn gekoppeld aan de doelen die zij dienen, neemt de transparantie van de regels toe.
Beoordelingsregels
Een beoordelingsregel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van de waterschapsverordening wordt verleend. Per geval bekijkt HDSR of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Een omgevingsvergunning op grond van de waterschapsverordening kan enkel worden verleend of geweigerd op basis van gronden die in de waterschapsverordening zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 5.30 van de Omgevingswet. Als een activiteit vergunningplichtig is op grond van de waterschapsverordening, zijn ook beoordelingsregels opgenomen om de vergunningaanvraag te kunnen toetsen. Waterschappen kunnen hun beoordelingsregels baseren op (de essentie van) bestaande beleidsregels.
Lozen
Onder de Omgevingswet verandert de betekenis van het begrip ‘lozen’. De lozingsregels gaan straks niet alleen over de kwaliteit van het water, maar ook over hoeveelheden (kwantiteit) te lozen water.
Delegatiebesluit
De waterschapsverordening wordt in principe vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Artikel 2.8 van de Omgevingswet biedt het algemeen bestuur van het waterschap de mogelijkheid om het vaststellen van delen van de waterschapsverordening te delegeren aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte aan van de gedelegeerde bevoegdheid. HDSR maakt gebruik van de mogelijkheid tot delegatie van delen van de waterschapsverordening aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Dit wordt gedaan via een apart delegatiebesluit.
5.5 Bruidsschatregels
Het Rijk heeft via de bruidsschat regelgeving over lozingen aan de waterschappen overgedragen, zo ook aan HDSR. De lozingsregels uit de bruidsschat zijn verwerkt in hoofdstuk 2 van de waterschapsverordening. De regels uit de bruidsschat zijn omgeschreven in de stijl en de structuur van de overige teksten van de waterschapsverordening (hoofdstukken 3 en 4). Hierbij zijn geen inhoudelijke veranderingen doorgevoerd. Dit is beleidsneutraal gedaan. De bruidsschatregels bevatten naast de lozingsregels ook enkele andere onderdelen die verwerkt zijn in de waterschapsverordening. De algemene bepalingen, zoals begrippen en beoordelingsregels, zijn verwerkt in hoofdstuk 1. De regels over wateronttrekkingsactiviteiten staan in hoofdstuk 3. De aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk zijn verwerkt in hoofdstuk 4. De begrippen uit de bruidsschat staan in bijlage I en de aangewezen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen in bijlage II.
5.6 Instructieregels: Rijk en provincies
Bij het vaststellen van de regels in de waterschapsverordening moet HDSR voldoen aan de instructieregels van het Rijk (hoofdstuk 6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) en van de provincie Zuid-Holland en de provincie Utrecht. De provinciale instructieregels zijn te vinden in de betreffende omgevingsverordening. Het gaat om de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022. Daarbij is rekening gehouden met de meeste recente door provinciale staten vastgestelde ontwerp-omgevingsverordeningen. De instructieregels zijn verwerkt in de waterschapsverordening.
6Wijzigingen
Behalve dat HDSR regels over o.a. lozingen via de bruidsschat van het Rijk heeft gekregen, zijn ten opzichte van de keur een aantal wijzigingen doorgevoerd in de waterschapsverordening:
Nautisch: De regels op het gebied van nautisch vaarwegbeheer en scheepvaart komen niet terug in de waterschapsverordening. Deze worden opgenomen in aparte verkeersbesluiten.
Onderhoudsplichten: De bepalingen met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen uit de keur komen niet terug in de waterschapsverordening. Onder de Omgevingswet mogen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen namelijk niet in de waterschapsverordening worden opgenomen. Dit volgt uit artikel 2.2 lid 2 Omgevingsbesluit. De onderdelen van de keur die onderhoudsverplichtingen bevatten worden opgenomen in een aparte onderhoudsverordening die gelijktijdig van kracht wordt met de waterschapsverordening. De regels inzake onderhoud zijn dan te vinden in de nieuwe onderhoudsverordening en de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet.
Strafbepaling: Een strafbepaling komt niet terug in de waterschapsverordening. De strafbaarstelling voor activiteiten in de waterschapsverordening is direct geregeld in de Wet op de economische delicten.
Diverse wijzigingen: De regels zijn op onderdelen gewijzigd; dit is gedaan met het oog op consistentie van de regelgeving, als ook om de regels gemakkelijker te kunnen modeleren voor ontsluiting in het DSO. Welke wijzigingen dit betreft is te vinden in de oplegger behorende bij de bekendmaking van de waterschapsverordening.
7Leeswijzer waterschapsverordening
7.1 Inleiding
De waterschapsverordening bestaat uit vijf hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen die relevant zijn voor de gehele verordening.
Hoofdstuk 2 gaat over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk.
Hoofdstuk 3 gaat over wateronttrekkingsactiviteiten met betrekking tot oppervlaktewater of grondwater en over het infiltreren van water.
Hoofdstuk 4 bevat regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij HDSR.
Hoofdstuk 5 bevat overgangs- en slotbepalingen.
De bijlagen bij de waterschapsverordening bevatten de begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening (bijlage I), de aanwijzing en begrenzing van werkingsgebieden (bijlage II), de profielen van waterkeringen (bijlage III), toepassingen van klei binnen de zone waterstaatswerk (bijlage IV) en er wordt afgesloten met de algemene toelichting en artikelsgewijze toelichting (bijlage V).
7.2 Toelichting hoofdstukken
Hoofdstuk 1
Het eerste hoofdstuk bevat de bepalingen die betrekking hebben op de hele waterschapsverordening. Vanwege de leesbaarheid is ervoor gekozen om de begrippen in bijlage I op te nemen. De begrippen uit de Omgevingswet en de algemene maatregelen van bestuur zijn van toepassing op deze waterschapsverordening deze zijn in deze waterschapsverordening niet herhaald.
De begrippen in bijlage I vormen een aanvulling op de rijksbegrippen. Naast de begrippen zijn in hoofdstuk 1 het toepassingsbereik, de geometrische begrenzing (met een verwijzing naar Bijlage II), een bepaling over waterstaatswerken die nog niet geometrisch begrensd zijn, de normadressaat, de specifieke zorgplicht, maatwerkvoorschriften, de algemene indieningsvereisten en de algemene beoordelingsregel voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten te vinden. Ook bevat hoofdstuk 1 de doelen (oogmerken) die de basis vormen voor de activiteitgerichte regels in hoofdstuk 2, 3 en 4.
Hoofdstuk 2
Het tweede hoofdstuk moet iets anders gelezen worden dan het derde en het vierde hoofdstuk van deze waterschapsverordening. Dit hoofdstuk bevat de verplichtingen die het waterschap stelt met betrekking tot lozingen. In de eerste afdeling dit hoofdstuk zijn de bepalingen te vinden die gelden voor heel hoofdstuk 2, bijvoorbeeld de invulling van de specifieke zorgplicht specifiek voor lozingsactiviteiten. Als de lozingsactiviteit niet is vrijgesteld in hoofdstuk 2 dan geldt de vangnetvergunningplicht. Elke activiteitgerichte afdeling in hoofdstuk 2 is op dezelfde wijze opgebouwd en kan als volgt gelezen worden:
De afdeling start met een toepassingsbereik, dit artikel geeft aan op welke lozingsactiviteit de betreffende afdeling ziet.
Vervolgens worden de algemene regels die gelden aangewezen (de voorschriften en eventueel een informatieplicht). Dit artikel geeft aan in welke situatie welke algemene regel van toepassing is. Als deze situatie op u van toepassing is dan kunt u de activiteit uitvoeren, mits u voldoet aan de betreffende algemene regels die worden aangewezen. Vaak zit hier ook een informatieplicht bij.
Als er in het voorgaande artikel een algemene regel is aangewezen vindt u in dit artikel de betreffende voorschriften, deze gaan vaak gecombineerd met de emissiegrenswaarden van de betreffende lozing.
Als er nog specifieke andere algemene regels van toepassing zijn, dan zijn die te vinden in de opvolgende artikelen in de afdeling (bijvoorbeeld meet-en rekenbepalingen, werkinstructies e.d,).
De afdeling eindigt vaak met een informatieplicht, hier staat altijd een termijn bij en ook de gegevens en bescheiden die aan het waterschap overhandigt moeten worden.
Hoofdstukken 3 en 4
Deze hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd:
De eerste afdeling bevat de algemene bepalingen die gelden voor het gehele hoofdstuk.
Elke daaropvolgende afdeling is een specifieke waterontrekkingsactiviteit (hoofdstuk 3) of beperkingengebiedactiviteit (hoofdstuk 4). Voor hoofdstuk 4 zijn alle bepalingen met betrekking tot deze activiteit zijn te vinden in de afdeling zelf. Voor bijvoorbeeld ‘brug aanleggen’ hoeft niet meer gekeken te worden naar het aanleggen van een brug bij een watergang als aparte activiteit naast het aanleggen van een brug bij een waterkering (zoals in de uitvoeringsregels behorende bij de keur wel het geval was). Alle regels met betrekking tot het aanleggen van een brug die het waterschap stelt zijn nu te vinden in de afdeling ‘brug aanleggen’.
Een activiteitgerichte afdeling uit hoofdstuk 3 en 4 is als volgt opgebouwd:
De eerste paragraaf bevat de algemene bepalingen die gelden voor de hele afdeling. Er is bijvoorbeeld een uitwerking te vinden van de specifieke zorgplicht per activiteit. Deze zorgplicht geldt altijd. Als in de opvolgende paragrafen geen algemene regels, vergunningplichten of algeheel verboden zijn aangewezen dan geldt er voor de activiteit vanuit het waterschap enkel de specifieke zorgplicht.
De volgende paragraaf is de paragraaf die aanwijst welke algemene regels wanneer van toepassing zijn voor de betreffende activiteit. Hier kan sprake zijn van een algemene regel al dan niet gecombineerd met een informatieplicht of een meldplicht. Zodra er een vergunningplicht of een algeheel verbod geldt zijn deze algemene regels en bijbehorende vrijstellingen niet van toepassing. Om deze reden is een voorrangsbepaling opgenomen. Als er in de opvolgende paragrafen geen vergunningplicht of algeheel verbod is aangewezen gelden enkel de voorschriften (eventueel gecombineerd met een informatieplicht of een meldplicht) uit de aangewezen algemene regels in deze paragraaf.
In de daaropvolgende paragraaf zijn de vergunningplichtige gevallen voor de activiteit aangewezen. Mocht er sprake zijn van een van de aangewezen situaties dan geldt er voor de activiteit op die locatie een vergunningplicht, tenzij er daaronder nog een algeheel verbod geldt. In dat geval is er in de voorrangsbepaling opgenomen dat er geen sprake is van een vergunningplicht als er voor de activiteit een algeheel verbod is aangewezen.
Als er een algeheel verbod geldt voor de activiteit staat deze aanwijzing onderaan de afdeling. Zodra de aangewezen situatie van toepassing is, is het verboden om de activiteit uit te voeren op de betreffende locatie.
7.3 Oorsprong regels keur
De huidige uitvoeringsregels uit deel 1 (handelingen met betrekking tot oppervlaktewater) en 2 (handelingen met betrekking tot een waterkering) zijn grotendeels terug te vinden in hoofdstuk 4 van de waterschapsverordening. Deel 3 (handelingen met betrekking tot grondwater) van de uitvoeringsregels is grotendeels terug te vinden in hoofdstuk 3 van de waterschapsverordening. In de uitvoeringsregels van HDSR waren enkel regels opgenomen over de kwantitatieve aspecten van een lozing, met de komst van de bruidsschat worden de regels met betrekking tot de waterkwaliteit en de waterkwantiteit van lozingen samengevoegd. Deze zijn te vinden in hoofdstuk 2 van deze waterschapsverordening.
Toelichting
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet (Ow), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit (Ob), de Omgevingsregeling (Or) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het stelsel van het omgevingsrecht. In aanvulling op de begrippen van de wet en de AMvB’s, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening.
Artikel 1.2 Toepassingsbereik
Aan iedere regel in deze waterschapsverordening is een werkingsgebied gekoppeld. De werkingsgebieden verschillen per type activiteit. Dit artikel geeft in het eerste lid aan dat de verordening bedoeld is voor het beheergebied van het hoogheemraadschap. Deze bepaling fungeert als een vangnet voor alle regels waarvoor in de hoofdstukken 2, 3 en 4 geen specifieker werkingsgebied is opgenomen.
In het tweede lid zijn activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 4 uitgezonderd van de informatieplicht en meldplicht als deze worden uitgevoerd door of in opdracht van het waterschap. Voor sommige lozingsactiviteiten gelden ook uitzonderingen op de informatieplicht of meldplicht bij werkzaamheden door het waterschap of ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, maar deze zijn opgenomen in het hoofdstuk met betrekking tot lozingsactiviteiten.
In het derde lid zijn 3 situaties uitgezonderd van de vergunningplicht. Dit gaat alleen over activiteiten gereguleerd in hoofdstuk 4.
Onderdeel a van het derde lid gaat over projecten waarvoor een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet wordt vastgesteld. Onder project verstaat de wet:
het bouwen van bouwwerken of de totstandbrenging van installaties of werken
andere activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, inclusief activiteiten voor de winning van delfstoffen
Op grond van artikel 5.44, vierde lid, kan het dagelijks bestuur van het waterschap alleen een projectbesluit vaststellen als dat gaat over het beheer van watersystemen voor zover aan het waterschap toegedeeld bij provinciale verordening of ministeriële regeling en over de zuivering van stedelijk afvalwater.
Onderdeel b van het derde lid gaat over activiteiten die door het waterschap zelf worden uitgevoerd en die nodig zijn voor het beheer, de bediening of het onderhoud van het watersysteem of onderdelen daarvan. Dit is alleen van toepassing als er geen sprake is van wijzigingen aan het watersysteem ten opzichte van de profielenlegger.
In andere gevallen waar geen sprake is van het nemen van een projectbesluit, gelden voor de eigen werkzaamheden van het waterschap dezelfde regels als voor derden op basis van de waterschapsverordening. Vaak zal dan een vergunning van of een melding bij het waterschap zelf verplicht zijn. Als de omgevingsvergunning zowel wordt verleend door als aan het waterschap, is er sprake van een zogenaamde 'vergunning eigen dienst'.
Bij de vrijstelling van de vergunningplicht staat in tegenstelling tot de vergunning eigen dienst en het projectbesluit geen rechtsmiddel open voor burgers en bedrijven. Hiervoor is gekozen omdat de gevolgen van deze werkzaamheden op de fysieke leefomgeving en voor belangen van derden beperkt zijn. Een vergunningplicht brengt een grotere administratievere last voor het aanvragen en behandelen van vergunningaanvragen met zich mee.
Onderdeel c van het derde lid gaat over voorbereidende onderzoekswerkzaamheden zoals boringen, sonderingen of het maken van proefsleuven.
Artikel 1.3 Doelen waterstaatswerken
De verwijzing naar de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet maakt duidelijk dat het waterschap vanuit de eigen (beheer)taken een bijdrage levert aan de maatschappelijke doelen die worden beoogd met de Omgevingswet en de na te streven doelen voor waterstaatswerken niet op zichzelf staan. Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen. Dat geldt dus ook voor de bevoegdheid van het waterschap om, op basis van artikel 2.5 van de Omgevingswet, één waterschapsverordening vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
In dit artikel staan de waterdoelen die zijn gericht op waterstaatstaatswerken. De Omgevingswet definieert dit als een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering en ondersteunend kunstwerk.
De doelen onder a t/m e gelden voor waterstaatswerken in het algemeen, die onder f t/m k gelden specifiek voor oppervlaktewaterlichamen en het doel onder l geldt specifiek voor waterkeringen.
Toelichting per onderdeel:
b.activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterstaatswerken in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbehorende beschermingszones, als ook in het voor waterkeringen in de legger aangewezen profiel van vrije ruimte;
c, d en e. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud en inspectie. Het is hiervoor bijvoorbeeld van belang om onderhoudsstroken vrij te houden, zodat de waterstaatswerken goed bereikbaar zijn;
f en g. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van waterstaatswerken, zoals vastgelegd in de legger, waardoor het waterstaatswerk niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor het is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling;
f, g en h. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van het oppervlaktewaterlichaam, zoals het negatief beïnvloeden van de doorvoercapaciteit of het doorkruisen van het in peilbesluiten vastgestelde peilbeheer, onder normale omstandigheden en onder piekbelasting;
i.in artikel 6.2 van het Bkl is opgenomen dat een vergunning er niet toe mag leiden dat de doelstellingen voor de chemische en ecologische toestand van KRW-oppervlaktewaterlichamen niet worden bereikt of dat de toestand achteruitgaat;
j.oppervlaktewater kan diverse maatschappelijke functies vervullen zoals gebruik in de landbouw en industrie, voor drinkwatervoorziening, visserij, recreatie en scheepvaart;
k.op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer moet het waterschap bij het stellen van regels in de waterschapsverordening ook rekening houden met de in dat artikel opgenomen voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Deze voorkeursvolgorde gold ook voor de voormalige rijksregels die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Bij het opstellen van de regels over lozingen in een oppervlaktewaterlichaam in hoofdstuk 2 is daarom niet alleen rekening gehouden met de bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken, maar ook met bijvoorbeeld de voorkeur om afvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron te hergebruiken of lokaal terug te brengen in het milieu. Daarom is in verschillende artikelen in hoofdstuk 2 bepaald dat afvalwaterstromen onder voorwaarden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen enerzijds de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam (dat leidt tot beperking van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam) en anderzijds de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken en de voorkeur voor lokale verwerking van afvalwater (dat leidt tot beperking van lozingen op de vuilwaterriolering). Waar het oogmerk ‘doelmatig beheer van afvalwater’ staat, duidt dit erop dat deze afweging heeft gespeeld;
l.activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van de waterkering, zoals vastgelegd in de legger, waardoor de waterkering niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor die is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling, waardoor de veiligheid niet kan worden gewaarborgd.
Artikel 1.4 Doelen grondwaterlichamen
De verwijzing naar de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet maakt duidelijk dat het waterschap vanuit de eigen (beheer)taken een bijdrage levert aan de maatschappelijke doelen die worden beoogd met de Omgevingswet en de na te streven doelen voor grondwaterlichamen niet op zichzelf staan. Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen. Dat geldt dus ook voor de bevoegdheid van het waterschap om, op basis van artikel 2.5 van de Omgevingswet, één waterschapsverordening vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
In dit artikel staan de waterdoelen die zijn gericht op grondwaterlichamen. De Omgevingswet definieert dit als een afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen.
Toelichting per onderdeel:
b.de betrokken belangen betreffen ook belangen van derden. De belangen waar op getoetst wordt zijn:
invloed op waterkeringen, invloed op bebouwing en infrastructuur, invloed op mobiele bodemverontreinigingen, invloed op archeologische waarden, invloed op andere grondwateronttrekkingen, invloed op natuur, landbouw, bomen en stadsgroen;
d en e. in artikel 6.2 van het Bkl is opgenomen dat een vergunning er niet toe mag leiden dat de doelstellingen voor de chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen niet worden bereikt of dat de toestand achteruitgaat;
f.grondwater kan bijvoorbeeld van belang zijn voor drinkwaterwinning.
Artikel 1.5 Doelen zuiveringtechnische werken
De verwijzing naar de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet maakt duidelijk dat het waterschap vanuit de eigen (beheer)taken een bijdrage levert aan de maatschappelijke doelen die worden beoogd met de Omgevingswet en de na te streven doelen voor zuiveringtechnische werken niet op zichzelf staan. Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen. Dat geldt dus ook voor de bevoegdheid van het waterschap om, op basis van artikel 2.5 van de Omgevingswet, één waterschapsverordening vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
In dit artikel staan de waterdoelen die zijn gericht op zuiveringtechnische werken. De Omgevingswet definieert dit als een werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, of een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater.
Artikel 1.6 Aanwijzing en begrenzing van geometrische begrenzingen
Deze bepaling biedt de juridische grondslag voor de digitale kaart met de ligging van de verschillende werkingsgebieden.
In de eerste kolom van de bijlage staan de werkingsgebieden opgesomd onder het kopje ‘Geo Noemer’. Dit gaat bijvoorbeeld over de ligging van watergangen, waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones. Dit is nodig voor het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO).
In de tweede kolom van de bijlage staat de zogenaamde GIO-id. Dit is een url (identificatiecode) met verwijzing naar geografische coördinaten (zie TPOD Waterschapsverordening). Hierdoor is het mogelijk om deze locaties digitaal te bekijken en erop in te zoomen. En ook worden de regels zichtbaar gemaakt die gekoppeld zijn aan het betreffende werkingsgebied.
Artikel 1.7 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn
Het eerste lid van dit artikel is bedoeld voor waterstaatswerken die zijn aangelegd of gewijzigd op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning. Het kan gaan om waterstaatswerken die net zijn aangelegd of die nog in uitvoering zijn. Het nieuwe beperkingengebied voor deze waterstaatswerken met de nieuwe geometrische begrenzingen zijn dan nog niet gelijk opgenomen in bijlage II van deze verordening. Zolang dit nog niet is gebeurd, gelden de begrenzingen zoals die in het projectbesluit of de omgevingsvergunning staan.
Het tweede lid gaat over andere waterstaatswerken die nog niet geometrisch zijn begrensd. Onder a tot en met h staat specifiek per waterstaatswerk beschreven waar de grenzen liggen van het beperkingengebied met betrekking tot dat waterstaatswerk.
Voor de beschermingszone K geldt in beginsel dat er een beschermingszone van 5 meter geldt als het aan beide zijden grenst aan een primaire of secundaire watergang en het niet gaat om een duiker of sifon. Uitgezonderd duikers en sifons waarvan het buitengewoon onderhoud niet bij het waterschap ligt. Wanneer een kunstwerk aan één of beide zijden grenst aan een tertiaire watergang geldt er in beginsel geen beschermingszone, tenzij het gaat om een gemaal, inlaat of stuw in welk geval een beschermingszone van 2 meter geldt.
Deze tekst is gebaseerd op afdeling 3.2 van het Omgevingsbesluit. Daar staat een vergelijkbare regeling voor beperkingengebieden in beheer bij het Rijk.
Artikel 1.8 Normadressaat
Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht, moet voldoen aan de regels over activiteiten van deze verordening. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht als eerste verantwoordelijk gehouden voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van die activiteit. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en ervoor zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteiten houden.
Het is in een waterschapsverordening ook mogelijk om de normadressaat per hoofdstuk of paragraaf te regelen. Daar is niet voor gekozen omdat het om eenzelfde bepaling gaat die dan elke keer opnieuw wordt herhaald. Door het in de algemene bepalingen in hoofdstuk 1 te regelen, geldt dit artikel gelijk voor de hele verordening.
Dit artikel is ontleend aan artikel 2.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar eenzelfde regeling is opgenomen.
Artikel 1.9 Specifieke zorgplicht watersysteem
De specifieke zorgplicht in dit artikel is een algemene bepalingen en geldt voor alle activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het watersysteem. In de hoofdstukken 2, 3 en 4 is deze zorgplicht nog verder uitgewerkt en geconcretiseerd voor specifieke activiteiten.
Niet alle activiteiten zijn gedetailleerd in regels gevat in de waterschapsverordening, maar vallen onder deze zorgplicht. De specifieke zorgplicht doet dus een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer. Het gaat om handelingen waarvan iedereen zou moeten weten dat het niet goed is. De specifieke zorgplicht geldt naast de meer uitgewerkte regels in de waterschapsverordening en ook naast vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht geldt altijd en treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. Deze algemene specifieke zorgplicht fungeert daarbij dus ook als een vangnet. Mocht er toch sprake zijn van een activiteit die niet onder een van de andere specifieke zorgplichten valt en evenmin in regels is vastgelegd, dan kan altijd worden teruggegrepen op deze algemene specifieke zorgplicht voor watersystemen.
Een handeling valt onder deze specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen. Bijvoorbeeld het niet tijdig uitvoeren van onderhoud aan een oever waardoor erosie optreedt, dat bij niet ingrijpen kan leiden tot schade aan een achterliggende dijk.
In het eerste lid van dit artikel is een voorkeursvolgorde opgenomen: voorkomen van gevolgen, als dat niet kan gevolgen beperken/ongedaan maken, als dat ook niet kan activiteit achterwege laten. Daarbij wordt wel uitgegaan van ‘redelijkerwijs’. Dit betekent dat de specifieke zorgplicht niet het onmogelijke van iemand vraagt. Het moet wel redelijk zijn wat er van de betreffende persoon wordt verlangd. Daarbij gaat het om wat verwacht kan worden van de gemiddelde.
Tweede lid, onder e:
De KRW kent een verbod op achteruitgang van de ecologische en chemische toestand. Daarnaast geldt een gebod tot verbetering wanneer een oppervlaktewaterlichaam niet voldoet aan de chemische- en/of ecologische doelstellingen voor waterkwaliteit. De effecten van activiteiten mogen een noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit richting doelbereik niet in de weg staan.
Artikel 1.10 Maatwerkvoorschriften
Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerk blijft over het algemeen wel een uitzondering, in de meeste gevallen zijn de algemene regels in deze waterschapsverordening voldoende. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.
Eerste lid:
Het gaat om een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 1.9, over ongewone voorvallen (artikel 1.14 en 1.15) en over de algemene regels in hoofdstuk 2, 3 en 4. Een maatwerkvoorschrift mag daarbij niet conflicteren met de doelen voor waterstaatswerken (artikel 1.3), grondwaterlichamen (artikel 1.4) en zuiveringtechnische werken (artikel 1.5). En ook mag er geen strijdigheid zijn met de beoordelingsregels uit de waterschapsverordening.
Tweede lid:
Hier is geregeld in welke gevallen met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken. Zo is het wel mogelijk om een maatwerkvoorschrift te stellen over de specifieke zorgplicht van artikel 1.9, maar kan deze daarmee alleen concreet worden ingevuld en is het niet mogelijk om met een maatwerkvoorschrift van de specifieke zorgplicht af te wijken.
Artikel 1.11 Algemene gegevens en bescheiden bij een informatieplicht of meldplicht
Dit zijn de algemene indieningsvereisten, die gelden altijd. Daarnaast zijn er specifieke genoemd in de andere hoofstukken. Als er extra dingen nodig zijn, worden die in het hoofdstuk of bij de activiteit zelf uitgevraagd.
In dit artikel staan de algemene indieningsvereisten bij informatieplichten en meldplichten. Deze indieningsvereisten gelden altijd. Daarnaast kunnen er specifieke indieningsvereisten zijn voor bepaalde activiteiten. Als er extra informatie nodig is bij een informatieplicht of meldplicht voor een specifieke activiteit, dan is bij die activiteit zelf aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd.
Artikel 1.12 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties.
Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het dagelijks bestuur van het waterschap vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie op het juiste adres aankomt.
Het tweede lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Artikel 1.13 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uit artikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Artikel 1.13 regelt daarom dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap, als deze gegevens en bescheiden nodig zijn om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het dagelijks bestuur van het waterschap om vraagt. Degene die de activiteit verricht, hoeft in eerste instantie niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het dagelijks bestuur van het waterschap wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit en de ontwikkelingen van die waterkwaliteit. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen die zien op de waterkwaliteit kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in samenhang met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt. Dat staat in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 1.14 Informeren over een ongewoon voorval
Dit artikel bepaalt dat het dagelijks bestuur van het waterschap onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de waterkwaliteit niet wenselijk.
Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en afkomstig van wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.
Artikel 1.15 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het dagelijks bestuur van het waterschap moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het ‘voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen’ is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Omdat er geen informatieplicht geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en afkomstig van wonen, is dit artikel uiteraard ook niet van toepassing op deze situaties. Dat is geregeld in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 1.16 Algemene beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Het gaat daarbij om activiteiten die in de waterschapsverordening vergunningplichtig zijn gesteld en die gevolgen kunnen hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam.
Het tweede lid gaat onder andere over het rekening houden met de verschillende programma’s en plannen die betrekking hebben op krw-wateren. Dit is in principe een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn water stelt. Deze hebben we opgenomen vanwege een instructieregel van de provincie Zuid-Holland.
In het derde lid staat een aantal uitzonderingen op basis waarvan vergunningverlening eventueel wel mogelijk is.
Op grond van het vierde lid moet de vergunning worden geweigerd als er sprake is van achteruitgang van de watertoestand van waterlichamen, als bedoeld in artikel 4.15 Bkl.
In het vijfde lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen op het vereiste van geen achteruitgang van de watertoestand van waterlichamen dat volgt uit de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn water die zijn weergegeven in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, en dat is opgenomen in artikel 4.15 van het Bkl. Die mogelijkheid wordt in artikel 4, zevende lid, van de Kaderrichtlijn water geboden. Doel daarvan is om ontwikkelingen mogelijk te maken die worden genoemd in onderdeel c van die bepaling. Het gaat dan om ontwikkelingen die van hoger openbaar belang zijn of voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling van groter belang zijn dan het nut voor milieu en samenleving van de milieudoelstellingen die zijn opgesomd in artikel 4, eerste lid, van de Kaderrichtlijn water. Het is de waterbeheerder die dit beoordeelt. En het gaat hierbij uitdrukkelijk om een mogelijkheid om onder voorwaarden een uitzondering te maken en niet om een recht op uitzondering als aan de voorwaarden is voldaan. Vooral de onderdelen b en c van dit lid bevestigen dat de waterbeheerder per geval moet beoordelen of sprake is van een situatie die een uitzondering op het achteruitgangsverbod rechtvaardigt. En het gaat daarbij dus om het voorkomen dat voor ontwikkelingen waarmee belangen zijn gemoeid die zwaarder wegen dan de milieudoelstellingen van de richtlijn, geen vergunning kan worden verleend.
In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels per activiteit opgenomen in de betreffende hoofdstukken.
Het zesde lid bevat beoordelingsregels die volgens een instructieregel uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen.
Artikel 2.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.
Artikel 2.2 Specifieke zorgplicht
Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gedeeltelijk ontleend aan artikel 2.11 van het Bal en is een concretisering van de zorgplicht in artikel 1.9 van deze waterschapsverordening.
De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van afdeling 2.19 is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zo als een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van de afdelingen 2.2 en verder en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.
Onder a: Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden.
Onder c: Het lozen van water mag geen structurele of significante peilwijziging veroorzaken aangezien dit kan leiden tot wateroverlast. Onder significant wordt verstaan een dermate grote afwijking die op grond van het peilbesluit niet is toegestaan. De peilbesluiten zijn te raadplegen via de site van het waterschap: https://www.hdsr.nl/overhdsr/regelgeving-zoeker/. Hierin is opgenomen dat het waterschap de vastgestelde peilen nastreeft met een marge van 5 centimeter. Dit betekent dat het peil 5 centimeter mag stijgen en 5 centimeter mag dalen ten opzichte van het vastgestelde peil opgenomen in het peilbesluit. Grotere afwijkingen zijn niet toegestaan zonder overleg met het waterschap.
Onder d: Degene die de activiteit verricht heeft de plicht om vooraf na te gaan hoe milieuverontreiniging kan worden voorkomen en de gezondheid kan worden beschermd. Preventieve maatregelen zoals deze in gegeven omstandigheden passen, moeten dus worden getroffen, die in een individueel geval passend zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het vooraf zorgvuldig inventariseren van de hoeveelheid benodigd materiaal om het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk te voorkomen.
Onder e: Degene die een activiteit verricht zal de beste beschikbare technieken moeten toepassen. Dit zijn maatregelen waarbij de praktische bruikbaarheid is aangetoond, en die, de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast.
Onder f: Of een milieuverontreiniging significant is hangt af van de omstandigheden van het geval. Een verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam zal bijvoorbeeld eerder significant zijn als hierin een innamepunt voor drinkwater aanwezig is. Voor de beoordeling of een lozing op een oppervlaktewaterlichaam leidt tot significante milieuverontreiniging wordt gebruikt gemaakt van de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, het Handboek Immissietoets 2016 en de CIW-beoordelingssystematiek warmtelozing.
Onder k: De KRW kent een verbod op achteruitgang van de ecologische en chemische toestand. Daarnaast geldt een gebod tot verbetering wanneer een oppervlaktewaterlichaam niet voldoet aan chemische- en/of ecologische doelstellingen voor waterkwaliteit. De lozing mag een noodzakelijke verbetering ook niet in de weg staan.
Onder l: Twee waterstromen met een verschillende fysisch-chemische samenstelling zullen niet direct mengen. Een lozing van (afval)water kan een barrière zijn voor migratie van vissen of andere in het water levende organismen.
Onder m: Het lozen van ijzer of onopgeloste bestanddelen kan zorgen voor een visuele verontreiniging of een vertroebeling in de waterkolom. Gevolg hiervan is dat het doorzicht afneemt. Daarnaast kunnen het neergeslagen ijzer of de onopgeloste bestanddelen terechtkomen op de onderwatervegetatie waardoor de fotosynthese capaciteit afneemt. Dit kan uiteindelijk nadelig zijn voor zowel de fysische als de ecologische waterkwaliteit.
onder n: Het voorschrift zorgt ervoor dat het zuurstofgehalte niet verder daalt dan 70% verzadiging ter plaatse van het lozingspunt en is opgesteld om de waterkwaliteit te beschermen.
Artikel 2.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.
Artikel 2.3a Specifieke aanvraagvereisten maatwerkvoorschrift lozingen
Als er een initiatiefnemer een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit aanvraagt moet er een immissietoets worden aangeleverd. Uit het Handboek Immissietoets volgt dat voor iedere lozing een immissietoets moet worden uitgevoerd. In de praktijk bleek deze toets voor grondwaterlozingen nauwelijks plaats te vinden. Om deze reden heeft het waterschap de al bestaande verplichting geëxpliciteerd in artikel 1.10 van de waterschapsverordening.
Artikel 2.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.5 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Ook de voorschriften die op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing. Dit sluit eveneens aan bij de regeling op grond van de Waterwet.
Artikel 2.6 Toepassingsbereik
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van grondwater bij sanering op een oppervlaktewaterlichaam en op het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.7 Aanwijzing algemene regels
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel. 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
Artikel 2.8 Algemene regel
Eerste en tweede lid:
Bij het saneren, bij ontwatering en bij grondwateronderzoeken kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij de activiteit vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.
Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn grotendeels overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.
Het waterschap heeft geconstateerd dat lozingen van grondwater bij sanering, ontwatering en grondwateronderzoek een verslechtering van de ecologische waterkwaliteit met zich mee kunnen brengen door het verminderen van de zuurstofverzadiging, veroorzaakt door zuurstofarm grondwater. Daarnaast zorgt de lozing voor een verslechtering van de ecologische waterkwaliteit door het verminderen van het doorzicht, wat veroorzaakt wordt door de neerslagreactie van ijzer met andere stoffen en de aanwezigheid van onopgeloste bestanddelen in de lozing. Om deze reden is er voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering een emissiegrenswaarde voor ijzer van 5 mg/l opgenomen. Deze norm werd in de praktijk al gehanteerd en is nu verwerkt in de emissiegrenswaarden in artikel 2.8 van de waterschapsverordening. De emissiegrenswaarde voor ijzer heeft een preventief effect op zuurstofverzadiging. De lozingsnorm voor onopgeloste bestanddelen bij het lozen van grondwater bij ontwatering in niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen is door het waterschap naar beneden bijgesteld naar 20 mg/l en gelijkgetrokken met de lozingsnorm voor het lozen van grondwater bij saneringen.
Het lozen van grondwater bij ontwatering zorgt voor een verslechtering van de chemische waterkwaliteit en een verhoging van de toxiciteit doordat de lozing zware metalen bevat en er gewasbeschermingsmiddelen, PAK’s en andere verontreinigende stoffen worden geloosd op het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de emissiegrenswaarden die al bestonden voor het lozen van grondwater bij saneringen ook toegepast voor het lozen van grondwater bij ontwatering. Deze normen werden in de praktijk al door initiatiefnemers en vergunningverleners gebruikt als referentiekader bij de lozing. Het waterschap heeft, met het oog op het verbeteren van de waterkwaliteit, voor een aantal nieuwe stoffen emissiegrenswaarden opgenomen, bijvoorbeeld voor de stoffen antraceen, fenantreen, barium en molybdeen. Er zijn ook enkele stoffen benoemd voor lozingen in aangewezen oppervlaktewaterlichamen die al toegepast werden voor lozingen in niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen.
Derde lid:
In het derde lid van dit artikel is een voorschrift opgenomen voor het lozen van grondwater bij ontwatering. Deze lozing verslechtert de ecologische waterkwaliteit door het verminderen van de zuurstofverzadiging van het oppervlaktewater. Dit wordt veroorzaakt door het lozen van zuurstofarm grondwater op het oppervlaktewater. Zuurstoftekort heeft onomkeerbare effecten op vissen en macrofauna. Het voorschrift in het derde lid zorgt ervoor dat het zuurstofgehalte niet verder daalt dan 70% verzadiging ter plaatse van het lozingspunt en is opgesteld om de waterkwaliteit te beschermen.
Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Artikel 2.9 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Artikel 2.10 Informatieplicht
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: ten minste 5 werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken.
Vierde lid:
Dit lid verplicht om x weken/werkdagen voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de kwaliteit van het grondwater wat geloosd wordt. Deze informatie is afkomstig uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd op basis van de onderzoeksverplichting uit paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Om te bepalen of op een bepaalde locatie sprake is van een bodemverontreiniging die risico’s oplevert, is bodeminformatie nodig. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden die voor de activiteit nodig zijn moet de initiatiefnemer een bodemonderzoek uitvoeren. Een onderdeel van dit onderzoek zijn gegevens over de kwaliteit van het grondwater.
Het lozen van grondwater bij ontwatering zorgt voor een verslechtering van de chemische waterkwaliteit en verhoogt de toxiciteit door het lozen van zware metalen, het lozen van gewasbeschermingsmiddelen, PAK’s en andere verontreinigende stoffen. Op basis van de onderzoeksgegevens van het bodemonderzoek, dat door de initiatiefnemer op grond van paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is uitgevoerd voor de ontgraving, kan het waterschap beoordelen wat het effect van een eventuele bodemverontreiniging kan hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit.
Wanneer er voor de (graaf-) werkzaamheden geen (voorafgaand) bodemonderzoek vereist is, hoeft dit niet bij de melding van de lozing te worden ingediend. In de gevallen dat er enkel een vooronderzoek conform de NEN 5725 is uitgevoerd, is het voldoende om deze informatie aan te leveren.
Artikel 2.10a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van grondwater bij ontwatering vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het lozen van grondwater bij ontwatering in beschermingszone V van een vispassage. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Hierbij moet worden voldaan aan de aanvraagvereisten uit artikel 2.3 van de waterschapsverordening, en wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregel die is opgenomen in artikel 2.4 van de waterschapsverordening. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. Het lozen van grondwater bij ontwatering zorgt voor het verslechteren van de ecologische waterkwaliteit door het belemmeren van de migratie van vissen en andere organismen. Om deze reden is een vergunningplicht ingesteld voor het lozen van grondwater bij ontwatering in beschermingszone V van een vispassage.
Artikel 2.11 Toepassingsbereik
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels
Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
Artikel 2.13 Algemene regel
De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt.
In dit artikel is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn aangelegd. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.14 Informatieplicht
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken worden aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig, ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg of wijziging, op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
Artikel 2.15 Toepassingsbereik
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Huishoudelijk afvalwater is in het Besluit activiteiten leefomgeving gedefinieerd als: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden.
Artikel 2.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.
Artikel 2.21 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van warmte of koude afkomstig van een aquathermiesysteem of van een koelwatersysteem. Bij aquathermie wordt koude of warmte onttrokken aan het oppervlaktewater. Koelwater is afkomstig van koelwatersystemen en daarmee wordt warmte geloosd op het oppervlaktewater.
Deze afdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. In die gevallen zijn er regels over het lozen van koelwater opgenomen in dat besluit.
Als sprake is van lozingen uit een aquathermiesysteem afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, dan is deze afdeling wel van toepassing.
Daarnaast kunnen lozingen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam ook afkomstig zijn van activiteiten die niet onder het Bal vallen. Op deze lozingen is deze afdeling eveneens van toepassing. Koelwater van het koelwatersysteem kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan.
Artikel 2.22 Aanwijzing algemene regels
In dit artikel worden de algemene regels aangewezen die van toepassing zijn als sprake is van het lozen van warmte of koude, al dan niet in de vorm van koelwater, op een oppervlaktewaterlichaam.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gesloten TEO-systemen, open TEO-systemen en koelwatersystemen. Bij gesloten TEO-systemen wordt er alleen warmte of koude uitgewisseld ("geloosd”) met het oppervlaktewater. Bij open TEO-systemen en koelwatersystemen is daadwerkelijk sprake van het lozen van (warm of koud) water.
De warmtevracht van een warmte of koudelozing uit een open TEO-systeem of koelwatersysteem wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het lozingswater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij:
L = lozingsdebiet (m3/s);
ΔT = verschil temperatuur lozingswater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius; en
W = warmtecapaciteit van het lozingswater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening. Andere oppervlaktewaterlichamen zijn niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen.
Artikel 2.23 Algemene regel
Eerste lid, onder a:
In een gesloten TEO-systeem vindt geen uitwisseling van de vloeistof in het systeem plaats met het oppervlaktewater. Bij een lekkage mag de vloeistof uit het gesloten TEO-systeem geen schade toebrengen aan het aquatisch ecosysteem van het oppervlaktewater. Daarom mag in het gesloten TEO-systeem alleen een milieuvriendelijk anti-vriesmiddel worden toegepast.
Eerste lid, onder b:
Dit onderdeel is erop gericht om in situaties van schaarste meer grip te hebben op de toename van warmtelozing of koudelozing. In een waterenergieplan kunnen overheden met elkaar bepalen in hoeverre de vraag naar warmte of koude moet worden beperkt als gevolg van het aanbod in een bepaald oppervlaktewater. Beperking van de vraag beperkt de onttrekking en daarmee ook de lozing van warmte of koude. Als dit het geval is, zal het waterenergieplan (of ander beleid) worden gepubliceerd zodat overheden het kunnen verankeren in hun beleid en initiatiefnemers het kunnen raadplegen. Tot die tijd geldt: wie het eerst komt, wie het eerst maalt.
Tweede lid, onder a:
Het lozen van warmte op een oppervlaktewaterlichaam kan de fysische waterkwaliteit verslechteren doordat de lozing zorgt voor opwarming van de algehele watertemperatuur. Volgens de huidige best beschikbare technieken is de grenswaarde voor de maximale temperatuur van het te lozen van water 28°C. Het waterschap heeft geconstateerd dat grens van 25°C als maximumtemperatuur noodzakelijk is om de waterkwaliteit te beschermen. Bij een hogere temperatuur kunnen zuurstoftekorten ontstaan die direct een schadelijk effect hebben op de waterkwaliteit. Op basis van deze algemene regel mag de lozing van warmte op een oppervlaktewaterlichaam een maximumtemperatuur hebben van 25°C.
Tweede lid, onder b:
Dit temperatuurverschil is afgeleid van de oude ABK-richtlijnen voor de zomer. In de winter mocht dit verschil in temperatuur groter zijn. In de Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen wordt een temperatuurverschil van maximaal 10°C geadviseerd. Er is voor gekozen om maximaal 7°C te hanteren. De regel uit de handreiking is daarmee aangescherpt.
Tweede lid, onder c:
In het voorjaar, wanneer de temperatuur doorgaans ongeveer tussen de 10 °C en 15 °C ligt, mag maximaal met een temperatuurverschil van 2 °C ten opzichte van de achtergrondtemperatuur geloosd worden, omdat negatieve effecten op biologische ontwikkelingen, met name opkomende waterplanten, dan vermeden worden.
Tweede lid, onder d:
Bij een maximaal te onttrekken vermogen (warmte of koude) van 1000 kJ/s (1 MW) hoort, met een ΔT van 5 °C, een debiet van 172 m3/uur. Dit maximale debiet is bepaald om te voorkomen dat aquathermiesystemen of koelwatersystemen met gebruik van een lagere ΔT een groter debiet gaan gebruiken om hetzelfde maximale vermogen te onttrekken dat is toegewezen aan aangewezen wateren. Met dit grotere debiet is de kans groter dat er wordt afgeweken van het criterium van 10% van het totale debiet van de watergang dat wordt gehanteerd in de Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen, versie 2 (STOWA 2023-40).
Tweede lid, onder e:
Wanneer bij een aquathermiesysteem (en eventueel bij een koelwatersysteem) onttrekking en lozing binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden, is er geen sprake van het passeren van een peilscheiding en daarmee dus geen sprake van het afvoeren van water van het ene naar het andere peilgebied. Daarmee is uitgesloten dat er potentieel peilwijzigingen of andere waterhuishoudkundige effecten optreden, die vergunningplichtig zijn.
Tweede lid, onder f:
Aquathermiesystemen en koelwatersystemen hebben als doel om warmte of koude te onttrekken aan het oppervlaktewater met behulp van een warmtewisselaar. Het is niet toegestaan om chemicaliën toe te voegen om bijvoorbeeld algengroei in de leidingen en warmtewisselaar tegen te gaan. Dit moet ondervangen worden door periodieke reiniging van de leidingen en de warmtewisselaar.
Tweede lid, onder g:
Dit onderdeel is erop gericht om in situaties van schaarste meer grip te hebben op de toename van warmtelozing of koudelozing. In een waterenergieplan kunnen overheden met elkaar bepalen in hoeverre de vraag naar warmte of koude moet worden beperkt als gevolg van het aanbod in een bepaald oppervlaktewater. Beperking van de vraag beperkt de onttrekking en daarmee ook de lozing van warmte of koude. Als dit het geval is, zal het waterenergieplan (of ander beleid) worden gepubliceerd, zodat overheden het kunnen verankeren in hun beleid en initiatiefnemers het kunnen raadplegen. Tot die tijd geldt: wie het eerst komt, wie het eerst maalt.
Artikel 2.24 Informatieplicht
Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de algemene gegevens en bescheiden te verstrekken uit artikel 1.11. Daarnaast wordt een situatietekening en informatie over de maximale warmtevracht of koudevracht, de capaciteit van de warmtepomp, de locatie van de warmtewisselaar en de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overgelegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast. De wijziging moet voldoen aan artikel 2.22 eerste lid. Indien de wijziging niet voldoet aan artikel 2.22 eerste lid dan is sprake van een nieuwe situatie, die opnieuw beoordeeld moet worden.
Artikel 2.24a Meldplicht
Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing een melding te doen en hierbij aan het bevoegd gezag de algemene gegevens en bescheiden te verstrekken uit artikel 1.11. Daarnaast wordt een situatietekening, een tekening van de instroomvoorzieningen en uitstroomvoorzieningen en informatie over het debiet van de lozing op het lozingspunt, de maximale warmtevracht of koudevracht, de capaciteit van de warmtepomp, de locaties van het lozingspunt en het onttrekkingspunt, de locatie van de warmtewisselaar en de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overgelegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast. De wijziging moet voldoen aan artikel 2.22 tweede of derde lid. Indien de wijziging niet voldoet aan artikel 2.22 tweede of derde lid dan is sprake van een nieuwe situatie, die opnieuw beoordeeld moet worden.
Artikel 2.24b Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Vierde lid:
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van warmte of koude op een oppervlaktewaterlichaam vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het lozen van warmte of koude in een natuurvriendelijke oever. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. Het lozen van warmte of koude in een natuurvriendelijke oever kan zorgen voor een verslechtering van de fysische waterkwaliteit. Door de lozing wordt de algehele watertemperatuur opgewarmd of afgekoeld. Per geval moet worden beoordeeld of de lozing plaats kan vinden.
Artikel 2.24c Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Dit artikel verplicht om bij het aanvragen van een vergunning voor het lozen van warmte of koude naast de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2.3, een situatietekening, informatie over de maximale warmtevracht of koudevracht en informatie over de capaciteit van de warmtepomp te verstrekken.
Artikel 2.25 Toepassingsbereik
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater.
Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
In dit artikel staat de aanwijzing voor algemene regels voor de activiteiten die genoemd staan in artikel 2.25.
Bij de uitzondering voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd, kan gedacht worden aan bijvoorbeeld gevelreiniging.
Artikel 2.27 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
Het onderhouden van bouwwerken houdt veelal in dat de bouwwerken van verontreinigingen worden ontdaan, dat roest en oude verflagen worden verwijderd en dat een nieuwe verflaag wordt aangebracht. Bij de werkzaamheden worden reinigings- en/of conserveringstechnieken toegepast en komen stoffen vrij of worden stoffen gebruikt die emissies veroorzaken naar het oppervlaktewaterlichaam. Om deze emissies te voorkomen of te beperken zijn milieubeschermende maatregelen nodig. In het algemeen gebeurt dit door het afschermen van de ruimte waarin wordt gewerkt en door het opvangen en verwerken van vrijkomende stofdeeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de te verwijderen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen milieubeschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor het milieu beperkt worden.
Voor de reinigings- en conserveringswerkzaamheden moet een werkinstructie opgesteld worden waarin in ieder geval de maatregelen staan die getroffen worden om het lozen te voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.23 van het Bal. De tekst van deze toelichting is hieronder ter informatie opgenomen:
Bij reinigings- en conserveringswerkzaamheden kunnen verschillende afvalstromen ontstaan, afhankelijk van de techniek die wordt toegepast. Bij droge technieken komen bijvoorbeeld straalmiddel, schuursel en verfresten vrij. Bij natte technieken, waarbij water wordt toegepast, ontstaat afvalwater. Voorkomen moet worden dat deze in het oppervlaktewater terecht komen. Bij het onderhouden, reinigen en conserveren moet een hulpconstructie worden toegepast die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen. Dit moet worden vastgelegd in een werkinstructie. Een hulpconstructie is niet nodig als er onder de waterspiegel gereinigd of geconserveerd wordt. Bij het kunstmatig verlagen van de waterspiegel door een damwand om het bouwwerk te plaatsen en het water uit de zo ontstane bouwkuip te pompen, is dus wel een hulpconstructie nodig.
De constructie is bedoeld voor afscherming van de ruimte waarin wordt gewerkt en opvang en verwerking van vrijkomende deeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de te verwijderen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen beschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit beperkt worden. De maatregelen bestaan uit winddichte, stofdichte of vloeistofdichte wanden, vloeren, afdichtingen en aansluitingen.
Een winddichte afdichting is gericht op het voorkomen van invloed van wind op de emissie van stofdelen, vloeistof of nevel uit de hulpconstructie. Dit kan worden bereikt door het aan elkaar rijgen van de wanden.
Een stofdichte afdichting is gericht op het voorkomen van emissie van stofdelen uit de hulpconstructie. Dit kan worden bereikt door het sealen van naden of het gebruik van PUR-schuim voor het afdichten van de naden.
Een vloeistofdichte afdichting is gericht op het voorkomen van emissie van vloeistof of nevel uit de hulpconstructie.
Hoe schadelijker de gebruikte of vrijkomende stoffen, hoe verder de te treffen maatregelen moeten gaan. Bij de behandeling van niet-gecoate ondergronden, waarbij geen verfresten vrijkomen, zullen minimale eisen volstaan. Als stoffen zoals koolteer of verven op basis van cadmium, tin of kwik kunnen vrijkomen zijn verdergaande eisen nodig. In het laatste geval zal de hulpconstructie (vloei)stofdicht moeten worden uitgevoerd en voorzien van afzuiging met permanente onderdruk. Als gewerkt wordt bij windsnelheden groter dan 8 m/s zijn ook extra maatregelen nodig.
Straaltechnieken veroorzaken meer stofvorming en vragen om die reden een hogere afscherming afhankelijk van de toe te passen stoffen. Technieken waarbij metallische straalmiddelen worden gebruikt hebben de voorkeur boven technieken waarbij smeltslakgrit of een mineraal straalmiddel worden gebruikt. Gebruikt straalmiddel moet, afhankelijk van de samenstelling op dat moment, worden gerecycled, gereinigd of als gevaarlijk afval worden behandeld.
Bijzondere bouwwerken
Bij bijzondere bouwwerken, zoals (spoor)bruggen, aanlegsteigers of kranen, zal het niet altijd mogelijk zijn om de ruimte waar wordt gewerkt geheel te omsluiten. In de werkinstructie wordt aangegeven op welke wijze het object zoveel mogelijk wordt omsloten.
Werkzaamheden direct boven water
Direct boven de waterspiegel (minder dan 50 cm) zal het ook niet altijd mogelijk zijn om het bouwwerk volledig te omsluiten. Als er sprake is van relatief onschadelijke stoffen, kan de hulpconstructie achterwege worden gelaten. De redenen moeten worden vermeld in de werkinstructie.
Klein onderhoud
In de praktijk vinden ook veel kleine onderhoudswerkzaamheden plaats, zoals het monteren van verkeersborden op vaste objecten, het verven of bijwerken van een brugleuning en kleine reparaties. Als in voldoende mate invulling wordt gegeven aan de zorgplicht, zoals het afzuigen van het stof bij het boren, zal het niet nodig zijn om een hulpconstructie aan te brengen.
Droge reinigingstechnieken
Reinigingstechnieken waarbij water zonder ontvetters wordt gebruikt of de ontvetter met een doek wordt aangebracht, worden als droge techniek beschouwd omdat geen vervuilde afvalwaterstroom ontstaat. De hoeveelheid vrijkomend vuil of loszittende delen is zeer beperkt. Deze technieken (ook wel aangeduid als R1-technieken) kunnen zonder voorzieningen of maatregelen maar met inachtneming van de zorgplicht worden uitgevoerd. Deze technieken zijn: afwassen met water, schoonspuiten met water, reinigen met stoom onder een druk van ten hoogste 200 bar zonder toevoeging van ontvetters en het ontvetten met doeken en een ontvetter.
R2-technieken zijn handmatige en machinale technieken, zoals schuren, borstelen, beitelen, bikken, schrapen, steken, slijpen. Deze technieken geven een geringe hoeveelheid vrijkomende stofdeeltjes of de stofdeeltjes worden direct afgezogen. Afhankelijk van de gebruikte en vrijkomende stoffen kan volstaan worden met beperkte voorzieningen.
R3-technieken zijn straaltechnieken. Droge straaltechnieken waarbij de hoeveelheid vrijkomende verontreinigende stoffen groot is, worden toegepast bij grote oppervlakken. Voorbeelden zijn aanstralen, integraal stralen, integraal opruwen door stralen, roestvrij maken van oppervlakken door stralen of ministralen en droog ijs- of CO2-stralen. Afhankelijk van de gebruikte en vrijkomende stoffen vereist dit verdergaande maatregelen, zoals een stofdichte hulpconstructie met afzuiging die onderdruk creëert.
De volgende tabel is een handvat om te bepalen welke voorzieningen nodig zijn. Voor R1-technieken gelden geen specifieke eisen. Als uit de werkinstructie blijkt dat onvoldoende maatregelen worden getroffen, kan het bevoegd gezag met maatwerkvoorschriften extra eisen stellen.
Tabel 6.23a
Droog reinigen
Stof categorie A
Stof categorie B
Stof categorie C
R2 < 8 m/s
Vloer
Vloer
Vloer
R2 > 8 m/s
Vloer en Zijwand gaas
Vloer en Zijwand gaas
Vloer en Zijwand gaas
R3
Vloer en Zijwand en bovenzijde gaas
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas en Winddicht.
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas en Winddicht
R3 met metallisch straalmiddel
N.v.t.
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas en Winddicht
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas, Stofdicht en Afzuiging
R3 met smeltslakgrit of mineraal straalmiddel
N.v.t.
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas, Winddicht en Afzuiging
Vloer, Zijwand en bovenzijde gaas, Stofdicht en Afzuiging
Stoffen categorie A in bovenstaande tabel zijn basalt, beton en betonmortel, schoon metselwerk, cementgebonden deklagen, niet verduurzaamd hout, steenachtige ondergronden en metallische ondergronden met uitzondering van zink, tin, koper of legeringen van die metalen. Stoffen categorie C zijn koolteer of koolteerderivaten, lood- of chromaathoudende pigmenten, antifoulings en andere verven op basis van cadmium, tin of kwik. De overige stoffen zijn stoffen categorie B.
Natte reinigingstechnieken
Bij natte reinigingstechnieken worden water of ontvetters/chemicaliën gebruikt. Het gebruik van water heeft tot gevolg dat het vrijkomende afvalwater moet worden opgevangen door een vloeistofdichte voorziening en dient te worden afgevoerd naar een zuiveringsvoorziening. Chemisch reinigen of ontvetten en het schoonspuiten met water of met stoom met toevoeging van ontvetters worden aangeduid als R4-technieken.
Natte straaltechnieken waarbij de hoeveelheid vrijkomende milieuverontreinigende stof groot is (R5-technieken), worden toegepast bij grote oppervlakken. Er ontstaat zeer veel verontreinigd afvalwater dat moet worden opgevangen en gezuiverd. Toegepaste technieken zijn onder andere watergritreinigen, lage druk watergritstralen of vochtig stralen, handmatig of mechanisch hoge druk water(grit)stralen.
De volgende tabel is een handvat om te bepalen welke voorzieningen nodig zijn. De stofcategorieën in deze tabel zijn dezelfde als bij droge technieken.
Tabel 6.23b
Nat reinigen
Stof categorie A
Stof categorie B
Stof categorie C
R4
Vloer en zijwand
Vloer en zijwand
Vloer en zijwand
R5
Vloer en zijwand
Vloer, zijwand en bovenzijde en Vloeistofdicht
Vloer, zijwand en bovenzijde, Vloeistofdicht en Afzuiging
Conserveren
Bij conserveringswerkzaamheden zijn de milieubezwaarlijkheid van vrijkomende stoffen, de grootte van het te behandelen oppervlak en de mate waarin mors- en oversprayverliezen optreden maatgevend voor de milieubelasting. C1-technieken leveren nagenoeg geen overspray of morsen lekverliezen. C3-technieken geven een redelijke tot behoorlijke overspray. C1-technieken zijn: aanbrengen van verflagen of conserveringslagen met behulp van kwast, spaan of roller, HVLP-spuiten en (hot) elektrostatisch spuiten. C2-technieken zijn: aanbrengen van verflagen of conserveringslagen met behulp van een kneedmortelpomp of spuiten van kleine oppervlakten. C3-technieken zijn: airless, airmix of pneumatisch spuiten of twee componenten spuiten.
De volgende tabel is een handvat om te bepalen welke voorzieningen nodig zijn. De stofcategorieën in deze tabel zijn dezelfde als bij droge technieken. Voor conserveringswerkzaamheden met stoffen categorie A gelden geen specifieke eisen.
Tabel 6.23c
Conserveren
Stof categorie B
Stof categorie C
C1 < 8 m/s
Vloer
Vloer en zijwand
C 1 > 8 < 14 m/s
Vloer en zijwand
Vloer en zijwand
C2
Vloer en zijwand en Vloeistofdicht
Vloer en zijwand, Vloeistofdicht en Afzuiging
C3
Vloer en zijwand, Vloeistofdicht en Afzuiging
Vloer, zijwand en bovenzijde, Vloeistofdicht en Afzuiging
Artikel 2.28 Werkinstructie bij bouwen en slopen
Als bouwwerken worden gesloopt, gerenoveerd of gebouwd is het bijna onvermijdelijk dat vaste delen in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Het is daarom van belang dat bij deze werkzaamheden aan bouwwerken, die in de buurt van of boven het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden, verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. De werkwijze en een zorgvuldige bedrijfsvoering zijn daarbij van doorslaggevend belang. Daarom moet een werkinstructie worden opgesteld waarin naast de werkwijze in ieder geval is aangegeven welke preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Er moet worden gehandeld conform deze werkinstructie en de daarin genoemde maatregelen moeten worden getroffen.
Artikel 2.29 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
Als het bij het reinigen of conserveren nodig is om te werken met een gesloten hulpconstructie en afzuiging, geldt een emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid stof die naar de buitenlucht wordt afgevoerd. Deze eis is bedoeld om te voorkomen dat het stof alsnog in het oppervlaktewater terecht kan komen. Als de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam zodanig groot is dat een lozing redelijkerwijs niet te verwachten is, geldt dit artikel niet.
Artikel 2.30 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van stof.
Artikel 2.31 Informatieplicht
Op grond van dit artikel moeten aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor aanvang van de reinigings- of conserveringswerkzaamheden of de bouw- of sloopwerkzaamheden de in het eerste lid van dit artikel genoemde gegevens en bescheiden verstrekt worden. Daarbij moet de werkinstructie worden toegestuurd.
Artikel 2.32 Toepassingsbereik
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting. Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om ‘het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen’. Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De afdeling heeft geen betrekking op ‘opslaan’. Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal.
Artikel 2.33 Aanwijzing algemene regels
Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd in oppervlaktewater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt voordat het wordt geloosd. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was bepaald dat de lozing geen visuele verontreiniging mag veroorzaken. Die bepaling keert niet terug, want het voorkomen van visuele verontreiniging is onderdeel van de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
Artikel 2.34 Algemene regel
Onder a: bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (bijvoorbeeld zand of grind op een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
Onder b: is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift onder a in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het voorschrift onder a wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het voorschrift onder b, sub 1, is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 m. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het voorschrift onder a is gebruik maken van een ponton of een morsklep.
De maatregelen onder b laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van artikel 2.33 Aanwijzing algemene regels.
Artikel 2.35 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het lozen van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen. Dit zijn goederen die kunnen uitlogen als zij in contact komen met water of die kunnen lekken of vermesten.
Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels
Het eerste en tweede lid gaan over het overslaan van niet-inerte goederen.
Het derde lid gaat over het opslaan van goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Het derde lid geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is dus een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden 'uitgezet'. Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan.
Het eerste en tweede lid van dit artikel hebben betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het:
bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;
overslaan van zout voor het strooien op wegen;
overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en
overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
Met 'bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen' wordt het overslaan bedoeld wat in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld voor inrichtingen.
De andere overslaghandelingen (strooizout, niet-inerte goederen die vrijkomen bij of nodig zijn in een werk) hebben betrekking op wat in het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld voor het overslaan buiten een inrichting. Bij 'niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk' kan gedacht worden aan het vervangen of aanleggen van een walbeschoeiing in het oppervlaktewater, het aanbrengen of vervangen van kabels in de bodem of oppervlaktewater en andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Dit materiaal kan van allerlei aard zijn, zoals beschadigde walbeschoeiing en oude kabels. Ook het nieuwe materiaal kan worden overgeslagen voordat het in het werk wordt aangebracht. In dit geval betreft het dus de nieuwe walbeschoeiing, nieuwe kabels en soortgelijk materiaal die nodig zijn in een werk.
In het derde lid is geregeld dat lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 m aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.
Artikel 2.37 Algemene regel
Bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel. Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang.
Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (op bijvoorbeeld een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
In het tweede lid onder b is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het tweede lid onder b, sub 1, is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 m. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep. De maatregelen laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regel.
Artikel 2.38 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 2.32 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Artikel 2.39 Informatieplicht
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag bepaalde gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 2.40 Toepassingsbereik
In dit artikel staat het toepassingsbereik van afdeling 2.9. Het gaat over regels voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels
Dit artikel gaat over de aanwijzing van algemene regels voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. De aanwijzing van de algemene regels is uitgesplitst in twee categorieën.
Het eerste lid gaat over afvloeiend hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater dat afkomstig is uit openbare stelsels en riolen.
Het tweede lid gaat alleen over huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een ‘overheids-IBA. Dit is een ander systeem dan een openbaar vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Dit moeten passende systemen zijn in beheer bij een gemeente, een waterschap of een rechtspersoon die door een gemeente of waterschap met het beheer is belast. Het gaat om systemen waarmee hetzelfde niveau van het beschermen van het milieu wordt bereikt.
Artikel 2.42 Algemene regel
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven. Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast verplichtte het voormalige artikel 3.8 van de Waterwet tot afstemming van taken en bevoegdheden over de afvalwaterketen. Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. Ook het nieuwe stelsel gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Ongetwijfeld zal het college van burgemeester en wethouders het waterschap daarbij betrekken. Als het college van burgemeester en wethouders een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam ‘rioleringsprogramma’ is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Voor lozingen vanuit ‘overheids-IBA’s’ geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de hierboven opgenomen toelichting.
Derde lid:
Het derde lid van dit artikel bevat verplichte onderdelen die het gemeentelijk rioleringsplan, een gemeentelijke rioleringsprogramma’s of een programma ter uitvoering dit plan of programma in ieder geval moeten bevatten om onder de werking van deze algemene regel te vallen. Dit artikel zorgt ervoor dat de lozing alleen onder de algemene regel kan vallen als het gemeentelijk rioleringsplan, gemeentelijk rioleringsprogramma of een uitvoeringsprogramma ter uitvoering van dit plan of programma voldoet aan de eisen uit het derde lid. Dit lid is een vertaling van alle eisen uit het inmiddels vervallen artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Dit artikel zorgde ervoor dat in het gemeentelijk rioleringsplan of gemeentelijk rioleringsprogramma de gevolgen voor het milieu van de bestaande en nieuw aan te leggen voorzieningen beschreven werden. Voor het waterschap is het met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit van belang dat deze eisen terugkomen in gemeentelijke rioleringsprogramma’s. Als de gemeente de gevolgen voor het milieu in een rioleringsprogramma heeft uitgewerkt en een directe relatie heeft aangebracht tussen de rioleringswerken en het waterhuishoudkundige en milieubeleid zijn de gevolgen voor de waterkwaliteit op de juiste wijze meegenomen. De lozing kan in dat geval onder de algemene regel uit deze afdeling vallen. Als de lozing niet aan de eisen uit artikel 2.42 van de waterschapsverordening voldoet geldt er voor de lozing een vergunningplicht op basis van artikel 2.74 van de waterschapsverordening.
Artikel 2.43 Toepassingsbereik
Dit artikel heeft betrekking op baggerwerkzaamheden en ontgravingen en geldt alleen voor de lozingen bij het baggeren en ontgraven zelf. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een eventuele toepassing van de bagger of de opgegraven materie.
Het artikel is niet alleen van toepassing op waterbeheerders die baggerwerkzaamheden en ontgravingen verrichten. Ook als die werkzaamheden door derden worden verricht (zoals de onderhoudsplichtigen), is het artikel van toepassing.
Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan als die plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewater waar ook het baggeren of ontgraven plaatsvindt.
Artikel 2.44 Aanwijzing algemene regels
Het eerste lid van dit artikel heeft betrekking op lozingen afkomstig van andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Bijvoorbeeld het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.
Het vierde lid van dit artikel heeft betrekking op het lozen van algen en bacteriën op een oppervlaktewaterlichaam wat door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvindt in het kader van oppervlaktewaterbeheer.
Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat algen en bacteriën afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam geloosd mogen worden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Daarbij geldt de voorwaarde dat beide oppervlaktewaterlichamen in beheer zijn bij dezelfde waterbeheerder. Het artikel maakt mogelijk dat de waterbeheerder, in het kader van het oppervlaktewaterbeheer, algen en bacteriën naar eigen inzicht in het eigen beheersgebied kan verplaatsten.
Artikel 2.45 Werkinstructie verontreinigde waterbodem
Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd' komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.
Artikel 2.46 Informatieplicht
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 2.47 Toepassingsbereik
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.
Artikel 2.48 Aanwijzing algemene regels
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Artikel 2.49 Algemene regel
Tegen lozingen van dit afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bestaat geen bezwaar, voor zover het afvalwater geen chemicaliën zoals desinfecteermiddelen bevat. Een lozing die wel zulke middelen bevat, is alleen mogelijk als het bevoegd gezag daarvoor een maatwerkvoorschrift heeft gesteld.
Artikel 2.49a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen vergunningplichtig is. Dit is het geval als de lozing plaatsvindt in kwetsbaar water of in natuurvriendelijke oevers. De vergunningplicht in dit artikel is opgenomen omdat het voor deze gebieden niet mogelijk is om algemene regels te stellen die zorgen voor veilige grenzen. Het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen verslechtert de ecologische waterkwaliteit door het verslechteren van het doorzicht en de zuurstofverzadiging door het loskomen van ijzer en biofilm. Het afvalwater kan niet zonder voorafgaande beoordeling geloosd worden op een oppervlaktewaterlichaam. Er moet eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Artikel 2.50 Toepassingsbereik
Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip ‘calamiteitenoefening’. Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloeieigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.
Artikel 2.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen vergunningplichtig is. Dit is het geval als de lozing plaatsvindt in kwetsbaar water, in natuurvriendelijke oevers of wanneer andere middelen worden toegepast dan water, zoals blusschuim. De vergunningplicht in dit artikel is opgenomen omdat het voor deze gebieden niet mogelijk is om algemene regels te stellen die zorgen voor veilige grenzen. Het lozen van afvalwater afkomstig van calamiteitenoefeningen verslechtert de ecologische waterkwaliteit door het verhogen van de toxiciteit en het verslechteren van de zuurstofverzadiging van het oppervlaktewater. Daarnaast kan het afvalwater zorgen voor het verslechteren van het lichtklimaat. Het afvalwater kan niet zonder voorafgaande beoordeling geloosd worden op het oppervlaktewaterlichaam. Er moet eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Artikel 2.53 Toepassingsbereik
In dit artikel staat het toepassingsbereik van afdeling 2.13. Het gaat over regels voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.
Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 m vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt. Deze uitzondering is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens.
Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 m vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens.
Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 m vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens.
Het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten is niet geregeld in het Bal. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 m vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens.
Zesde lid:
Het zesde lid van dit artikel bevat een maatwerkregel op artikel 4.796 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In afwijking van dit artikel wordt voor het lozen van afvalwater, afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de emissiegrenswaarden uit het vijfde lid van artikel 2.55. De emissiegrenswaarden voor onopgeloste bestanddelen worden gelijkgesteld met de emissiegrenswaarden voor grondwater. De overige aanpassingen sluiten aan bij de lozingsnormen voor huishoudelijk afvalwater.
Artikel 2.55 Algemene regel: emissiegrenswaarden
Dit artikel bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor de lozingen.
Artikel 2.56 Algemene regel: uitzondering Bal
Op grond van de artikelen 4.801 en 4.804 van het Bal mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt.
Artikel 2.57 Algemene regel: bepalen afstand
De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Artikel 2.58 Meet- en rekenbepaling
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van ‘NEN-ISO 15705’ wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening.
Artikel 2.59 Informatieplicht
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 2.59a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen op een oppervlaktewaterlichaam vergunningplichtig is. Dit is het geval als de lozing plaatsvindt in kwetsbaar water of in natuurvriendelijke oevers. De vergunningplicht in dit artikel is opgenomen omdat het voor deze gebieden niet mogelijk is om algemene regels te stellen die zorgen voor veilige grenzen. Het afvalwater kan niet zonder voorafgaande beoordeling geloosd worden op het oppervlaktewaterlichaam. Er moet eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. Het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen verslechtert de ecologische waterkwaliteit door het verhogen van de productiviteit, het verslechteren van de zuurstofverzadiging, de lichtkwaliteit en het verhogen van de toxiciteit van het oppervlaktewater door het gebruik van gewasbeschermings- en reinigingsmiddelen. De lozing kan ook bijdragen aan het verslechteren van de fysische en chemische waterkwaliteit door het beïnvloeden van het zoutgehalte van het oppervlaktewater en het lozen van metalen en overige verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater.
Artikel 2.60 Toepassingsbereik
In dit artikel staat het toepassingsbereik van afdeling 2.14. Het gaat over regels voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton.
Artikel 2.61 Algemene regel
Volgens de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
Dit artikel bevat afwijkende emissiegrenswaarden ten opzichte van de emissiegrenswaarden uit de artikelen 4.141, tweede lid, en 4.159, van het Besluit activiteiten leefomgeving en is dan ook een maatwerkregel op deze artikelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het lozen van dit afvalwater verslechtert de fysisch chemische en ecologische waterkwaliteit door het verhogen van de zuurgraad en de toxiciteit. Daarnaast zorgt de lozing voor een verslechtering van de ecologische waterkwaliteit door het verslechteren van het lichtklimaat. Om deze reden zijn de emissiegrenswaarden voor de zuurgraad en de onopgeloste stoffen aangescherpt.
Het derde lid van dit artikel bevat de mogelijkheid om in plaats van de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofgebruik uit artikel 4.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving een emissiegrenswaarden voor het totaal gebonden koolstof te hanteren. In sommige gevallen is het beter om te rekenen met de emissiegrenswaarde voor het totaal gebonden koolstof in plaats van met de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik.
Artikel 2.61a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en producten met betonmortel op een oppervlaktewaterlichaam vergunningplichtig is. Deze vergunningplicht is een aanvulling op de artikelen 4.135, vierde lid, en 4.153 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De vergunningplicht geldt als er bij het maken van het beton chemische ontkistingsmiddelen of toevoegmaterialen zoals vliegas, poederkoolvliegas of gegranuleerde hoogovenslakken worden toegepast. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. Het lozen van afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en producten met betonmortel waaraan chemische ontkistingsmiddelen of toevoegmaterialen worden toegepast zorgt voor een verslechtering van de chemische waterkwaliteit en het verhogen van de toxiciteit door het lozen van metalen, PAKs en andere verontreinigende stoffen. Het is moeilijk te voorspellen wat de kwaliteit van het afvalwater zal zijn. Dit hangt sterk af van het gehele productieproces. In de beoordeling hiervan zal per definitie maatwerk nodig zijn.
Artikel 2.62 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze afdeling is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.
Artikel 2.63 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het lozen van dit afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. Het lozen van afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding verslechtert zowel de chemische als ecologische waterkwaliteit door het verhogen van de toxiciteit en het verslechteren van de zuurstofverzadiging en productiviteit van het oppervlaktewater. De lozing draagt ook bij aan een verslechtering van de chemische waterkwaliteit door de aanwezigheid van schoonmaakmiddelen en PAK’s in het afvalwater. Tot slot verslechtert de lozing de ecologische waterkwaliteit door het verslechteren van het lichtklimaat en het doorzicht. Binnen het beheergebied van het waterschap ligt ook in het buitengebied een openbare (druk)riolering waardoor een lozing in het oppervlaktewater niet noodzakelijk is. De effecten van het lozen van afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding op de waterkwaliteit zijn sterk afhankelijk van het ontvangende watersysteem en de activiteit vereist daardoor veel maatwerk. Naar aanleiding hiervan heeft het waterschap een vergunningplicht ingesteld voor het lozen van dit afvalwater op het oppervlaktewater.
Artikel 2.66 Toepassingsbereik
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.
Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.
Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels
Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.
De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.
Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam of elders geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan.
Artikel 2.68 Meldplicht
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 2.68a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel wijst aan wanneer het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers waar uitheemse vissoorten gehouden worden, als de vissen in de visvijver medicijnen krijgen toegediend of als de vissen worden bijgevoerd. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers waar uitheemse vissoorten worden gehouden zorgt voor het verslechteren van de ecologische waterkwaliteit doordat uitheemse vissoorten kunnen ontsnappen uit oppervlaktewater. Ook de larven en eitjes van deze uitheemse vissoorten kunnen terecht komen in het watersysteem en daar ecologische schade teweeg brengen. Om deze reden is een vergunningplicht ingesteld voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers waar uitheemse vissoorten gehouden worden. Uitheemse vissoorten worden ook wel exoten genoemd. In het rapport Bescherming zoetwatervissen C148/20, IMARES Wageningen UR van 24 november 2010 is te vinden welke vissoorten inheems, exoot of ingeburgerd zijn. Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers valt ook onder de vergunningplicht als de vissen worden bijgevoerd of medicijnen krijgen toegediend. Medicijnresten en visvoerresten verslechteren de ecologische waterkwaliteit door het lozen van nutriënten of andere schadelijke stoffen.
Artikel 2.71 Toepassingsbereik
In dit artikel staat het toepassingsbereik van afdeling 2.18. Het gaat over regels voor asverstrooiing in een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.72 Algemene regel
De toegestane lozing betreft het incidenteel verstrooien op een voor de overledene of de nabestaanden bijzondere plek. Het artikel heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien.
Artikel 2.73 Toepassingsbereik
In dit artikel staat het toepassingsbereik van afdeling 2.19. Het gaat over regels voor andere lozingen dan de lozingen die zijn geregeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18.
Artikel 2.74 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het verrichten van een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap is een omgevingsvergunning vereist, als die lozing niet is geregeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18 van deze waterschapsverordening. De vergunningplicht is beperkt tot het lozen van stoffen, warmte of koude (oftewel de gevolgen voor de waterkwaliteit). Een eventuele vergunningplicht voor het lozen van water (oftewel de gevolgen voor de waterkwantiteit) staat op andere plaatsen in deze waterschapsverordening. Beide vergunningen kunnen natuurlijk wel gelijktijdig worden aangevraagd.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte, koude of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
Voor het lozen van water, warmte, koude of stoffen op een zuiveringtechnisch werk, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit vereist. Voor lozingen die wel afkomstig zijn van zo'n milieubelastende activiteit is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen afkomstig van wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen vergunningplicht bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten in het beheergebied van het waterschap, tenzij dit in dit hoofdstuk anders is aangegeven.
Artikel 3.2 Specifieke gegevens en bescheiden bij een meldplicht wateronttrekkingsactiviteit(grondwater)
Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor een meldplicht voor een grondwateronttrekkingsactiviteit en gelden naast de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.11 van deze waterschapsverordening.
Eerste lid, onder j.
Het in de bodem brengen van grondwater heeft uitsluitend betrekking op het weer in de bodem terugbrengen van grondwater dat eerder aan de bodem onttrokken is als mitigerende maatregel. De gemeente is bevoegd gezag voor de beoordeling van de kwalitatieve aspecten van de bodemlozing, het waterschap beoordeelt alleen de kwantitatieve aspecten, i.c. het effect van de mitigerende maatregel.
Artikel 3.3 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor een grondwateronttrekkingsactiviteit en is ontleend aan de Omgevingsregeling. De aanvraagvereisten zijn in aanvulling op artikel 4:2 van de Awb en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling.
Eerste lid, onder j: Met “het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater” heeft zowel betrekking op het weer in de bodem terugbrengen van grondwater dat eerder aan de bodem onttrokken is als ander water, zoals oppervlaktewater, hemelwater of proceswater, dat in de bodem wordt gebracht om het daar te laten of om het naderhand voor gebruik weer te onttrekken. Water dat in de bodem wordt gebracht om naderhand weer voor gebruik te worden onttrokken wordt aangeduid met de term “infiltreren”. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend beoordeelt het waterschap zowel de kwalitatieve als kwantitatieve aspecten van de bodemlozing.
Artikel 3.4 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (oppervlaktewater)
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor een oppervlaktewateronttrekkingsactiviteit en is ontleend aan de Omgevingsregeling. De aanvraagvereisten zijn in aanvulling op artikel 4:2 van de Awb en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling.
Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
De beoordelingsregel van het Bkl voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten. Dit sluit aan bij de wijze waarop dit in de Waterwet was geregeld. De beoordelingsregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 3.5 is niet van toepassing op het retourbemalen van grondwater.
Artikel 3.6 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een bouwput. Activiteiten die hier in ieder geval onder vallen zijn, het onttrekken van grondwater voor:
a.het aanleggen, slopen of verwijderen van funderingen, kelders, andere ondergrondse bebouwing of objecten, zoals: ondergrondse tanks, zuiveringstechnische voorzieningen of duikers;
b.een bodemsanering;
c.het inspecteren van ondergrondse bebouwing of objecten;
d.een (diepe) gestuurde grondboring; of
e.het aanleggen van kabels en leidingen in een sleuf die minder dan 20 m per week verplaatst.
Deze paragraaf is van toepassing voor het uitvoeren van bovenstaande activiteiten waarbij een grondwateronttrekking in één of meerdere bouwputten noodzakelijk is om de werkzaamheden in den droge uit te kunnen voeren.
Artikel 3.7 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het onttrekken van grondwater in een bouwput in ieder geval inhoudt. In dit artikel is de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 dus verder geconcretiseerd voor een grondwateronttrekking in een bouwput. In dit artikel zijn regels opgenomen die de belangen van derden (zoals bebouwing, infrastructuur, waterkeringen, mobiele verontreiniging, archeologie, andere grondwateronttrekkingen, natuur, landbouw, bomen en stadsgroen) beschermen en is aangegeven dat schade moet worden beperkt. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan.
Artikel 3.8 Voorrangsbepaling
Dit artikel bevat de voorrangsbepaling voor de activiteit grondwater onttrekken in een bouwput. Als er voor het onttrekken van grondwater in een bouwput een algemene regel, informatieplicht of meldplicht is aangewezen in de paragraaf aanwijzing algemene regels dan gelden deze niet zodra er in de paragraaf aanwijzing vergunningplichtige gevallen een vergunningplicht is aangewezen voor de onderdelen waarvan de invloedsgebieden van de onttrekkingen elkaar overlappen. In dit geval geldt er een vergunningplicht. Onderdelen waarbij geen overlap in invloedsgebied plaatsvindt mogen afzonderlijk worden aangevraagd/gemeld.
Artikel 3.9 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking bouwput
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een bouwput. Afhankelijk van het wel of niet verplaatsen van een aanwezige verontreiniging, de grootte van het onttrekkingsdebiet, de omvang van het waterbezwaar en de diepte van de grondwateronttrekking, kan een grondwateronttrekking worden toegestaan onder algemene regels. Voor het onttrekken van grondwater in een bouwput kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond op een locatie met gebiedsgericht grondwaterbeheer waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente.
In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Binnen deze zones beschouwt het bevoegd gezag het verplaatsen van verontreinigen niet direct als een probleem, mits de verplaatsing binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft.
Verplaatsen van een verontreiniging buiten het gebied met gebiedsgericht grondwaterbeheer Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de bouwputbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de bouwputbemaling. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied van een grondwateronttrekking kan verplaatst worden. Dit is onder een algemene regel toegestaan, als:
a.de verontreinigingsvlek minder dan 5 meter verplaatst wordt;
b.de verontreinigingsvlek onderdeel is van een bodemsanering; of
c.De verontreinigingsvlek meer dan 5 meter verplaats wordt, maar de verplaatsing tot 5 meter beperkt blijft als gevolg van het toepassen van een mitigerende maatregel (interceptie- en/of schermbemaling).
Een interceptie- of schermbemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld voor een bouwput) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de bouwputbemaling wordt verplaatst. Een schermbemaling is een retourveld dat tussen de grondwateronttrekking en de vlek in geplaatst wordt. Als de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling kunnen de werkzaamheden onder de algemene regel uitgevoerd worden, mits wordt voldaan aan het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel. Deze is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering, maximaal 25 m3 per uur. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld een bouwput).
Onttrekkingsdebiet Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigings-vlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie- of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3 per uur zijn.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem. Ervaring leert dat bij een grondwateronttrekking ten behoeve van een bouwput met een debiet van maximaal 100 m3 per uur de (negatieve) gevolgen beperkt zijn. Het onder een algemene regel gelijktijdig uitvoeren van grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten of meerdere interceptiebemalingen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is alleen toegestaan indien het uurdebiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen samen maximaal 100 m3 per uur is of wanneer het uurdebiet van de grootste bemaling van direct na elkaar uit te voeren grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten, die in elkaars invloedsgebied liggen, maximaal 100 m3 per uur is.
Daarnaast geldt onder een algemene regel dat het waterbezwaar maximaal 400.000 m3 mag bedragen. Het waterbezwaar is de totale hoeveelheid onttrokken grondwater en wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Doorgaans reageert het grondwatersysteem relatief traag en zijn de risico's bij een waterbezwaar van maximaal 400.000 m3 , beperkt. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 100 m3 per uur. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt.
Diepte van de grondwateronttrekking Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van een scheidende laag, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel.
Retourbemaling Het waterschap is in geval van een melding bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving beperken. Retourneren geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht in de bodem waaruit het onttrokken is. Daarnaast worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het retourneren van grondwater is een gevolg van een bepaalde activiteit waarvoor de grondwateronttrekking wordt uitgevoerd. Dit kunnen verschillende grondwateronttrekkingen zijn. Het retourneren wordt meegenomen bij de melding van de grondwateronttrekking. De kwalitatieve aspecten van de bodemlozing zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente.
Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels gelden voor het onttrekken van grondwater bij een waterkering. Voor het onttrekken van grondwater binnen de beperkingengebieden van een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en een informatieplicht.
Eerste lid: Het tijdelijk onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden aan voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m 3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m 3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Tweede en derde lid: Het tijdelijk onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur. Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur. De activiteiten kunnen worden toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht zolang aan deze regels wordt voldaan.
Vierde lid: Het tijdelijk onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkade (waterkering) mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht. Dit is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 5 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 5 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht.
Artikel 3.11 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking in een gebied met grondwatergevoelige natuur. Voor het onttrekken van grondwater in een gebied met grondwatergevoelige natuur kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en een informatieplicht.
Eerste lid: Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de bouwput, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Tweede lid: Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de grondwateronttrekking plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de sleufbemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart- oktober) is in een grondwatergevoelig gebied een extra belasting voor de planten, bomen en gewassen. In deze periode is de grondwaterbehoefte dan ook groot. Om de effecten van het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart-oktober) met een hoger onttrekkingsdebiet (>10 m3/uur) te beperken is het verplicht om het water weer terug in de bodem te brengen nabij de locatie waar het wordt onttrokken. Hiermee wordt beoogd om de verlaging van de grondwaterstand binnen het gebied met grondwatergevoelige natuur te beperken.
Derde lid: Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur , maar de grondwateronttrekking vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Bij een debiet kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur zijn de risico's ten gevolge van de grondwateronttrekking beperkt. Er worden slechts zeer beperkte schommelingen in de grondwaterstand en/of stijghoogte verwacht. Bij een debiet groter dan 10 m3/uur is het effect op de grondwatergevoelige natuur afhankelijk van de periode wanneer de bemaling uitgevoerd wordt: binnen of buiten het groeiseizoen (maart-oktober). Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt.
Artikel 3.12 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking bij kwetsbare bebouwing. Voor het onttrekken van grondwater ter plaatse van kwetsbare bebouwing kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en een informatieplicht.
Eerste lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG, dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing.
Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit.
Tweede lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Artikel 3.13 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater in een bouwput. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.7.
Tweede lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de bodem van een ontgraving geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden.
Om zicht te krijgen/houden op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de bouwput heeft het waterschap voorgeschreven waaraan een monitoring voor het verlagen van de grondwaterstand en/of stijghoogte minimaal moet voldoen. Hiermee kan bij drastische verlagingen worden ingegrepen om schade te voorkomen. Voor het aanbrengen van peilbuizen e.d. is toestemming nodig van een eventuele (mede)eigenaar, beheerder of gebruiker van de grond.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat niet aan de voorgeschreven monitoring kan worden voldaan of dat met een andere methode van monitoring ook voldoende zicht wordt verkregen op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de bouwput. In deze gevallen kan een (gemotiveerd) schriftelijk verzoek, waarin de monitoring wordt beschreven, worden ingediend.
Daarnaast is het voor het verloop van de grondwateronttrekking van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemeten wordt. Meten gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd.
Om overzicht te krijgen/houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en geijkt in de afgelopen twee jaar. Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter.
Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Een melding mag bestaan uit meerdere grondwateronttrekkingen. Zoals bijvoorbeeld: het uitvoeren van meerdere bouwputbemalingen of het uitvoeren van een bouwputbemaling en een bodemsanering (ontgraving in een bouwput). Het is verplicht om voor alle grondwateronttrekkingen één melding in te dienen of één vergunning aan te vragen. Hiervan mag worden afgeweken als sprake is van een bemaling die lang loopt waarbij niet continu grondwater wordt onttrokken. Als gedurende 8 weken of langer geen grondwater onttrokken wordt, mag een nieuwe melding worden ingediend. Dit geldt ook voor onderdelen die ver uiteen liggen en waarvan de invloedsgebieden van de bouwputbemalingen elkaar niet overlappen. Deze onderdelen mogen afzonderlijk worden gemeld.
Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit:
-een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP;
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, filters en stijgbuizen zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters; en
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen.
Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht.
Derde en vierde lid:
Het tijdelijk onttrekken van grondwater bij een waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor een primaire waterkering of regionale waterkering op een minder stabiele ondergrond. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied een geen primaire waterkering is geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur.
Vijfde lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zesde lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zevende lid:
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de bouwput, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Achtste lid:
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de grondwateronttrekking plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de bemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd.
Negende lid:
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur, maar de grondwateronttrekking vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt. Een grondwaterstand onder de GLG kan leiden tot schade aan de natuur die bestaat uit het risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied niet kunnen bereiken. De grootte van het debiet van een grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat er zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken.
Tiende lid:
Het waterschap is bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving, beperken. Water terug in de bodem brengen geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht waar het vandaan komt. Daarmee worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het brengen van water in de bodem dat niet eerst onttrokken is, brengt risico’s met zicht mee. Het doel van het brengen van water in de bodem en de kwaliteit van het water moet bekend zijn om er uitspraken over te kunnen doen. Het aanleggen en verwijderen van “retourbronnen” kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere “retourbronnen” waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Om te voorkomen dat een andere kwaliteit grondwater wordt vermengd met mogelijk schoner grondwater moet het onttrokken grondwater nabij de onttrekkingslocatie en in hetzelfde watervoerende pakket (als waar het uit onttrokken is) weer in de bodem worden gebracht. Daarmee wordt verplaatsing van verontreiniging en eventuele schade aan schone bodem voorkomen. Indien het onttrokken grondwater verontreinigd is, moet eerst bij het bevoegd gezag nagegaan worden of het water terug in de bodem gebracht mag worden.
Door water in de bodem te brengen, neemt de grondwaterstand en/of stijghoogte toe. Een mogelijk negatieve bijkomstigheid is dat de grondwaterstand of stijghoogte plaatselijk te veel kan stijgen, waardoor waterschade kan ontstaan bij bebouwing door optrekkend vocht en het vollopen van kelders en kruipruimtes, vernattingsschade bij landbouw en natuur waardoor gewassen en wortels verrotten, grondwaterverontreiniging kan worden verplaatst, de waterbodem van een watergang kan opbarsten, etc.. Om dit te voorkomen is een grens gesteld tot hoever de grondwaterstand/ stijghoogte mag stijgen ten opzichte van de GHG.
Artikel 3.14 Informatieplicht
Dit artikel bevat de informatieplichten voor het onttrekken van grondwater in een bouwput en gelden zodra dit in de algemene regels is aangewezen.
Eerste lid:
Kort voordat met de bemaling wordt gestart wordt de onttrekkingsinstallatie ingericht en worden watermeters geplaatst. Gegevens over de geplaatste watermeters (zoals watermeter type, -nummer en beginstand) worden uiterlijk drie dagen na aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of één van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
De peilbuizen worden doorgaans geplaatst en ingemeten enkele weken voordat met de bemaling wordt gestart. Vervolgens worden nulmetingen verricht. De peilbuizen worden op een kaart ingetekend waarop ook de precieze locatie en inmeetgegevens worden vermeld (inclusief XY-coördinaten). Deze gegevens worden ten minste drie dagen na aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit:
-een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP;
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP filters zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters;
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen.
Wanneer retourbemaling wordt ingezet wordt er informatie aangeleverd over het retourveld. De retourbronnen worden op een kaart ingetekend waarop ook de precieze locatie en inmeetgegevens worden vermeld (inclusief XY-coördinaten). Daarnaast bevatten de gegevens de boorstaten van de retourbronnen, nummer van de watermeter(s) van het retourveld, beginstand(en) van de watermeter(s) van het retourveld en datum en tijdstip van aflezen van de watermeter(s). Deze gegevens worden aan het waterschap verstrekt.
Tweede lid:
Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht. Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken.
Derde lid:
Uiterlijk één maand na het beëindigen van de grondwateronttrekking moet de einddatum en de totale hoeveelheid onttrokken (en geretourneerde) grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag, de begin- en eindstand van de watermeter, de datum en het tijdstip van de beëindiging, de boorstaten en alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten, aan het waterschap worden doorgegeven. De gemelde gegevens worden gebruikt om:
-de melding administratief af te sluiten;
-de onttrekkingsperiode vast te leggen;
-het grondwatergebruik in ons gebied in kaart brengen;
-na te gaan of de daadwerkelijk onttrokken (en geretourneerde) hoeveelheid grondwater overeenkomt met de gemelde hoeveelheid; en
-bij het lozen in een vuilwaterriool, hemelwaterriool of oppervlaktewater de zuiverings- of verontreinigingsheffing op te leggen.
Artikel 3.15 Meldplicht
Dit artikel bevat de meldplicht voor het onttrekken van grondwater in een bouwput en geldt zodra deze in de algemene regels is aangewezen.
Een melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. Dit kan digitaal, via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd naar een ander bevoegd gezag ter informatie en indien van toepassing voor advies.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een bouwproject wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of één van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend. Op basis van de gemelde startdatum wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Zie voor meer informatie over melden van bemalingen waarbij sprake is van overlap in invloedsgebied zie de toelichting bij artikel 3.13.
Artikel 3.16 Vergunningplicht grondwateronttrekking bouwput
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een bouwput vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Artikel 3.17 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een bouwput in beperkingengebieden van een waterkering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste en tweede lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of met een debiet groter dan 2 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de primaire waterkering. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Derde en vierde lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit klei-op-veen of veengronden en grondwater onttrokken wordt met een debiet hoger dan 2 m3 per uur kan het onttrekken van grondwater inklinking of piping veroorzaken met als gevolg dat scheuren in de waterkering kunnen ontstaan of in het uiterste geval de waterkering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart Klei op veen- of veengronden, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Vijfde, zesde en zevende lid:
Als het grondwater onttrokken wordt met een drainagebuis of met een hoger debiet dan 5 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de waterkering of zomerkade. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Artikel 3.18 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een bouwput vergunningplichtig is omdat deze van invloed is voor grondwatergevoelige natuur. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de treffen maatregelen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Bij de beoordeling wordt nagegaan of grondwatergevoelige natuur binnen het invloedsgebied van de bemaling aanwezig is en, indien dit het geval is, of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en de verlaging vindt plaats tijdens het groeiseizoen zonder dat retourbemaling wordt toegepast, dan wordt nagegaan wat daarvan de gevolgen kunnen zijn. Een grondwaterstand onder de GLG in een gebied met grondwatergevoelige natuur kan leiden tot schade aan de natuur en risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied bereiken. De grootte van het debiet en de duur van een grondwateronttrekking zijn daarvoor bepalend. Nagegaan wordt of de handelingen kunnen worden toegestaan en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
Artikel 3.19 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een bouwput vergunningplichtig is omdat deze van invloed is voor nabijgelegen kwetsbare bebouwing. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door te treffen maatregelen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Bij de beoordeling wordt nagegaan of kwetsbare bebouwing binnen het invloedsgebied van de bemaling aanwezig is en deze gebouwd is op een zettingsgevoelige bodem. Indien beide het geval is en de grondwaterstand bij de bebouwing wordt verder verlaagd dan de GLG, kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend gaan zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Met passende maatregelen die worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning wordt dit voorkomen.
Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en dient te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een te grote verschilzetting berekend wordt dan dient de bodemdaling met mitigerende maatregelen te worden beperkt. De maatregelen worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning.
Artikel 3.20 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een sleuf. Activiteiten die hier in ieder geval onder vallen zijn, het onttrekken van grondwater voor:
a.het aanleggen of repareren van riolering, kabels, leidingen en funderingen;
b.het uitvoeren van onderzoek of andere werkzaamheden onder de grond (daarbij is sprake van een sleuf die in meerdere delen na elkaar gegraven wordt);
c.het graven van een watergang; en
d.een sleuf waarbij de voortgang van een in bemaling genomen sleufgedeelte minimaal 20 meter per week is.
Een sleufbemaling kenmerkt zich door een voortgang van de grondwateronttrekking, het opschuiven of verplaatsen van de grondwateronttrekking in de loop van de tijd. De grondwateronttrekking start op een punt en zal gaandeweg de grondwateronttrekking opschuiven, net zo lang tot de volledige afstand van het tracé is afgelegd. Daar waar het opschuiven van de sleuf minder is dan 20 m/week wordt dat onderdeel van de sleuf beschouwd als een bouwput.
De reden dat onderscheid gemaakt wordt in een sleuf- en bouwputbemaling is het verschil in de gevolgen van de bemaling voor de omgeving. Sleufbemaling is minder belastend voor de omgeving dan een bouwputbemaling. Hoe langer op dezelfde plaats bemalen wordt des te vollediger verloopt het proces van bodemdaling en des te verder breidt het invloedsgebied zich op deze plaats uit. En hoe langer een bemaling op dezelfde wordt uitgevoerd des te groter zullen de effecten daarvan zijn. Door het verplaatsen van de sleufbemaling zal ook steeds weer een nieuw gedeelte in bemaling worden genomen, met steeds opnieuw een hoog aanvangsdebiet met weinig effect naar de omgeving bij de start van de bemaling. Een bemaling die snel verplaatst heeft plaatselijk minder effect naar de omgeving terwijl het aanvangsdebiet relatief hoog is. Daarom is geen uurdebiet opgenomen maar een verplaatsingssnelheid en een maximaal weekdebiet.
Artikel 3.21 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het onttrekken van grondwater in een sleuf in ieder geval inhoudt. In dit artikel is de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 dus verder geconcretiseerd voor een grondwateronttrekking die uitgevoerd wordt in een sleuf. In dit artikel zijn regels opgenomen die de belangen van derden (zoals bebouwing, infrastructuur, waterkeringen, mobiele verontreiniging, archeologie, andere grondwateronttrekkingen, natuur, landbouw, bomen en stadsgroen) beschermen en is aangegeven dat schade moet worden beperkt. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan.
Artikel 3.22 Voorrangsbepaling
Dit artikel bevat de voorrangsbepaling voor de activiteit grondwater onttrekken in een sleuf. Als er voor het onttrekken van grondwater in een sleuf een algemene regel, informatieplicht of meldplicht is aangewezen in de paragraaf aanwijzing algemene regels dan gelden deze niet zodra er in de paragraaf aanwijzing vergunningplichtige gevallen een vergunningplicht is aangewezen. In dat geval geldt er een vergunningplicht.
Artikel 3.23 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking sleuf
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf. Het karakteristieke van een sleufbemaling is dat deze zich in de tijd verplaatst waardoor het invloedsgebied nooit de stationaire fase bereikt. De effecten naar de omgeving zijn bij een gelijk onttrekkingsdebiet daardoor minder groot dan bij een stationaire bouwput waar het invloedsgebied na verloop van tijd wel de stationaire fase bereikt. Is de verplaatsing minder dan 20 m per week dan gedraagt de sleufbemaling zich meer als een bouwput en wordt dit onderdeel van de sleuf als bouwput beoordeeld.
Een voortgang van 20 meter per week voor een in bemaling genomen gedeelte van de sleuf, betekent dat na een week de werkzaamheden en daarmee de grondwateronttrekking minimaal 20 meter moeten zijn verplaatst. Dit geldt voor elk gedeelte van de sleuf dat wordt bemalen. Het is niet mogelijk om de voortgang van 20 meter per week te verdelen over meerdere sleuven, om zo een gemiddelde voortgang van 20 meter te berekenen. Heen en weer schuiven (bijvoorbeeld: een week werken van noord naar zuid en de daarop volgende week werken van zuid naar noord op dezelfde locatie) wordt evenmin beschouwd als voortgang. Wanneer de voortgang kleiner dan 20 meter per week is beschouwen wij de bemaling van dit sleufgedeelte als een bouwputbemaling.
Afhankelijk van de grootte van het onttrekkingsdebiet, de verplaatsingssnelheid van de sleuf (meer dan 20 m/week), de omvang van het waterbezwaar, het al dan niet verplaatsen van een aanwezige verontreiniging en de diepte van de grondwateronttrekking, kan een sleufbemaling worden toegestaan onder algemene regels.
Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond op een locatie met gebiedsgericht grondwaterbeheer waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente.
In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Binnen deze zones beschouwt het bevoegd gezag het verplaatsen van verontreinigen niet direct als een probleem, mits de verplaatsing binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft.
Verplaatsen van een verontreiniging buiten het gebied met gebiedsgericht grondwaterbeheer
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de bouwputbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de sleuf. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied van een grondwateronttrekking kan verplaatst worden. Dit is onder een algemene regel toegestaan, als:
a.de verontreinigingsvlek minder dan 5 meter verplaatst wordt;
b.de verontreinigingsvlek onderdeel is van een bodemsanering; of
c.de verontreinigingsvlek meer dan 5 meter verplaats wordt, maar de verplaatsing tot 5 meter beperkt blijft als gevolg van het toepassen van een mitigerende maatregel (interceptie- en/of schermbemaling).
Een interceptie- of schermbemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld voor een sleuf) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de sleuf wordt verplaatst. Een schermbemaling is een retourveld dat tussen de sleufbemaling en de vlek in geplaatst wordt. Als de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling kunnen de werkzaamheden onder de algemene regel uitgevoerd worden, mits wordt voldaan aan het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel. Deze is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering, maximaal 25 m3 per uur. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld een sleuf).
Onttrekkingsdebiet I
Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigings-vlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie- of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3 per uur zijn.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem.
Ervaring leert dat bij een grondwateronttrekking ten behoeve van een sleuf met een debiet van maximaal 15.000 m3 per week de (negatieve) gevolgen beperkt zijn. Het onder een algemene regel gelijktijdig uitvoeren van grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten/sleuven of meerdere interceptiebemalingen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is alleen toegestaan indien het uurdebiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen samen maximaal 15.000 m3 per week is of wanneer het debiet van de grootste bemaling van direct na elkaar uit te voeren grondwateronttrekkingen in meerdere sleuven, die in elkaars invloedsgebied liggen, maximaal 15.000 m3 per week is.
Daarnaast geldt onder een algemene regel dat het waterbezwaar maximaal 400.000 m 3 mag bedragen. Het waterbezwaar is de totale hoeveelheid onttrokken grondwater en wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Doorgaans reageert het grondwatersysteem relatief traag en zijn de risico's bij een waterbezwaar van maximaal 400.000 m3 , beperkt. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 15.000 m3 per week. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt.
Diepte van de grondwateronttrekking
Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van een scheidend laag, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel. Een sleufbemaling is in de regel ondiep ( < 3 m-mv) waardoor deze doorgaans in de deklaag of in het eerste watervoerend pakket wordt uitgevoerd.
Onttrekkingsdebiet II
Bij een laag debiet zijn de effecten op de grondwaterstand en in de omgeving beperkt. Uit ervaring blijkt dat er zeer beperkte schommelingen (verlagingen) in de grondwaterstand of stijghoogte worden geconstateerd. Daarom zijn bij een debiet van maximaal 10 m3 per uur, 5.000 m3 per maand (30 dagen) en 12.000 m3 per jaar maar beperkte (negatieve) gevolgen te verwachten en zijn aan dit soort grondwateronttrekkingen minder eisen gesteld. Wanneer een sleufbemaling plaatsvindt in een deklaag kan sprake zijn van een zeer geringe toestroom van freatisch grondwater naar de sleuf die met open bemaling verwijderd kan worden.
Retourbemaling
Het waterschap is in geval van een melding bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving beperken. Retourneren geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht in de bodem waaruit het onttrokken is. Daarnaast worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het retourneren van grondwater is een gevolg van een bepaalde activiteit waarvoor de grondwateronttrekking wordt uitgevoerd. Dit kunnen verschillende grondwateronttrekkingen zijn. Het retourneren van grondwater bij een sleufbemaling is goed uitvoerbaar door de filters te gebruiken voor retourbemaling die eerder zijn gebruikt voor het onttrekken van grondwater uit een eerder bemalen sleufgedeelte. Dit kan wordt meegenomen bij de melding van de grondwateronttrekking. De kwalitatieve aspecten van de bodemlozing zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente.
Artikel 3.24 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij een waterkering. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf in een beperkingengebied van een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater een zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Tweede en derde lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur. De activiteiten kunnen worden toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht zolang aan deze regels wordt voldaan.
Vierde lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkade (waterkering) mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht. Dit is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 5 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 5 m 3 per uur, toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht.
Artikel 3.25 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij grondwatergevoelige natuur. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de sleuf, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Tweede lid:
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de sleufbemaling plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de sleufbemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart- oktober) is in een grondwatergevoelig gebied een extra belasting voor de planten, bomen en gewassen. In deze periode is de grondwaterbehoefte dan ook groot. Om de effecten van het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart-oktober) met een hoger onttrekkingsdebiet (>10 m3/uur) te beperken is het verplicht om het water weer terug in de bodem te brengen nabij de locatie waar het wordt onttrokken. Hiermee wordt beoogd om de verlaging van de grondwaterstand binnen het gebied met grondwatergevoelige natuur te beperken.
Derde lid:
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur, maar de sleufbemaling vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Bij een debiet kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur zijn de risico's ten gevolge van de grondwateronttrekking beperkt. Er worden slechts zeer beperkte schommelingen in de grondwaterstand en/of stijghoogte verwacht. Bij een debiet groter dan 10 m3/uur is het effect op de grondwatergevoelige natuur afhankelijk van de periode wanneer de bemaling uitgevoerd wordt: binnen of buiten het groeiseizoen (maart-oktober). Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt.
Artikel 3.26 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij kwetsbare bebouwing. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de sleufbemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG, dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Tweede lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Artikel 3.27 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater in een sleuf. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.21.
Eerste lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de bodem van een ontgraving geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden. Om overzicht te krijgen en houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Monitoring van de onttrokken hoeveelheid grondwater, gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2 jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Tweede lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven en een maximale sleuflengte aangegeven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de sleufbodem geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden. Een maximale sleuflengte zorgt ervoor dat een sleuf niet onnodig lang bemalen wordt.
Om zicht te krijgen/houden op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de sleuf heeft het waterschap voorgeschreven waaraan een monitoring voor het verlagen van de grondwaterstand of stijghoogte minimaal moet voldoen. Hiermee kan bij drastische verlagingen worden ingegrepen om schade te voorkomen. Voor het aanbrengen van peilbuizen e.d. heeft u toestemming nodig van een eventuele (mede)eigenaar, beheerder of gebruiker van de grond. Door omstandigheden kan het voorkomen dat niet aan de voorgeschreven monitoring kan worden voldaan of dat met een andere methode van monitoring ook voldoende zicht wordt verkregen op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de sleuf. In deze gevallen kan een (gemotiveerd) schriftelijk verzoek, waarin de monitoring wordt beschreven, worden ingediend. Daarnaast is het voor het verloop van de grondwateronttrekking van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemeten wordt. Meten gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2 jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd.
Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Derde en vierde lid:
Het tijdelijk onttrekken van grondwater bij een waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor een primaire waterkering of regionale waterkering op een minder stabiele ondergrond. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied een geen primaire waterkering is geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur. De activiteiten kunnen worden toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht zolang aan deze regels wordt voldaan.
Vijfde lid
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zesde lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zevende lid
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de bouwput, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Achtste lid
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de grondwateronttrekking plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de bemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Retourbemalen is goed uitvoerbaar door eerder gebruikte onttrekkingsfilter te gebruiken als retourfilter.
Negende lid
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3 /uur , maar de grondwateronttrekking vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt. Een grondwaterstand onder de GLG kan leiden tot schade aan de natuur die bestaat uit het risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied niet kunnen bereiken. De grootte van het debiet van een grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat er zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken.
Tiende lid:
Het waterschap is bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving, beperken. Water terug in de bodem brengen geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht waar het vandaan komt. Daarmee worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het brengen van water in de bodem dat niet eerst onttrokken is, brengt risico’s met zicht mee. Het doel van het brengen van water in de bodem en de kwaliteit van het water moet bekend zijn om er uitspraken over te kunnen doen. Het aanleggen en verwijderen van “retourbronnen” kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere “retourbronnen” waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Om te voorkomen dat een andere kwaliteit grondwater wordt vermengd met mogelijk schoner grondwater moet het onttrokken grondwater nabij de onttrekkingslocatie en in hetzelfde watervoerende pakket (als waar het uit onttrokken is) weer in de bodem worden gebracht. Daarmee wordt verplaatsing van verontreiniging en eventuele schade aan schone bodem voorkomen. Indien het onttrokken grondwater verontreinigd is, moet eerst bij het bevoegd gezag nagegaan worden of het water terug in de bodem gebracht mag worden.
Door water in de bodem te brengen, neemt de grondwaterstand en/of stijghoogte toe. Een mogelijk negatieve bijkomstigheid is dat de grondwaterstand of stijghoogte plaatselijk te veel kan stijgen, waardoor de opwaartse druk bij bebouwing te veel toeneemt en de bebouwing kan gaan drijven. Om dit te voorkomen is een grens gesteld tot hoever de grondwaterstand/ stijghoogte mag stijgen ten opzichte van de GHG.
Artikel 3.28 Informatieplicht
Dit artikel bevat de informatieplichten voor het onttrekken van grondwater in een sleuf en gelden zodra dit in de algemene regels is aangewezen. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket of bij het waterschap.
Eerste lid:
De peilbuizen worden doorgaans geplaatst en ingemeten enkele weken voordat met de bemaling wordt gestart. Vervolgens worden nulmetingen verricht. De peilbuizen worden op een kaart ingetekend waarop ook de precieze locatie en inmeetgegevens worden vermeld. Deze gegevens worden ten minste drie dagen voor aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Tweede lid:
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een verschuiving van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking meer dan zes maanden verschuift of een van de indieningsvereisten wijzigt, zal een nieuwe melding ingediend moeten worden. De initiatiefnemer zal daarom de startdatum moeten bevestigen door het startformulier te versturen aan het waterschap. Op basis van deze data wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Derde lid:
Kort voordat met de bemaling wordt gestart wordt de onttrekkingsinstallatie ingericht en worden watermeters geplaatst. Gegevens over de geplaatste watermeters (zoals watermeter type, -nummer en beginstand) worden ten minste drie dagen voor aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Vierde lid:
Uiterlijk één maand na het beëindigen van de grondwateronttrekking moet de einddatum en de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag, de begin- en eindstand van de watermeter, de datum en het tijdstip van de beëindiging, de boorstaten en alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten, aan het waterschap worden doorgegeven. De gemelde gegevens worden gebruikt om:
-de melding administratief af te sluiten;
-de onttrekkingsperiode vast te leggen;
-het grondwatergebruik in ons gebied in kaart brengen;
-na te gaan of de daadwerkelijk onttrokken hoeveelheid grondwater overeenkomt met de gemelde hoeveelheid; en
-bij het lozen in een vuilwaterriool, hemelwaterriool of oppervlaktewater de zuiverings- of verontreinigingsheffing op te leggen.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht verkregen in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit:
-een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP;
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, filters en stijgbuizen zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters; en
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen.
Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht.
Artikel 3.29 Meldplicht
Dit artikel bevat de meldplicht voor het onttrekken van grondwater in een sleuf en geldt zodra deze in de algemene regels is aangewezen.
Een melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. Dit kan digitaal, via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd naar een ander bevoegd gezag ter informatie en indien van toepassing voor advies.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een bouwproject wordt uitgesteld. Een verschuiving van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking meer dan zes maanden verschuift of een van de indieningsvereisten wijzigt, zal een nieuwe melding ingediend moeten worden. De initiatiefnemer zal daarom de startdatum moeten bevestigen door het startformulier te versturen aan het waterschap. Op basis van deze data wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Artikel 3.30 Vergunningplicht grondwateronttrekking sleuf
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste, derde en zevende lid:
Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van scheidende lagen, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel. Voor het onttrekken van dieper gelegen grondwater zal per geval beoordeeld moeten worden of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder vergunningplicht.
Tweede, vierde en achtste lid:
De totale hoeveelheid onttrokken grondwater (waterbezwaar) wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 15.000 m3/week. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt. Het debiet en het totale waterbezwaar kunnen beperkt blijven door de lengte van de sleuf af te stemmen op de aanlegsnelheid. Zo wordt voorkomen dat een sleufdeel wordt bemalen, waarvoor een verlaagde grondwaterstand op dat moment nog niet noodzakelijk is. Bij een laag debiet zijn de effecten op de grondwaterstand en in de omgeving beperkt. Voor een dergelijke omvangrijkere grondwateronttrekking, (qua debiet en waterbezwaar) geldt een vergunningplicht.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en/of de stijghoogte ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem. Bij een debiet groter dan 15.000 m3/week zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Vijfde en negende lid:
Bij een debiet groter dan 25 m3/uur, zijn bij een saneringsmaatregel meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Zesde lid:
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de sleufbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de sleufbemaling. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied zal waarschijnlijk verplaatst worden. Indien er op de locatie van de grondwateronttrekking geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer is het niet toegestaan om - zonder beoordeling of dit tot risico's leidt - een verontreiniging met meer dan 5 meter te verplaatsen. Bij een verplaatsing van een verontreinigingsvlek die groter is dan 5 meter, zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Negende en tiende lid:
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente. In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Wanneer de verontreiniging niet binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft, dient per geval beoordeel te worden of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Artikel 3.31 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf bij een waterkering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste en tweede lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of met een debiet groter dan 2 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de primaire waterkering. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Derde en vierde lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit klei-op-veen of veengronden en grondwater onttrokken wordt met een debiet hoger dan 2 m3 per uur kan het onttrekken van grondwater inklinking of piping veroorzaken met als gevolg dat scheuren in de waterkering kunnen ontstaan of in het uiterste geval de waterkering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart Klei op veen- of veengronden, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Vijfde en zesde lid:
Als het grondwater onttrokken wordt met een drainagebuis of met een hoger debiet dan 5 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de waterkering of zomerkade. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Artikel 3.32 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf bij grondwatergevoelige natuur vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Bij de beoordeling wordt nagegaan of grondwatergevoelige natuur binnen het invloedsgebied van de bemaling aanwezig is en, indien dit het geval is, of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur en vindt de bemaling plaats tijdens het groeiseizoen zonder dat retourbemaling wordt toegepast dan dient te worden beoordeeld of de , kan deze grondwateronttrekking niet zonder meer onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Vindt geen retourbemaling plaats om de verlaging te mitigeren dan wordt nagegaan wat de gevolgen kunnen zijn. Een grondwaterstand onder de GLG in een gebied met grondwatergevoelige natuur kan leiden tot schade aan de natuur en risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied niet kunnen bereiken. De grootte van het debiet en de duur van een grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en de eventuele (negatieve) gevolgen die dit kan hebben. Nagegaan wordt of de handelingen kunnen worden toegestaan en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
Artikel 3.33 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf bij kwetsbare bebouwing vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Bij de beoordeling wordt nagegaan of kwetsbare bebouwing binnen het invloedsgebied van de bemaling aanwezig is en deze gebouwd is op een zettingsgevoelige bodem. Indien beide het geval is en de grondwaterstand bij de bebouwing wordt verder verlaagd dan de GLG, kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend gaan zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Met passende maatregelen die worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning wordt dit voorkomen.
Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en dient te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is.
Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een te grote verschilzetting berekend wordt dan dient de bodemdaling met mitigerende maatregelen te worden beperkt. De maatregelen worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning.
Artikel 3.34 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering. Activiteiten die hier in ieder geval onder vallen zijn, het onttrekken van grondwater voor het verwijderen van verontreinigingen uit het grondwater of voor het verwijderen van verontreinigd grondwater. Grondwatersaneringen worden uitgevoerd ten behoeve van het verwijderen van verontreinigingen uit het grondwater of het verwijderen van verontreinigd grondwater. Deze paragraaf is van toepassing voor het uitvoeren van een van bovenstaande activiteiten waarbij één of meerdere grondwateronttrekkingen noodzakelijk zijn.
Artikel 3.35 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering in ieder geval inhoudt. In dit artikel is de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 dus verder geconcretiseerd voor een grondwateronttrekking die uitgevoerd wordt voor een grondwatersanering. In dit artikel zijn regels opgenomen die de belangen van derden (zoals bebouwing, infrastructuur, waterkeringen, mobiele verontreiniging, archeologie, andere grondwateronttrekkingen, natuur, landbouw, bomen en stadsgroen) beschermen en is aangegeven dat schade moet worden beperkt. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan.
Artikel 3.37 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking grondwatersanering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering. Voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Algemeen
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en/of de stijghoogte ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem. Ervaring leert dat bij een grondwateronttrekking ten behoeve van een grondwatersanering met een debiet kleiner dan of gelijk aan 25 m3/uur de (negatieve) gevolgen beperkt zijn. Het onder een algemene regel gelijktijdig uitvoeren van grondwateronttrekkingen bij meerdere grondwatersaneringen of meerdere interceptiebemalingen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is alleen toegestaan indien het uurdebiet van alle gelijktijdig uitgevoerde grondwateronttrekkingen samen kleiner dan of gelijk aan 25 m3/uur zijn. Het onder een algemene regel direct na elkaar uitvoeren van grondwateronttrekkingen bij meerdere grondwatersaneringen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is toegestaan indien het uurdebiet van de grootste bemaling kleiner dan of gelijk aan 25 m3/uur is. Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigings-vlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- en/of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3/uur zijn.
Een verontreinigingsvlek kan ook door een andere oorzaak worden verplaatst, zoals natuurlijke grondwaterstroming. Indien hier sprake van is, is een grondwateronttrekking ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van de verontreinigingsvlek een beheersmaatregel. Hiervoor is regelgeving opgenomen in Grondwater onttrekken voor een beheersmaatregel.
Eerste en tweede lid:
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van de sanering verplaatst wordt in de richting van de grondwatersanering. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de grondwatersanering. Het verplaatsen van een verontreinigingsvlek is onder bepaalde omstandigheden toegestaan onder een algemene regel, mits wordt voldaan aan de vastgestelde maximale onttrekkingsdebieten, zoals hierboven toegelicht. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied zal waarschijnlijk verplaatst worden. Indien er op de locatie van de grondwateronttrekking geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer en de verontreinigingsvlek maximaal 5 meter verplaatst wordt, is dit toegestaan onder een algemene regel. Wanneer grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer is het niet toegestaan om - zonder beoordeling of dit tot risico's leidt – een verontreiniging met meer dan 5 meter te verplaatsen, tenzij de verontreinigingsvlek onderdeel is van de grondwatersanering wat bij een in situ grondwatersanering het geval is. Bij een in situ sanering wordt verontreinigd grondwater onttrokken, gezuiverd en met retourbemaling weer in de bodem teruggebracht. Dit wordt zolang herhaald totdat het grondwater voldoende gezuiverd is. Een in situ sanering is ook toegestaan onder een algemene regel.
Derde lid
Voor een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van de grondwatersanering en waarvan de verplaatsing meer is dan 5 meter kan de verplaatsing met een schermbemaling (maatregelen) worden tegengegaan. Een schermbemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijv. een grondwatersanering) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de grondwatersanering wordt verplaatst. Een schermbemaling is een retourveld dat tussen de grondwateronttrekking en de vlek in geplaatst wordt. Indien de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een schermbemaling, het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen en het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen voldoet aan de maximale criteria kunnen de werkzaamheden onder de algemene regel worden uitgevoerd. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking.
Vierde lid
Voor een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van de grondwatersanering en waarvan de verplaatsing meer is dan 5 meter kan de verplaatsing met een interceptiebemaling worden tegengegaan. Een interceptiebemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijv. een grondwatersanering) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de grondwatersanering wordt verplaatst. Indien de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een interceptiebemaling, het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen en het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen voldoet aan de maximale criteria onder de algemene regel kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden. Het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel, is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering.
Vijfde en zesde lid:
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente. In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Binnen deze zones beschouwt het bevoegd gezag het verplaatsen van verontreinigen niet direct als een probleem, mits de verplaatsing binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft. Het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel, is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking. Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigingsvlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- en/of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie- en/of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3/uur zijn.
Artikel 3.38 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Voor het uitvoeren van een bodemsanering bij een waterkering wordt de kern van de verontreiniging weggegraven en blijft in het gat dat is ontstaan nog een geringe hoeveelheid verontreinigd grondwater staan. Dit moet eerst worden verwijderd voordat de bodem met nieuwe grond wordt aangevuld. Het verwijderen van een geringe hoeveelheid verontreinigd grondwater is onder deze algemene regel toegestaan.
Artikel 3.39 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering in een gebied met grondwatergevoelige natuur. Voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld bij de onttrekkingsbron van de sanering, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Tweede lid
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, grondwatersanering plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater nadat dit gezuiverd is weer in de bodem wordt teruggebracht is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de grondwatersanering onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd.
Het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart- oktober) is in een grondwatergevoelig gebied een extra belasting voor de planten, bomen en gewassen. In deze periode is de grondwaterbehoefte dan ook groot. Om de effecten van het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart-oktober) met een hoger onttrekkingsdebiet (>10 m3/uur) te beperken is het verplicht om het water weer terug in de bodem te brengen nabij de locatie waar het wordt onttrokken. Hiermee wordt beoogd om de verlaging van de grondwaterstand binnen het gebied met grondwatergevoelige natuur te beperken.
Derde lid
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur , maar de grondwatersanering vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Bij een debiet kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur zijn de risico's ten gevolge van de grondwateronttrekking beperkt. Er worden slechts zeer beperkte schommelingen in de grondwaterstand en/of stijghoogte verwacht. Bij een debiet groter dan 10 m3/uur is het effect op de grondwatergevoelige natuur afhankelijk van de periode wanneer de bemaling uitgevoerd wordt: binnen of buiten het groeiseizoen (maart-oktober). Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt.
Artikel 3.40 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering bij kwetsbare bebouwing. Voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG, dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Tweede lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Artikel 3.41 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.35.
Om overzicht te krijgen en houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat maandelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Dit gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en geijkt in de afgelopen twee jaar. Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Artikel 3.42 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap gegevens van de activiteit te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket of bij het waterschap. Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of een van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit: een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP; een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, filters en stijgbuizen zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters; een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen. Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht.
Uiterlijk één maand na het beëindigen van de grondwateronttrekking moet de einddatum en de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden of draaiuren per dag (indien geen watermeter aanwezig), de begin- en eindstand van de watermeter (indien aanwezig), de datum en het tijdstip van de beëindiging en de boorstaten, aan het waterschap worden doorgegeven. De gemelde gegevens worden gebruikt om: de melding administratief af te sluiten, de onttrekkingsperiode vast te leggen, het grondwatergebruik in ons gebied in kaart brengen, na te gaan of de daadwerkelijk onttrokken hoeveelheid grondwater overeenkomt met de gemelde hoeveelheid en bij het lozen in een vuilwaterriool, hemelwaterriool of oppervlaktewater de zuiverings- of verontreinigingsheffing op te leggen.
Artikel 3.43 Meldplicht
Dit artikel bevat de meldplicht voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering en geldt zodra deze in de algemene regels is aangewezen. Een melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. Dit kan digitaal, via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd naar een ander bevoegd ter informatie en indien van toepassing voor advies.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een bouwproject wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of een van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
Artikel 3.44 Vergunningplicht grondwateronttrekking grondwatersanering
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid:
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en/of de stijghoogte ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan het optreden het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), droogteschade voor landbouw en natuur en het indringen van zuurstof in de bodem wat tot schade tot gevolg kan hebben voor archeologische waarden. Bij een debiet groter dan 25 m3/uur zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Vierde lid:
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van de grondwatersanering verplaatst wordt in de richting van de grondwatersanering. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de beheersmaatregel. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied zal waarschijnlijk verplaatst worden. Indien er op de locatie van de grondwateronttrekking geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer is het niet toegestaan om zonder beoordeling of dit tot risico's leidt - een verontreiniging met meer dan 5 meter te verplaatsen. Bij een verplaatsing van een verontreinigingsvlek die groter is dan 5 meter, zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Zevende lid:
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente. In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Wanneer de verontreiniging niet binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft, dient per geval beoordeel te worden of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Artikel 3.45 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering in het beperkingengebied van een waterkering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste en derde en zesde lid:
Wanneer een grondwatersanering wordt uitgevoerd met een onttrekkingsfilter of drainagebuis dan zijn hieraan risico's verbonden voor de primaire waterkering. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Tweede en vierde lid:
Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit klei-op-veen of veengronden en grondwater onttrokken wordt met een debiet
hoger dan 2 m3 per uur kan het onttrekken van grondwater de waterkering instabiel maken en kan deze in het uiterste geval bezwijken. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart Klei op veen- of veengronden, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Vijfde en zevende lid:
Als het grondwater onttrokken wordt buiten een zettinggevoelige gebied dan is een hoger debiet toegestaan, echter niet meer dan 5 m3 per uur. Aan een te hoog debiet zijn risico's verbonden voor de stabiliteit van de waterkering of zomerkade. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Artikel 3.46 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
GERESERVEERD
Artikel 3.47 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking voor een grondwatersanering in een gebied met kwetsbare bebouwing vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Bij de beoordeling wordt nagegaan of kwetsbare bebouwing binnen het invloedsgebied van de bemaling aanwezig is en deze gebouwd is op een zettingsgevoelige bodem. Indien beide het geval is en de grondwaterstand bij de bebouwing wordt verder verlaagd dan de GLG, kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend gaan zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Met passende maatregelen die worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning wordt dit voorkomen.
Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en dient te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een te grote verschilzetting berekend wordt dan dient de bodemdaling met mitigerende maatregelen te worden beperkt. De maatregelen worden opgenomen in de voorschriften van de vergunning.
Artikel 3.48 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.49 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.50 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.51 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking beheersmaatregel
GERESERVEERD
Artikel 3.52 Aanwijzing algemene regels waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.53 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
GERESERVEERD
Artikel 3.54 Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing
GERESERVEERD
Artikel 3.55 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.56 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.57 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.58 Vergunningplicht grondwateronttrekking beheersmaatregel
GERESERVEERD
Artikel 3.59 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.60 Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur
GERESERVEERD
Artikel 3.61 Vergunningplicht kwetsbare bebouwing
GERESERVEERD
Artikel 3.62 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.63 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.64 Vergunningplicht grondwateronttrekking project
GERESERVEERD
Artikel 3.65 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.67 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.68 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor een onderzoek
GERESERVEERD
Artikel 3.69 Aanwijzing algemene regels waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.70 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.71 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.72 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.73 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor een onderzoek
GERESERVEERD
Artikel 3.74 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.75 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.76 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.77 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.78 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking door drainage
GERESERVEERD
Artikel 3.79 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.80 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.81 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.82 Vergunningplicht grondwateronttrekking door drainage
GERESERVEERD
Artikel 3.83 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.84 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.85 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.86 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor een ondergronds bouwwerk of infrastructuur
GERESERVEERD
Artikel 3.87 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.88 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.89 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.90 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor een brandblusvoorziening
GERESERVEERD
Artikel 3.91 Aanwijzing algemene regels grondwatergevoelige natuur
GERESERVEERD
Artikel 3.92 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.93 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.94 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.95 Vergunningplicht grondwateronttrekking brandblusvoorziening
GERESERVEERD
Artikel 3.96 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.98 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.99 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.100 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.101 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassing
GERESERVEERD
Artikel 3.102 Aanwijzing algemene regels waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.105 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.106 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.107 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.108 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassing
GERESERVEERD
Artikel 3.109 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.112 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.113 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.114 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.115 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing
GERESERVEERD
Artikel 3.116 Aanwijzing algemene regels waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.117 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.118 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.119 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding grondwater te onttrekken. De melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket of bij het waterschap zelf. De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd aan een ander bevoegd gezag ter informatie en indien van toepassing voor advies (indien het een melding betreft waarvoor zij geen bevoegd gezag zijn). Het is verplicht om voor alle grondwateronttrekkingen, behorende bij één adres, één melding in te dienen of één vergunning aan te vragen. Voor deze algemene regel geldt dat per project één melding moet worden ingediend. Deze melding mag bestaan uit meerdere grondwateronttrekkingen.
Artikel 3.120 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing
GERESERVEERD
Artikel 3.121 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.122 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.123 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.124 Voorrangsbepaling
GERESERVEERD
Artikel 3.125 Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee
GERESERVEERD
Artikel 3.126 Aanwijzing algemene regels waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.127 Algemene regel
GERESERVEERD
Artikel 3.128 Informatieplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.129 Meldplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.130 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee
GERESERVEERD
Artikel 3.131 Vergunningplicht waterkering
GERESERVEERD
Artikel 3.132 Toepassingsbereik
GERESERVEERD
Artikel 3.133 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.134 Vergunningplicht grondwateronttrekking voor menselijke consumptie
GERESERVEERD
Artikel 3.135 Specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwateronttrekking voor menselijke consumptie
GERESERVEERD
Artikel 3.136 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het infiltreren van water waarbij water in de bodem wordt gebracht in samenhang met een grondwateronttrekking. Hierbij wordt in ieder geval verstaan het in de bodem brengen van water met als doel om dit later weer voor gebruik te onttrekken.
Artikel 3.137 Specifieke zorgplicht
GERESERVEERD
Artikel 3.138 Vergunningplicht water infiltreren
GERESERVEERD
Artikel 3.139 Specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning infiltratie van water
GERESERVEERD
Artikel 3.140 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van oppervlaktewater in het beheergebied van het waterschap. Het onttrekken van oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Het watersysteem kan worden ontregeld door het onttrekken van oppervlaktewater en om die reden zijn hiervoor regels opgesteld.
Artikel 3.141 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het onttrekken van oppervlaktewater in ieder geval inhoudt. In dit artikel is de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 dus verder geconcretiseerd voor de activiteit 'onttrekken van oppervlaktewater'.
Onder e: Bij het onttrekken van oppervlaktewater bestaat het risico dat in het waterlevende organismen worden ingezogen uit het water. In de meeste gevallen zullen de organismen dit niet overleven. Zelfs niet wanneer het onttrokken oppervlaktewater weer wordt geloosd op hetzelfde oppervlaktewater. De inname van organismen kan uiteindelijk een negatief effect hebben op de ecologische waterkwaliteit. Maatregelen om dit risico te verkleinen zijn bijvoorbeeld het beperken van de innamesnelheid en het toepassen van een filter met een kleine maaswijdte bij het innamepunt.
Artikel 3.141a Algemene regel
Eerste lid:
In dit voorschrift is opgenomen dat bij het onttrekken van oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor koelwater voldaan moet worden aan een instroomsnelheid van maximaal 0,15 m/s. De onttrekking kan bij een hogere instroomsnelheid zorgen voor het verslechteren van de ecologische waterkwaliteit. Organismen, met name jonge vissen, kunnen door de onttrekking uit het watersysteem verwijderd worden. Dit voorschrift is strenger dan de grens van de vergunningplicht die door het Rijk gehanteerd wordt in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor het onttrekken van oppervlaktewater uit rijkswater is een omgevingsvergunning vereist voor wateronttrekkingsactiviteiten met een instroomsnelheid van meer dan 0,30 m/s.
Tweede lid:
In het tweede lid is een voorschrift opgenomen dat een nadere invulling geeft aan wanneer er sprake is van een structurele of significante peilafwijking bij het onttrekken van oppervlaktewater. Onder significant wordt verstaan een dermate grote afwijking van het gemiddelde waterpeil. De onttrekking verslechtert de ecologische waterkwaliteit door het verlagen van het waterpeil in droge periodes. De effecten op de waterkwaliteit kunnen al negatief zijn als het een ondiepe watergang betreft en het warm is. Uit de huidige specifieke zorgplicht voor het onttrekken van oppervlaktewater blijkt niet duidelijk wanneer een afwijking van het peil niet significant is. Het is praktischer dit op basis van een visuele constatering te doen in plaats van een vastgesteld peil en een peilschaal.
Artikel 3.142 Vergunningplicht oppervlaktewater onttrekken
Tweede lid:
Dit artikel wijst aan wanneer het onttrekken van oppervlaktewater vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het onttrekken van oppervlaktewater uit (de nabijheid van) geïsoleerd water, beschermingszone V van een vispassage en natuurvriendelijke oevers. De voorgenomen handeling mag niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. De onttrekking verslechtert de chemische en ecologische waterkwaliteit en verhoogt de toxiciteit en toename van nutriënten door het aanvoeren van gebiedsvreemd water. Om deze reden is een vergunningplicht ingesteld bij het onttrekken van oppervlaktewater uit geïsoleerd water , uit wateren in beschermingszone V van een vispassage en natuurvriendelijke oevers.
Artikel 3.143 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het brengen van water in de bodem, niet zijnde het infiltreren van water in de bodem. Het gaat hierbij om de activiteit die ziet op het water in de bodem brengen. Hieronder wordt niet een infiltratie begrepen. De infiltratie is een wateronttrekkingsactiviteit waarbij eerder onttrokken water in de bodem wordt gebracht ter aanvulling van het grondwater. Het gaat hier dus om het brengen van water in de bodem niet zijnde de infiltratie of retourbemaling. Voor het brengen van water in de bodem kunnen zowel het waterschap als de gemeente regels stellen met het oog op hun eigen belangen. Het in de bodem brengen van water ziet op het behartigen van de belangen van de wettelijke taak van het waterschap omdat het beheer van watersystemen raakt. De activiteit is gereguleerd als wateractiviteit in de waterschapsverordening. Door water in de bodem te brengen, neemt de grondwaterstand of stijghoogte toe. Een mogelijk negatief gevolg hiervan is dat de grondwaterstand of stijghoogte plaatselijk te veel toeneemt, waardoor de opwaartse druk bij bebouwing te veel toeneemt en de bebouwing kan gaan drijven. Om dit te voorkomen is een vergunningplicht opgenomen.
Onder het in de bodem brengen van water wordt verstaan 'het brengen van water in de bodem met als doel het voorkomen of beperken van een verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte of het lozen van overtollig water'.
Het veranderen van de grondwaterstand heeft effect op de omgeving en kan negatieve gevolgen hebben. De mogelijke schade die op kan treden en het doel van het in de bodem brengen van water zijn leidend bij de afweging onder welke voorwaarden het in de bodem brengen van water kan worden toegestaan.
Artikel 3.144 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het terug in de bodem brengen van grondwater met als doel om het daar te laten. In dit artikel is de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 dus verder geconcretiseerd voor een grondwateronttrekking die eerder is uitgevoerd en waarvan het water in de bodem wordt teruggebracht. In dit artikel zijn regels opgenomen die de belangen van derden (zoals bebouwing, infrastructuur, waterkeringen, mobiele verontreiniging, archeologie, andere grondwateronttrekkingen, natuur, landbouw, bomen en stadsgroen) beschermen en is aangegeven dat schade moet worden beperkt. Het is aan de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan.
Een te hoge grondwaterstand als gevolg van een retourbemaling kan eveneens schade veroorzaken aan voornoemde belangen van derden. Zo kan waterschade ontstaan bij bebouwing, vernattingsschade bij landbouw en natuur, grondwaterverontreiniging worden verplaatst, de waterbodem van een watergang opbarsten, etc., als gevolg van een plaatselijk te hoge grondwaterstand.
Artikel 3.145 Vergunningplicht water in de bodem brengen
GERESERVEERD
Artikel 4.4 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het graven in het beheergebied van het waterschap. In dit gebied is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het aanleggen van een nieuwe watergang, het verbreden van een bestaande watergang, het verdiepen van een bestaande watergang, het uitvoeren van een diepere ontgraving, het graven in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk en het verleggen van een waterkering. De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing als een andere afdeling of paragraaf deze activiteit al dekt. Er zijn namelijk activiteiten waarin graven al in de regelgeving van de betreffende specifieke activiteit zit verdisconteerd. Dit staat dan in het toepassingsbereik van die betreffende activiteit. Als dat niet zo is, dient de activiteit graven zelfstandig beoordeelt te worden en zijn dus de in deze afdeling opgenomen regels van toepassing.
Het graven van oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Het graven van oppervlaktewater kan immers gevolgen hebben voor het peilbeheer door het waterschap, maar ook voor het grondwater, waardoor (elders) wateroverlast of -schaarste kan ontstaan.
Het tweede lid van dit artikel geeft aan wat in ieder geval onder de activiteit graven wordt verstaan.
Artikel 4.5 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit graven in het beheergebied van het waterschap in ieder geval inhoudt.
De specifieke zorgplicht moet in ieder geval in acht genomen worden bij geïsoleerde watergangen en waterpartijen (bijvoorbeeld op zichzelf staande vijvers of plassen). Deze maken geen onderdeel uit van het bergend vermogen van het watersysteem en zijn niet direct aangesloten op een andere watergang. Het waterschap heeft bij deze geïsoleerde watergangen geen kwantiteitsbelang. Daarom vallen deze watergangen onder de zorgplicht.
Bij het graven van droge sloten gaat het vrijwel altijd om greppels die een beter afwatering van een perceel moeten garanderen. Deze greppels maken geen onderdeel uit van het bergend vermogen van het watersysteem en hebben ook geen belangrijke wateraan- of –afvoerende functie. Daarom geldt ook voor het graven van deze droge sloten uitsluitend de zorgplicht.
Geadviseerd wordt om minimaal circa 0,20 meter extra waterdiepte aan te houden, aangezien de waterdiepte bij minimale slibaanwas al niet meer voldoet aan de minimale waterdiepte.
Onder l: Graafbewegingen binnen het profiel van de watergang (in de oever of de waterbodem) kunnen ervoor zorgen dat grond- en slibdeeltjes in de waterkolom terecht komen. Dit zal tijdelijk het doorzicht van het oppervlaktewater negatief beïnvloeden. Graafbewegingen moeten daarom zoveel mogelijk worden beperkt tot dat wat nodig is voor de werkzaamheden.
Onder m: Door beschadiging van het talud en de aanwezige oevervegetatie kan de oever afkalven. Het afkalven van de oever en het verlies van vegetatie heeft zowel direct als indirect een negatief effect op de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Het gaat om onder andere het vrijkomen van voedingsstoffen door de afbraak van vegetatie of het verlies van de bufferwerking van de oevervegetatie tegen het af- en uitspoelen van mest- en verontreinigende stoffen van de landbodem. Daarnaast kan oeverafkalving in het veenweidegebied veenafbraak en bodemdaling versterken en daarmee de waterkwaliteit indirect verslechteren.
Bij het graven in de bodem kan schade aan het talud worden voorkomen door vrijkomend materiaal op voldoende afstand van de insteek van de watergang te plaatsen.
Artikel 4.6 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.7 Aanwijzing algemene regels watergang
VERVALLEN
Artikel 4.8 Aanwijzing algemene regels waterkering
VERVALLEN
Artikel 4.9 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
VERVALLEN
Artikel 4.10 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij graven. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.5.
Eerste lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Zesde lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Zevende lid, onder c:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Achtste lid, onder b:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Negende lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tiende lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Elfde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.11 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket ( https://omgevingswet.overheid.nl) of per brief bij het waterschap.
Artikel 4.12 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding te graven in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of er kan worden gegraven en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.13 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het graven in een watergang vergunningplichtig is. Het graven valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het graven kan worden toegestaan.
In het gebied van de Utrechtse Heuvelrug komen grote grondwaterstands-verschillen voor. Als er een watergang wordt verlengd en deze watergang wordt aangesloten op een watergang met een bepaald peil, dan kan het voorkomen dat de grondwaterstand ter plaatse van de verlengde watergang grote verschillen vertoont met dit peil. Het kan dan nodig zijn de verlengde watergang te voorzien van één of meerdere stuwen. Als dit niet gebeurt dan kan de watergang gaan werken als drain voor de omgeving. In dat geval kan er verdroging of (elders) vernatting optreden. Omdat per geval moet worden beoordeeld of er stuwen of andere voorzieningen moeten worden aangelegd, geldt voor onder ander dit geval een vergunningplicht.
Geadviseerd wordt om bij de aanleg van nieuw aan te leggen watergang minimaal circa 0,20 meter extra waterdiepte aan te houden, aangezien de waterdiepte bij minimale slibaanwas al niet meer voldoet aan de minimale waterdiepte.
Artikel 4.14 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het graven vergunningplichtig is. Het graven valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het graven kan worden toegestaan.
Het uitvoeren van graafwerkzaamheden in de zone waterstaatswerk van de primaire waterkering of de zomerkade kan negatieve gevolgen hebben voor de erosiebestendigheid en de stabiliteit van de waterkering. Per geval moet worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan en daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Hiermee valt dus ook een ‘verlegging van een waterkering’ onder de vergunningplicht. Zo’n verlegging kan noodzakelijk zijn bij bijvoorbeeld een herinrichtingsplan van een gebied.
Waar gesproken wordt van een tijdelijke uitname van grond wordt in dit verband bedoeld dat de uitname van grond weer ongedaan wordt gemaakt. Dit kan door middel van het terugbrengen van grond, maar het kan ook betekenen dat er iets anders voor wordt teruggebracht. Alleen het vullen van het ontgraven gat met water is niet voldoende om de ontgraving weer ongedaan te maken.
Binnen zes maanden moet de ontgraving weer ongedaan zijn gemaakt of moet de constructie gereed zijn en de ruimte eromheen zijn aangevuld.
Het uitvoeren van graafwerkzaamheden in de zone waterstaatswerk van de waterkering kan negatieve gevolgen hebben voor de erosiebestendigheid en de stabiliteit van de waterkering. Per geval moet worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Ook een verlegging van een waterkering valt onder de vergunningplicht. Zo’n verlegging kan noodzakelijk zijn bij de aanleg van bijvoorbeeld een insteekhaven of bij een herinrichtingsplan van een gebied.
Het uitvoeren van baggerwerkzaamheden in watergangen valt niet onder het uitvoeren van graafwerkzaamheden mits niet dieper wordt gebaggerd dan tot het leggerprofiel van de watergang. Er is dan sprake van onderhoudswerkzaamheden.
Artikel 4.15 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het graven in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het graven valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het graven kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.16 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen van grond of ander materiaal in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het dempen van water (het volledig dempen, het versmallen en/of het verondiepen van oppervlaktewater) en het compenseren van de demping.
Het dempen van oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Mede vanwege het verlies aan waterbergend vermogen en de verstoring van de doorstroming en ecologie die hierdoor ontstaat. De regelgeving opgenomen in deze afdeling is van toepassing op de kernzone van watergangen. Elk verlies aan waterbergend vermogen van de watergang weegt daarbij mee.
Deze afdeling is ook van toepassing op het dempen van een deel van de watergang ten behoeve van het aanleggen van een beschoeiing.
Als het gaat om grond of ander materiaal aanbrengen bij een waterkering wordt daaronder verstaan:
-opvullen van gaten en kuilen;
-het dempen van watergangen tot maaiveldhoogte;
-ophogen en verbreden van een waterkering;
-aanbrengen van op- en afritten; en
-aanleggen van depots.
Artikel 4.17 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit grond of ander materiaal aanbrengen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Geadviseerd wordt om minimaal circa 0,20 meter extra waterdiepte aan te houden, aangezien de waterdiepte bij minimale slibaanwas al niet meer voldoet aan de minimale waterdiepte.
Onder h: Dit houdt bijvoorbeeld in dat vissen en andere levende organismen de gelegenheid krijgen (of hierbij geholpen worden) te ontsnappen, voordat de watergang wordt gedempt. In het geval van een demping waarbij de watergang wordt afgedamd en leeggepompt, moet de watergang eerst leeggevist worden, alvorens de demping plaatsvindt. Indien mogelijk wordt aanwezige flora of de toplaag met wortels(tokken) en zaden overgebracht naar de nieuw gegraven watergang.
Onder i: Het gebruik van snel afbreekbaar materiaal voor het dempen is ongewenst, aangezien dit bij afbraak het oppervlaktewater kan verrijken met voedings- en meststoffen. Dit is negatief voor de waterkwaliteit. Bij snel afbreekbaar materiaal kan gedacht worden aan snoeimateriaal bestaand uit bladeren of versnipperd hout.
Onder q: Het toepassen van grond en bouwstoffen is grotendeel geregeld via het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt niet voor alle materialen die worden gebruikt als dempingsmateriaal. Daarnaast bestaat bij het toepassen van grond of materiaal van elders bestaat altijd het risico dat er stoffen worden toegevoegd aan de omgeving. Het heeft de voorkeur dat de gebiedseigen vrijkomende grond uit de gegraven compensatie wordt gebruikt voor het dempen.
Onder r: Door beschadiging van het talud en de aanwezige oevervegetatie kan de oever afkalven. Het afkalven van de oever en het verlies van vegetatie heeft zowel direct als indirect een negatief effect op de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Het gaat om onder andere het vrijkomen van voedingsstoffen door de afbraak van vegetatie of het verlies van de bufferwerking van de oevervegetatie tegen het af- en uitspoelen van mest- en verontreinigende stoffen van de landbodem. Daarnaast kan oeverafkalving in het veenweidegebied veenafbraak en bodemdaling versterken en daarmee de waterkwaliteit indirect verslechteren.
Bij het graven in de bodem kan schade aan het talud worden voorkomen door vrijkomend materiaal op voldoende afstand van de insteek van de watergang te plaatsen.
Artikel 4.18 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanbrengen van grond of ander materiaal in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatie of meldplicht.
Artikel 4.20 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanbrengen van grond of ander materiaal in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.21 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanbrengen van grond of ander materiaal in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.22 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanbrengen van grond of ander materiaal. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.17 .
Tweede lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Vierde lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Zesde lid, onder d:
Wanneer gesproken wordt over geïsoleerd water, dan wordt bedoeld water dat niet meer verbonden is met de rest van het watersysteem en geen functie meer heeft in de piekopvang, bijvoorbeeld bij hevige regenval. Daarom moet dit oppervlak ook worden gecompenseerd, als ware het gedempt.
Zesde lid, onder e:
Het gebruikte dempingsmateriaal, anders dan grond, kan afbreken of uitlogen en hierdoor vrijkomen in het oppervlaktewater. Dit kan van negatieve invloed zijn op de waterkwaliteit. Door de watergang eerst af te dammen zal het dempingsmateriaal niet in contact staan met het oppervlaktewater. Raadpleeg eerst de wetgeving bij het desbetreffende bevoegde gezag rondom het gebruik van het beoogde dempingsmateriaal.
Negende lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Tiende lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tiende lid, onder f:
Het waterschap kan deze aanvullende afspraken vastleggen middels maatwerkvoorschriften.
Artikel 4.23 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.24 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding grond of ander materiaal aan te brengen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de grond of ander materiaal kan worden aangebracht en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.25 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanbrengen van grond of ander materiaal in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de grond of ander materiaal wordt aangebracht in een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang. Het aanbrengen van grond of ander materiaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Er is in ieder geval sprake van een project waarover overeenstemming is met het waterschap als:
dat een vergunning is verleend voor het project, of
dat een melding voor het project is gedaan of het waterschap is geïnformeerd in het kader van de algemene regels, of
dat een overleg over het project met het waterschap heeft plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt en waarbij overeenstemming is over de te nemen maatregelen ten behoeve van het watersysteem.
Geadviseerd wordt om minimaal circa 0,20 meter extra waterdiepte aan te houden, aangezien de waterdiepte bij minimale slibaanwas al niet meer voldoet aan de minimale waterdiepte.
Klei op veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld zal dalen. De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil in de sloot en de afstand tot de sloot.
Uitgaande van een zelfde slootpeil zal in brede percelen in perioden van neerslagtekort in het midden van het perceel de ontwateringsdiepte groter zijn dan in smallere percelen. Als gevolg hiervan zal het maaiveld met name in het midden van het perceel ook sneller gaan dalen (versnelde maaivelddaling). Uit onderzoek blijkt dat een optimale grondwaterstand wordt bereikt bij een perceelsbreedte van circa 60 meter. In het veen-weidegebied is de gemiddelde perceelsbreedte circa 50 meter. Het waterschap hanteert dan ook als beleid dat in klei op veen- en veengronden het dempen van een watergang niet mag leiden tot een perceelsbreedte breder dan 60 meter.
Natuurlijk zijn er ook percelen, die aanzienlijk smaller zijn dan 50 meter. Algemeen kan worden aangenomen, dat een perceel smaller dan 30 meter niet meer landbouwkundig is te gebruiken. Hieruit kan de behoefte ontstaan om dit perceel door slootdemping aan het naastliggende toe te voegen. Hierbij zal een nieuw perceel ontstaan van circa 80 meter breed. Hoewel dit bredere perceel zal leiden tot de hierboven genoemde nadelige waterhuishoudkundige effecten, mag in dergelijke gevallen – om landbouwkundig gebruik mogelijk te maken – worden afgeweken van de maximale breedte van 60 meter. Hierbij hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:
de totale perceelsbreedte mag niet breder worden dan 80 meter;
tenminste één van de twee samen te voegen percelen is smaller dan 30 meter.
Als het gaat om het versmallen van een watergang dan geldt er een vergunningplicht als het perceel na versmallen van de watergang breder wordt dan 60 meter.
Voor bebouwd of toekomstig bebouwd gebied (percelen waar gebouwen op staan of gebouwen op gebouwd gaan worden) is bovenstaande minder relevant aangezien de waterhuishouding in dergelijke gebieden op een andere wijze is of wordt geregeld. Bovendien zijn dergelijke gebieden heel anders ingericht dan de open weidegebieden met langssloten en passen dergelijke sloten niet in de inrichting van de openbare ruimte. Een nadere toelichting voor de beoordeling van vergunningaanvragen is te vinden in de beleidsregels.
Artikel 4.26 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanbrengen van grond of ander materiaal vergunningplichtig is. Het aanbrengen van grond of ander materiaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Als er grond aangebracht wordt, buiten het dijklichaam, tot omliggend maaiveldniveau dan heeft dit geen invloed op de stabiliteit van de waterkering als aan de zorgplicht wordt voldaan. Onder het aanvullen tot omliggend maaiveldniveau vallen onder andere het vullen van gaten en kuilen en ook slootdempingen. Uiteraard moet voor deze laatste categorie ook worden voldaan aan de regelgeving voor het dempen van oppervlaktewater. Het aanbrengen van een steunberm en/of een taludverflauwing vallen niet onder het aanvullen van grond tot omliggend maaiveldniveau. Hiervoor geldt dus een vergunningplicht.
Artikel 4.27 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanbrengen van grond of ander materiaal in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanbrengen van grond of ander materiaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.28 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de duiker, het verlengen van de duiker en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de duiker.
Artikel 4.29 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een duiker in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder h: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.30 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.31 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.32 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Onder een goed functionerende afsluiter wordt bijvoorbeeld een spindelschuif verstaan. Alleen een terugslagklep is niet voldoende aangezien deze niet werkt als er vuil tussen de klep en de aanlag terecht is gekomen.
Artikel 4.33 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.34 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.29.
Eerste lid, onder a:
Onder uitlogende materialen wordt onder ander verstaan zink, gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. Met bevestigingsmiddelen wordt bedoeld verzinkte of koperen schroeven of spijkers etHet gebruik van uitlogende materialen bij bevestigingsmiddelen is wel toegestaan.
Tweede lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.35 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.36 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een duiker aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de duiker kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.37 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een duiker in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.38 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een duiker vergunningplichtig is. Het aanleggen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.39 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een duiker in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Deze criteria gelden niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.40 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op verwijderen van een duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de duiker, het inkorten van de duiker en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de duiker.
Artikel 4.41 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het verwijderen van een duiker in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.42 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.43 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het verwijderen van een duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.44 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.45 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.46 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.41.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.47 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.48 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een duiker te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de duiker kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.49 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een duiker in een watergang vergunningplichtig is. Het verwijderen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het kan gaan om een dam, die speciaal is aangelegd om schouw en/of onderhoud van watergangen mogelijk te maken (als een watergang een onderhoudsroute van het waterschap doorkruist zie de geometrische begrenzing van beschermingszone A in bijlage 2 van deze verordening). Ook kan het gaan om een dam die in een toegangsweg ligt naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap. Als het gaat om de hiervoor genoemde situaties dan kan zo’n dam niet zonder meer worden verwijderd. Indien er toch een dringende reden is om zo’n dam met duiker te verwijderen moeten er maatregelen worden getroffen om de bereikbaarheid van het schouwpad te garanderen. In zo’n geval moet een vergunning worden aangevraagd waarin een en ander kan worden geregeld.
Of het gaat om een dam in een toegangsweg naar een kunstwerk of gebouw in beheer en onderhoud van het waterschap staat niet op kaart, maar een initiatiefnemer wordt verondersteld hiervan op de hoogte te zijn.
Artikel 4.50 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een duiker vergunningplichtig is. Het verwijderen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.51 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een duiker in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.52 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op vervangen van een duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de duiker.
Artikel 4.53 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het vervangen van een duiker in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.54 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.55 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.56 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.57 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.58 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.53.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder a:
Onder uitlogende materialen wordt onder ander verstaan zink, gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. Met bevestigingsmiddelen wordt bedoeld verzinkte of koperen schroeven of spijkers etHet gebruik van uitlogende materialen bij bevestigingsmiddelen is wel toegestaan.
Derde lid:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.59 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.60 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een duiker te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de duiker kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.61 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een duiker in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.62 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een duiker vergunningplichtig is. Het vervangen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.63 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een duiker in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.64 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dam met duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op vervangen of verplaatsen van een dam met duiker, het verbreden van een dam met duiker, het dempen van water en het compenseren van de demping. De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het aanleggen van een duikerbrug.
Het verbreden van een dam met duiker wordt in de regels gelijkgesteld met de aanleg van een nieuwe, tenzij met een vergunning kan worden aangetoond dat de bestaande dam met duiker al eerder is gecompenseerd. Dus als de bestaande dam met duiker 20 m2 water wegneemt en het nieuwe deel 10 m2 water wegneemt, dan moet er 30 m2 water worden gecompenseerd, tenzij kan worden aangetoond dat de eerste 20 m2 al eerder is gecompenseerd.
Artikel 4.65 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit dam met duiker aanleggen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder b: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.66 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.67 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een dam met duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of meldplicht.
Bij tertiaire watergangen met een gevaar voor opstuwing geldt een minimale duikerdiameter van minimaal 0,80 meter. Dit geldt bijvoorbeeld voor duikers in het Kromme Rijngebied. De diameter wijkt hier af omdat in dat gebied tertiaire watergangen een belangrijke rol kunnen spelen in de aanvoer van water ten behoeve van de beregening (zowel voor droogte- als nachtvorstbestrijding) voor de fruitteelt.
Ook vanuit de ecologie wordt er een minimale diameter van 0,50 meter gevraagd in verband met de vispasseerbaarheid en de kans op dichtgroeien van de duiker door kroos en/of drijfvuil. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken. Redenen hiervoor zouden kunnen zijn: afmetingen van de aangrenzende sloten zijn beperkt (kleiner dan de diameter), beperkte diepte van aangrenzende sloten of specifieke functie van de duiker (bijvoorbeeld verbindingsduiker door agrarische percelen). In deze gevallen lijkt de ecologische functie van de duiker namelijk beperkt. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt voor deze kleinere duikers een vergunningplicht.
Als duikers worden vervangen dan moet altijd een duiker van gelijke diameter of groter worden gebruikt. Bijvoorbeeld: er ligt een duiker van 0,60 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet toch een duiker van minstens 0,60 meter worden aangelegd. Als er een duiker ligt van 0,40 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet de duiker worden vervangen door een duiker van minstens 0,50 meter.
Duikers moeten met 20 tot 35 procent lucht worden gelegd ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit. Dus bij een buis van 0,50 meter ligt hiervan maximaal 0,40 meter onder water en minimaal 0,10 meter boven water. Als de duiker minder dan 0,10 meter boven het water uitsteekt bestaat de kans dat drijfvuil ophoopt voor de duiker. Dit heeft negatieve effecten op ecologie en waterkwaliteit, met name bij ophoping van kroos. Een krooslaag limiteert o.a. het lichtklimaat en de zuurstofhuishouding van een watergang.
Daarnaast wordt een grens gesteld aan de maximale lengte van duikers. Duikers zorgen door een versmalling ten opzichte van het omliggende watersysteem en mogelijk een verhoogde stroomsnelheid en turbulentie binnen de duiker. Sommige onderzoeken wijzen erop dat lange duikers vispasseerbaar kunnen zijn. Maar dit is nog niet goed onderbouwd, daarom is de grens voor de algemene regel op 15 meter gesteld. In sommige gevallen kan van voorgenoemde maatvoering worden afgeweken. Dat moet per geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.68 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een dam met duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.69 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.70 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een dam met duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.65.
Eerste lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Derde lid, onder a:
Onder uitlogende materialen wordt onder ander verstaan zink, gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. Met bevestigingsmiddelen wordt bedoeld verzinkte of koperen schroeven of spijkers etHet gebruik van uitlogende materialen bij bevestigingsmiddelen is wel toegestaan.
Vierde lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vijfde lid, onder a:
Het waterschap kan deze aanvullende afspraken vastleggen middels maatwerkvoorschriften;
Vijfde lid, onder e:
Het gebruikte dempingsmateriaal, anders dan grond, kan afbreken of uitlogen en hierdoor vrijkomen in het oppervlaktewater. Dit kan van negatieve invloed zijn op de waterkwaliteit. Door de watergang eerst af te dammen zal het dempingsmateriaal niet in contact staan met het oppervlaktewater. Raadpleeg eerst de wetgeving bij het desbetreffende bevoegde gezag rondom het gebruik van het beoogde dempingsmateriaal.
Zesde lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Zevende lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Achtste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Achtste lid, onder f:
Het waterschap kan deze aanvullende afspraken vastleggen middels maatwerkvoorschriften.
Artikel 4.71 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.72 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een dam met duiker aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of dam met duiker kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.73 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een dam met duiker in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de dam met duiker wordt aangelegd in een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang. Het aanleggen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het gaat hier onder meer om een dichte dam zonder duiker die niet peilscheidend is. Het oppervlaktewater wordt niet gestremd aangezien het aan beide zijden van de dam in open verbinding staat met het watersysteem.
Bij tertiaire watergangen met een gevaar voor opstuwing geldt een minimale duikerdiameter van minimaal 0,80 meter. Dit geldt bijvoorbeeld voor duikers in het Kromme Rijngebied. De diameter wijkt hier af omdat in dat gebied tertiaire watergangen een belangrijke rol kunnen spelen in de aanvoer van water ten behoeve van de beregening (zowel voor droogte- als nachtvorstbestrijding) voor de fruitteelt.
Ook vanuit de ecologie wordt er een minimale diameter van 0,50 meter gevraagd in verband met de vispasseerbaarheid en de kans op dichtgroeien van de duiker door kroos en/of drijfvuil. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken. Redenen hiervoor zouden kunnen zijn: afmetingen van de aangrenzende sloten zijn beperkt (kleiner dan de diameter), beperkte diepte van aangrenzende sloten of specifieke functie van de duiker (bijvoorbeeld verbindingsduiker door agrarische percelen). In deze gevallen lijkt de ecologische functie van de duiker namelijk beperkt. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt voor deze kleinere duikers een vergunningplicht.
Als duikers worden vervangen dan moet altijd een duiker van gelijke diameter of groter worden gebruikt. Bijvoorbeeld: er ligt een duiker van 0,60 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet toch een duiker van minstens 0,60 meter worden aangelegd. Als er een duiker ligt van 0,40 meter terwijl 0,50 meter is voorgeschreven, dan moet de duiker worden vervangen door een duiker van minstens 0,50 meter.
Duikers moeten met 20 tot 35 procent lucht worden gelegd ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit. Dus bij een buis van 0,50 meter ligt hiervan maximaal 0,40 meter onder water en minimaal 0,10 meter boven water. Als de duiker minder dan 0,10 meter boven het water uitsteekt bestaat de kans dat drijfvuil ophoopt voor de duiker. Dit heeft negatieve effecten op ecologie en waterkwaliteit, met name bij ophoping van kroos. Een krooslaag limiteert o.a. het lichtklimaat en de zuurstofhuishouding van een watergang.
Daarnaast wordt een grens gesteld aan de maximale lengte van duikers. Duikers zorgen door een versmalling ten opzichte van het omliggende watersysteem en mogelijk een verhoogde stroomsnelheid en turbulentie binnen de duiker. Sommige onderzoeken wijzen erop dat lange duikers vispasseerbaar kunnen zijn. Maar dit is nog niet goed onderbouwd, daarom is de grens voor de algemene regel op 15 meter gesteld. In sommige gevallen kan van voorgenoemde maatvoering worden afgeweken. Dat moet per geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.74 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een dam met duiker vergunningplichtig is. Het aanleggen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.75 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever en in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Deze criteria gelden niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.76 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een dam met duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op vervangen of verplaatsen van een dam met duiker, het versmallen van een dam met duiker en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de dam met duiker. De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het verwijderen van een duikerbrug.
Artikel 4.77 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit dam met duiker verwijderen in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.78 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.79 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het verwijderen van een dam met duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.80 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een dam met duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.81 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.82 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een dam met duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.77 .
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.83 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.84 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een dam met duiker te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of dam met duiker kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.85 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een dam met duiker in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de dam met duiker wordt verwijderd in een beschermingszone A van een watergang. Het verwijderen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.86 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een dam met duiker vergunningplichtig is. Het verwijderen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.87 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een dam met duiker in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een dam met duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.88 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dichte dam in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een dichte dam en het verbreden van een dichte dam.
Artikel 4.89 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een dichte dam in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.90 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.91 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een dichte dam in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.92 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.93 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een dichte dam. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.89.
Eerste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.94 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een dichte dam aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de dichte dam kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.95 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een dichte dam in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de dichte dam wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.96 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een dichte dam vergunningplichtig is. Het aanleggen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.97 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.98 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een dichte dam in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een dichte dam, het versmallen van een dichte dam en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de dichte dam.
Artikel 4.99 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een dichte dam in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.100 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.101 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het verwijderen van een dichte dam in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.102 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een dichte dam in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.103 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.104 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een dichte dam. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.99.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.105 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.106 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een dichte dam te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de dichte dam kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.107 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, in een watergang vergunningplichtig is. Het verwijderen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.108 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een dichte dam vergunningplichtig is. Het verwijderen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.109 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.110 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een brug in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Onder het eerste lid wordt mede verstaan het vervangen van een brug, met uitzondering van het vervangen van een brugdek, het verplaatsen van een brug, het verbreden van een brug, het dempen van water, het compenseren van de demping en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de brug. De regels in deze paragraaf gelden ook voor het aanleggen van een duikerbrug.
Artikel 4.111 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit brug aanleggen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder f: Dit houdt bijvoorbeeld in dat vissen en andere levende organismen de gelegenheid krijgen (of hierbij geholpen worden) te ontsnappen, voordat de watergang wordt gedempt. In het geval van een demping waarbij de watergang wordt afgedamd en leeggepompt, moet de watergang eerst leeggevist worden, alvorens de demping plaatsvindt. Indien mogelijk wordt aanwezige flora of de toplaag met wortels(tokken) en zaden overgebracht naar de nieuw gegraven watergang.
Onder g: Het gebruik van snel afbreekbaar materiaal voor het dempen is ongewenst, aangezien dit bij afbraak het oppervlaktewater kan verrijken met voedings- en meststoffen. Dit is negatief voor de waterkwaliteit. Bij snel afbreekbaar materiaal kan gedacht worden aan snoeimateriaal bestaand uit bladeren of versnipperd hout.
Onder q: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.112 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.113 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een brug in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatie of meldplicht.
Een brug zonder mogelijkheid voor migrerende fauna, kan er toe leiden dat er onder fauna meer verkeersslachtoffers zijn doordat ze i.p.v. onder de brug over de weg migreren. Als kan worden aangetoond dat het op de desbetreffende locatie deze voorziening niet zou moeten worden aangelegd, kan dit voorschrift komen te vervallen.
Artikel 4.114 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een brug bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.115 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een brug in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.116 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een brug. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en artikel 4.111.
Derde lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vijfde lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Zesde lid, onder e:
Bijvoorbeeld door looprichels aan te brengen.
Tiende lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Elfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Elfde lid, onder f:
Het waterschap kan deze aanvullende afspraken vastleggen middels maatwerkvoorschriften.
Artikel 4.117 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.118 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een brug aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de brug kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.119 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een brug in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een brug valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Bij niet-varend onderhoud is bij primaire en secundaire watergangen een vrije hoogte onder de brug van 0,30 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil volgens het peilbesluit gewenst. Met deze hoogte kan onderhoud onder de brug plaats vinden en kunnen eventuele stijging van het waterpeil worden doorstaan. Daarnaast zorgt de verhoging voor het tegengaan van potentiële ophopingen van drijflagen (denk aan kroos en ander drijfvuil). Deze drijflagen hebben een negatief effect op de lichtinval van de watergang, en daarmee de ecologie. Ook in tertiaire watergangen moet er lucht tussen het wateroppervlak en de brug zijn (minimaal 0,10 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil) om ophopingen van drijflagen te voorkomen. In sommige gevallen kan van deze eisen worden afgeweken. Dit moet echter van geval tot geval worden beoordeeld. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.120 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een brug vergunningplichtig is. Het aanleggen van een brug valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.121 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een brug in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een brug valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), geldt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen als de impact op de vaarweg permanent is.
Artikel 4.123 Specifieke zorgplicht
Toelichting onder a: hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden.
Artikel 4.124 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.126 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.127 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een brug. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.123.
De voorschriften zien er op dat bij de uitvoering van de werkzaamheden het waterkerend vermogen van de waterkering is gewaarborgd
Eerste lid, onder b:
Alle palen moeten tot 1 m onder maaiveld worden weggehaald. Ze mogen niet verder worden weggehaald omdat er anders mogelijk een ongewenste grondwaterstroming door het ontstane paalgat optreedt.
Tweede lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder b:
Alle palen moeten tot 1 m onder maaiveld worden weggehaald. Ze mogen niet verder worden weggehaald omdat er anders mogelijk een ongewenste grondwaterstroming door het ontstane paalgat optreedt.
Vijfde lid, onder b:
Alle palen moeten tot 1 m onder maaiveld worden weggehaald. Ze mogen niet verder worden weggehaald omdat er anders mogelijk een ongewenste grondwaterstroming door het ontstane paalgat optreedt.
Zesde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Zevende lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Achtste lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Bevindt de te verwijderen brug zich binnen het profiel van vrije ruimte, maar buiten de zone waterstaatswerk, dan geldt er een algemene regel met meldplicht als de brug gefundeerd is op palen, die tot in of voorbij de eerste vaste zandlaag reiken. De reden is dat deze palen niet geheel getrokken mogen worden. De meldplicht geldt omdat het waterschap wil weten waar er palen achterblijven die tot in of voorbij de eerste vaste zandlaag reiken. Is de brug niet op dergelijke palen gefundeerd dan geldt de zorgplicht.
Het verwijderen van bruggen die zich buiten het dijklichaam bevinden en die op maaiveldniveau zijn gefundeerd (bijvoorbeeld op stelconplaten die op het maaiveld liggen en die dus niet op palen zijn gefundeerd) heeft geen negatief effect op de waterkeringen valt onder een algemene regel met meldplicht. Er geldt een meldplicht omdat het waterschap wil weten welke objecten er zich bevinden in de waterkering.
Het verwijderen van bruggen die zich buiten het dijklichaam bevinden en die onder maaiveldniveau (bijvoorbeeld landhoofden) of op palen zijn gefundeerd heefteen geringe invloed op de waterkering als de werkzaamheden geheel worden uitgevoerd buiten de gesloten dijkperiode. De werkzaamheden vallen dan onder een algemene regel met meldplicht. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt in hoelang de palen zijn.
Het verwijderen van bruggen die zich geheel of gedeeltelijk binnen het dijklichaam bevinden en die op maaiveldniveau zijn gefundeerd (bijvoorbeeld op stelconplaten die op het maaiveld liggen en die dus niet op palen zijn gefundeerd) heeft een geringe invloed op de waterkeringen valt onder een algemene regel met meldplicht.
Wanneer sprake is van een verheelde regionale of verheelde overige waterkering, dan heeft het verwijderen van bruggen geen negatief effect op de waterkering mits de zorgplicht in acht wordt genomen.
Het verwijderen van bruggen heeft een geringe invloed op de waterkering als die bruggen niet onder maaiveldniveau zijn gefundeerd en ook niet op palen staan, maar die bijvoorbeeld op stoeptegels of stelconplaten zijn gefundeerd, die op het maaiveld liggen. Daarom geldt hier een algemene regel.
Bij regionale waterkeringen moet een melding worden gedaan omdat bij de periodieke toetsing van de waterkering alle objecten die in de waterkering aanwezig zijn in beeld moeten worden gebracht. Dit geldt niet voor overige waterkeringen.
Het verwijderen van bruggen die zich buiten het dijklichaam bevinden en die op maaiveldniveau zijn gefundeerd (bijvoorbeeld op stelconplaten die op het maaiveld liggen en die dus niet op palen zijn gefundeerd) heeft geen negatief effect op de waterkeringen valt onder een algemene regel zonder meldplicht.
Het verwijderen van bruggen die zich buiten het dijklichaambevinden en die onder maaiveldniveau (bijvoorbeeld landhoofd) of op palen zijn gefundeerd heeft een geringe invloed op de waterkering als de werkzaamheden geheel worden uitgevoerd buiten de gesloten dijkperiode. De werkzaamheden vallen dan onder een algemene regel zonder meldplicht.
Het verwijderen van bruggen die zich geheel of gedeeltelijk binnen het dijklichaambevinden en die op maaiveldniveau zijn gefundeerd (bijvoorbeeld op stelconplaten die op het maaiveld liggen en die dus niet op palen zijn gefundeerd) heeft een geringe invloed op de waterkeringen valt onder een algemene regel zonder meldplicht.
Alle palen moeten tot 1 m onder maaiveld worden weggehaald. Ze mogen niet verder worden weggehaald omdat er anders mogelijk een ongewenste grondwaterstroming door het ontstane paalgat optreedt.
Voorkomen moet worden dat grond kan uitspoelen door regenval of een hoge rivierwaterstand, waardoor een risico ontstaat voor de stabiliteit van de waterkering. Bijlage IV worden de verschillende klei/grondsoorten genoemd die kunnen worden toegepast om de stabiliteit van de waterkering te waarborgen. De voorschriften zien er op dat de erosiebestendige bekleding van de waterkering na de werkzaamheden wordt hersteld.
Artikel 4.128 Informatieplicht
Het verrichten van activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging van het profiel van de watergang betekent, die moet worden geregistreerd in de profielenlegger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.nl) of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl).
Artikel 4.130 Vergunningplicht waterkering
Voor het verwijderen van bruggen die onder maaiveldniveau of op palen zijn gefundeerd, geldt, overeenkomstig de regelgeving voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden in waterkeringen, een vergunningplicht. Dit aangezien hier per geval moet worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan.
Bevindt de brug zich geheel of gedeeltelijk binnen het dijklichaam en is de brug onder maaiveldniveau of op palen gefundeerd dan moet per geval worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan. Daarom geldt in die gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.131 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.132 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een brugdek in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van het brugdek.
Artikel 4.133 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het vervangen van een brugdek in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder m: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.134 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.135 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een brugdek in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.136 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een brugdek in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of een meldplicht.
Artikel 4.137 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een brugdek in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.138 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een brugdek. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.133.
Eerste lid, onder e:
Bijvoorbeeld door looprichels aan te brengen.
Tweede lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.139 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.140 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een brugdek te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het brugdek kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.141 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een brugdek in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als het brugdek wordt vervangen in onderhoudswater danwel in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het vervangen van een brugdek valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.142 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een brugdek vergunningplichtig is. Het vervangen van een brugdek valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.143 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een brugdek in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het vervangen van een brugdek valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Deze criteria gelden niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.144 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een steiger in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een steiger, het verbreden van een steiger en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de steiger.
Artikel 4.145 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een steiger in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.146 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.147 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een steiger in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
In de onderhoudslegger worden onder andere watergangen aangegeven die varend kunnen worden onderhouden. In het geval er vanaf het water onderhoud kan worden uitgevoerd middels een boot, spreken we van onderhoudsvaarwater. Bij varend onderhoud door of namens het waterschap gelden er eisen aan de doorvaartbreedte ten behoeve van de maaiboot. Dit geldt ook voor (andere) watergangen die toegankelijk moeten zijn voor de maaiboot. Voor de bepaling van het overstek van de steiger boven het water gelden twee uitgangspunten.
1Manoeuvreerbreedte maaiboot: om goed te kunnen manoeuvreren heeft een maaiboot een breedte nodig van minimaal 3 meter.
2Gelijke rechten voor initiatiefnemers op beide oevers: het mag niet zo zijn dat als er op de ene oever een steiger wordt aangelegd, dat dit dan op de tegenoverliggende oever niet meer mogelijk is.
Dit betekent dat alles wat de watergang breder is dan 3 meter gelijk moet worden verdeeld over beide oevers, waarbij een maximale breedte van de steiger over de watergang geldt van 1 meter. Dus bij een watergang met een breedte van 4 meter mag de lengte van het overstek over het water maximaal 0,50 meter zijn.
Artikel 4.148 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een steiger in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of een meldplicht.
Artikel 4.149 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een steiger in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.150 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften die gelden bij het aanleggen van een steiger. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven welke voorschriften voor de activiteit van toepassing zijn.
Artikel 4.151 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.152 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een steiger aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de steiger kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.153 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een steiger in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een steiger valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
De maat van 0,30 meter heeft als achtergrond dat deze afstand voldoende is om de meeste peilstijgingen van watergangen te kunnen opvangen zonder dat steeds de steiger onder water loopt en er allerlei losliggende voorwerpen in de watergang terecht komen. Daarnaast zorgt de verhoging voor het tegengaan van potentiële ophopingen van drijflagen (denk aan kroos en ander drijfvuil). Deze drijflagen hebben een negatief effect op het lichtinval van de watergang, en daarmee de ecologie.
In de onderhoudslegger worden onder andere watergangen aangegeven die varend kunnen worden onderhouden. In het geval er vanaf het water onderhoud kan worden uitgevoerd middels een boot, spreken we van onderhoudsvaarwater. Bij varend onderhoud door of namens het waterschap gelden er eisen aan de doorvaartbreedte ten behoeve van de maaiboot. Dit geldt ook voor (andere) watergangen die toegankelijk moeten zijn voor de maaiboot. Voor de bepaling van het overstek van de steiger boven het water gelden twee uitgangspunten.
1Manoeuvreerbreedte maaiboot: om goed te kunnen manoeuvreren heeft een maaiboot een breedte nodig van minimaal 3 meter.
2Gelijke rechten voor initiatiefnemers op beide oevers: het mag niet zo zijn dat als er op de ene oever een steiger wordt aangelegd, dat dit dan op de tegenoverliggende oever niet meer mogelijk is.
Dit betekent dat alles wat de watergang breder is dan 3 meter gelijk moet worden verdeeld over beide oevers, waarbij een maximale breedte van de steiger over de watergang geldt van 1 meter. Dus bij een watergang met een breedte van 4 meter mag de lengte van het overstek over het water maximaal 0,50 meter zijn.
Indien een groter overstek van de steiger over het water gewenst is, dan moet per geval worden beoordeeld of dit mogelijk is. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.154 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een steiger vergunningplichtig is. Het aanleggen van een steiger valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.155 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een steiger in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een steiger valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.157 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht is altijd van toepassing op activiteiten binnen het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat de zorgplicht ook van toepassing is op de activiteiten die onder de algemene regels vallen of de handelingen die vergunningplichtig zijn.
Onder a. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd, indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden.
Onder j. Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast
Artikel 4.158 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.160 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.161 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een steiger. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.157.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Zevende lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Artikel 4.163 Meldplicht
Het verrichten van activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging van het profiel van de watergang betekent, die moet worden geregistreerd in de profielenlegger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.nl) of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl).
Artikel 4.165 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.166 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze regels zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van een beschoeiing of damwand het verlengen van een beschoeiing of damwand, het dempen van water, het compenseren van de demping en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.167 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit beschoeiing of damwand aanleggen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder m: Dit houdt bijvoorbeeld in dat vissen en andere levende organismen de gelegenheid krijgen (of hierbij geholpen worden) te ontsnappen, voordat de watergang wordt gedempt. In het geval van een demping waarbij de watergang wordt afgedamd en leeggepompt, moet de watergang eerst leeggevist worden, alvorens de demping plaatsvindt. Indien mogelijk wordt aanwezige flora of de toplaag met wortels(tokken) en zaden overgebracht naar de nieuw gegraven watergang.
Onder n: Het gebruik van snel afbreekbaar materiaal voor het dempen is ongewenst, aangezien dit bij afbraak het oppervlaktewater kan verrijken met voedings- en meststoffen. Dit is negatief voor de waterkwaliteit. Bij snel afbreekbaar materiaal kan gedacht worden aan snoeimateriaal bestaand uit bladeren of versnipperd hout.
Onder o: Oevers zonder beschoeiing en oevers met een beschoeiing onder- of gelijk aan het waterpeil vormen meestal geen barrière voor dieren. Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand boven het waterpeil wordt beoordeeld of er voldoende mogelijke fauna-uittredeplaatsen aanwezig zijn. Het ontbreken van voldoende uittredeplaatsen kan de migratie of leefwijze van in (deels) waterlevende dieren belemmeren of zorgen voor verdrinking landdieren. Beide aspecten kunnen uiteindelijk een negatief effect hebben op de chemische- en/of ecologische waterkwaliteit en dierenwelzijn.
Voor kleine dieren geldt dat er binnen een straal van 50 meter een uittreedplaats aanwezig is. Voor grotere dieren (zoals reeën) is dat 300 meter.
Artikel 4.168 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.169 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een beschoeiing of damwand in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of meldplicht.
Artikel 4.170 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.171 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.167.
Eerste lid onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Derde lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Zesde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Zevende lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Achtste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.172 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.173 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een beschoeiing of damwand aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de beschoeiing of damwand kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.174 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Klei op veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld zal dalen. De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil in de sloot en de afstand tot de sloot.
Uitgaande van een zelfde slootpeil zal in brede percelen in perioden van neerslagtekort in het midden van het perceel de ontwateringsdiepte groter zijn dan in smallere percelen. Als gevolg hiervan zal het maaiveld met name in het midden van het perceel ook sneller gaan dalen (versnelde maaivelddaling). Uit onderzoek blijkt dat een optimale grondwaterstand wordt bereikt bij een perceelsbreedte van circa 60 meter. In het veen-weidegebied is de gemiddelde perceelsbreedte circa 50 meter. Het waterschap hanteert dan ook als beleid dat in klei op veen- en veengronden het versmallen van een watergang niet mag leiden tot een perceelsbreedte breder dan 60 meter. Wordt het perceel als gevolg van de versmalling van de watergang toch breder dan 60 meter dan geldt er een vergunningplicht. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de beleidsregels.
Artikel 4.175 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een beschoeiing of damwand vergunningplichtig is. Het aanleggen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.176 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.177 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een beschoeiing of damwand in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze regels zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van een beschoeiing of damwand, het inkorten van een beschoeiing of damwand en uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.178 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit beschoeiing of damwand verwijderen in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.179 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.180 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een beschoeiing of damwand in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.181 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.182 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een beschoeiing of damwand. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.178.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vierde lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.183 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.184 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een beschoeiing of damwand te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de beschoeiing of damwand kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.185 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een beschoeiing of damwand in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de beschoeiing of damwand wordt verwijderd in de beschermingszone B van een watergang. Het verwijderen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.186 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een beschoeiing of damwand vergunningplichtig is. Het verwijderen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Met het oog op onderstaande geldt een vergunningplicht.
Er vindt geen ophoging plaats van het maaiveld. De bestaande hoogte van het maaiveld mag dus niet worden gewijzigd aangezien dit van invloed kan zijn op de stabiliteit van de waterkering en een negatief effect kan hebben op de erosiebestendige bekleding. Daarom vallen deze werkzaamheden onder de vergunningplicht.
Als er nieuwe ankers worden aangebracht in de zone waterstaatswerk is dit van invloed op de stabiliteit van de waterkering. Daarom moet per geval worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan en geldt voor die gevallen een vergunningplicht.
Als een beschoeiing of damwand een constructieve functie heeft voor de waterkering dan kan deze niet zomaar worden vervangen, aangezien dit gevolgen kan hebben voor de waterkering. Daarom moet per geval worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan en geldt voor die gevallen een vergunningplicht. Dit geldt ook voor kwelschermen, aangezien die ook een belangrijke functie hebben voor de waterkering. Of een beschoeiing of damwand een functie heeft als kwelscherm of een constructieve functie heeft voor de waterkering kan worden nagevraagd bij het waterschap.
Als de beschoeiing of damwand waterdicht is dan bestaat er het gevaar dat een waterkering uitdroogt of juist heel erg nat wordt door ‘opgesloten’ hemelwater, dat niet kan worden afgevoerd. Dit kan ten koste gaan van de stabiliteit van de waterkering. Daarom moet per geval worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan en geldt voor die gevallen een vergunningplicht. Een damwand kan eenvoudig waterdoorlatend worden gemaakt door er op een bepaalde hoogte afwateringsgaten in te maken.
Artikel 4.187 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.188 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een beschoeiing of damwand in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze regels zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de beschoeiing of damwand.
Artikel 4.189 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit beschoeiing of damwand vervangen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Oevers zonder beschoeiing en oevers met een beschoeiing onder- of gelijk aan het waterpeil vormen meestal geen barrière voor dieren. Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand boven het waterpeil wordt beoordeeld of er voldoende mogelijke fauna-uittredeplaatsen aanwezig zijn. Het ontbreken van voldoende uittredeplaatsen kan de migratie of leefwijze van in (deels) waterlevende dieren belemmeren of zorgen voor verdrinking landdieren. Beide aspecten kunnen uiteindelijk een negatief effect hebben op de chemische- en/of ecologische waterkwaliteit en dierenwelzijn.
Voor kleine dieren geldt dat er binnen een straal van 50 meter een uittreedplaats aanwezig is. Voor grotere dieren (zoals reeën) is dat 300 meter.
Artikel 4.190 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.191 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een beschoeiing of damwand in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.192 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een beschoeiing of damwand in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.193 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.194 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een beschoeiing of damwand. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.189.
Eerste lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Derde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.195 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een beschoeiing of damwand te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de beschoeiing of damwand kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.196 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een beschoeiing of damwand in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de beschoeiing of damwand wordt vervangen in de beschermingszone B van een watergang. Het vervangen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.197 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een beschoeiing of damwand vergunningplichtig is. Het vervangen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.198 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een beschoeiing of damwand in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een beschoeiing of damwand valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.199 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening, het vergroten van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening.
Artikel 4.200 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in ieder geval inhoudt.
Als het om een tijdelijke uitstroomvoorziening of tijdelijk onttrekkingspunt voor eenmalig gebruik gaat dan geldt alleen de zorgplicht. Voorwaarde is uiteraard dat de uitstroomvoorziening of onttrekkingspunt direct na afloop van de werkzaamheden geheel uit de watergang wordt verwijderd. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een lozingspunt voor een grondwateronttrekking of om bijvoorbeeld een onttrekkingspunt voor het opzetten van het waterpeil in een tijdelijke bouwkuip. Onttrekkingspunten voor de nachtvorstbestrijding vallen hier niet onder aangezien deze niet voor eenmalig gebruik bedoeld zijn maar een permanent karakter hebben.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder n: Bij het onttrekken van oppervlaktewater bestaat het risico dat in het waterlevende organismen worden ingezogen uit het water. In de meeste gevallen zullen de organismen dit niet overleven. Zelfs niet wanneer het onttrokken oppervlaktewater weer wordt geloosd op hetzelfde oppervlaktewater. De inname van organismen kan uiteindelijk een negatief effect hebben op de ecologische waterkwaliteit. Maatregelen om dit risico te verkleinen zijn bijvoorbeeld het beperken van de innamesnelheid en het toepassen van een filter met een kleine maaswijdte bij het innamepunt.
Artikel 4.201 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.202 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.203 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.204 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.200.
Derde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.205 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.206 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.207 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Lozingen en onttrekkingen nabij vispassages kunnen tegenstrijdige situaties opleveren waardoor deze het effect van een vispassages benadelen. Vissen navigeren o.a. aan de hand van stromingen binnen de watergang. Vispassages maken hier gebruik van door het toepassen van een lokstroom. Deze kan verstoord worden door veranderingen in de waterstroming nabij de vispassage. Het effect is afhankelijk van de afstand, stromingsrichting, debiet en timing van een onttrekking of een lozing. Als er een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in beschermingszone V van een vispassage wordt aangelegd, moet per geval worden beoordeeld of er geen nadelig effect is op de lokstroom van de vispassage. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht.
Artikel 4.208 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening vergunningplichtig is. Het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.209 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.212 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.214 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.215 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een uitstroomvoorziening of onttrekkingsvoorziening. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.211.
Tweede lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Algemeen:
De voorschriften zien er op dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt voorkomen dat uitspoeling van grond kan optreden, waardoor risico ontstaat voor de stabiliteit van de waterkering. De uitgegraven grond moet in omgekeerde volgorde worden teruggebracht om te zorgen voor een goede hechting van de grondlagen. Indien er onvoldoende grond aanwezig is, moet er i.v.m. het gevaar op piping buitendijks, binnen de zone waterstaatswerk klei, worden toegepast conform Bijlage IV. De hechting van de verschillende grondlagen is belangrijk voor de instandhouding van de waterkering.
Artikel 4.217 Meldplicht
Het verrichten van activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging van het profiel van de watergang betekent, die moet worden geregistreerd in de profielenlegger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.nl) of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl).
Artikel 4.218 Vergunningplicht waterkering
Wanneer er sprake is van een verheelde regionale of verheelde overige waterkering, dan heeft het verwijderen van uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten geen negatief effect op de waterkering mits de zorgplicht in acht wordt genomen.
Het verwijderen van uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten met aan- of afvoerbuizen heeft geen negatief effect op de waterkering als deze buiten het dijklichaam wordt verwijderd, mits wordt voldaan aan de voorschriften in de algemene regel.
Binnen de kruin en taluds van de waterkering kan het verwijderen van uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten met aan- of afvoerbuizen (en eventuele pompen) een negatief effect hebben op de waterkering. Daarom geldt een vergunningplicht.
Het verwijderen van uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten met aan- of afvoerbuizen (en eventuele pompen) heeft geen negatief effect op de waterkering als deze geheel buiten de kruin en de taluds worden aangebracht, mits wordt voldaan aan de voorschriften in de algemene regel. Voor regionale waterkeringen is er een meldplicht omdat bij de periodieke toetsing van de waterkering alle objecten die in de waterkering aanwezig zijn in beeld moeten worden gebracht.
Artikel 4.219 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.220 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een kabel of leiding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels uit deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een kabel of leiding, het verlengen van een kabel of leiding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de kabel of leiding. Ook mantelbuizen moeten aan de regelgeving in deze paragraaf voldoen.
Artikel 4.221 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een kabel of leiding in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Het leggen van kabels (dus ook huisaansluitingen) en het leggen van huisaansluitingen van leidingen in het profiel van vrije, buiten de zone waterstaatswerk, van de waterkering staan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering niet in de weg. Daarom geldt hiervoor de zorgplicht. Voor grotere leidingen voor bijvoorbeeld gas of water geldt dat deze wat moeilijker (duurder!) te verleggen zijn indien dat nodig is vanwege dijkverzwaringsprojecten. Daarom vallen deze leidingen niet onder de zorgplicht.
Onderdeel f adviseert om de kabels en leidingen buiten de beschermingszones te leggen. Mochten er toch werkzaamheden plaatsvinden binnen deze zones, adviseert het waterschap om in ieder geval voldoende afstand te houden tot de beschoeiing of het kunstwerk en de beschoeiing of het kunstwerk onderlangs te kruisen en niet te beschadigen.
Artikel 4.222 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.223 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een kabel of leiding in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.224 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een kabel of leiding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Onder waterkerende constructies worden onder andere damwanden en kademuren verstaan. Bij een boogboring met de bentoniet wordt de grond niet onder hoge druk met water weggespoten (zoals bij een boogzinker), maar wordt de boorstang de grond ingedrukt waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Om te voorkomen dat het boorfront instort wordt een bentonietslurry gebruikt, die tevens dient om de ontgraven grond af te voeren. Ook voorkomt de bentonietslurry dat er holle ruimtes om de mantelbuis ontstaan.
Artikel 4.225 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een kabel of leiding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.226 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een kabel of leiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.221.
Eerste lid onder d:
Het onderhouden tegen verlanden houdt onder andere in: maaien, het verwijderen van houtgewassen en periodiek op de oorspronkelijke diepte terugbrengen van de natuurvriendelijke oever.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Derde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfde lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Zesde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Achtste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Negende lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tiende lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Elfde lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Twaalfde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Dertiende lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Veertiende lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijftiende lid, onder b:
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende debiet.
Zestiende lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Zeventiende lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Achttiende lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Negentiende lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Twintigste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Eenentwintigste lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweeëntwintigste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Drieëntwintigste lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierentwintigste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfentwintigste lid, onder h:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.227 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.228 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een kabel of leiding aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de kabel of leiding kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.229 Vergunningplicht watergang
Bij primaire en secundaire watergangen is dit ongewenst omdat hierdoor (elders) wateroverlast of watertekort kan ontstaan. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht, waarbij het waterschap nagaat of de handeling onder het stellen van voorschriften kan worden toegestaan.
Artikel 4.230 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een kabel of leiding vergunningplichtig is. Het aanleggen van een kabel of leiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.231 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een kabel of leiding in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een kabel of leiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.232 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een kabel of leiding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels uit deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een kabel of leiding, verkleinen van een kabel of leiding en uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de kabel of leiding. Ook mantelbuizen moeten aan de regelgeving in deze paragraaf voldoen.
Artikel 4.233 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een kabel of leiding in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.234 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.235 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het verwijderen van een kabel of leiding in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.236 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een kabel of leiding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.237 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel bevat de voorschriften die gelden bij het verwijderen van een kabel of leiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven welke voorschriften voor de activiteit van toepassing zijn.
Artikel 4.238 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een kabel of leiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.233.
Eerste lid, onder b:
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende debiet.
Tweede lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.241 Vergunningplicht watergang
Als bij het verwijderen van kabels en leidingen een watergang moet worden doorkruist door middel van het graven van een sleuf in een open ontgraving dan kan het zijn dat de watergang moet worden gestremd. Bij primaire en secundaire watergangen is dit ongewenst omdat hierdoor (elders) wateroverlast of watertekort kan ontstaan. Daarom geldt voor deze gevallen alsnog een vergunningplicht, waarbij het waterschap nagaat of de handeling onder het stellen van voorschriften toch kan worden toegestaan.
Artikel 4.242 Vergunningplicht waterkering
Voor het verwijderen van kabels en leidingen in een primaire waterkering vinden er graafwerkzaamheden plaats in deze waterkering. Hierbij moet per geval worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht.
Indien de te graven sleuf voor het verwijderen van kabels en leidingen grotere afmetingen heeft (ontgraving is dieper dan 0,80 m of breder dan 0,50 m), dan is er sprake zodanig grootschalige graafwerkzaamheden dat het waterschap per geval wil bekijken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.243 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.244 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van beplanting in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze paragraaf is ook van toepassing vervangen of verplaatsen van beplanting en uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van beplanting. Onder beplanting wordt niet verstaan: gras. Ook gewassen vallen hier niet onder.
Artikel 4.245 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit aanbrengen van beplanting in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.246 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.247 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanbrengen van beplanting bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.248 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanbrengen van beplanting in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.249 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanbrengen van beplanting. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.245.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.250 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.251 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding beplanting aan te brengen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de beplanting kan worden aangebracht en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.252 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanbrengen van beplanting in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de beplanting wordt aangebracht in een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang of in de beschermingszones A, B of K van de watergang. Het aanbrengen van beplanting valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Als er beplanting wordt aangebracht in het doorstroomprofiel van een watergang dan gaat dit ten koste van de doorstroming. Dat is ongewenst en daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Bovendien kan bladval in de watergang leiden tot fysisch-chemische achteruitgang van de watergang. Zo zorgen afbraakprocessen van de bladeren voor een verhoogd zuurstofgebruik, wat zuurstofloze omstandigheden kan veroorzaken. Zuurstofloosheid heeft diverse negatieve effecten op de waterkwaliteit.
Artikel 4.253 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanbrengen van beplanting vergunningplichtig is. Het aanbrengen van beplanting valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Binnen het dijklichaam van primaire waterkeringen en zomerkades geldt er wel een vergunningplicht, aangezien de aanwezigheid van beplanting een negatief effect kan hebben op onder andere de erosiebestendigheid van de waterkering. Bij regionale en overige waterkeringen wordt het onderscheid binnen of buiten het dijklichaam niet gemaakt en geldt overal een vergunningplicht.
Indien er sprake is van opgaande beplanting die hoger is (of hoger wordt) dan 5 meter geldt er altijd een vergunningplicht. De reden is dat hoge beplanting (bomen) schade kan aanrichten aan de waterkering wanneer zo’n boom bijvoorbeeld omvalt.
Artikel 4.254 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de vaarwegen, het aanbrengen van beplanting in een natuurvriendelijke oever en in een vaarweg vergunningplichtig is.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.255 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van beplanting in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op vervangen of verplaatsen van beplanting en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van beplanting. Onder het verwijderen van beplanting valt niet het verwijderen van gras of gewassen.
Artikel 4.256 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9voor de activiteit het verwijderen van beplanting in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.257 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.258 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van beplanting in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Bij primaire waterkeringen en zomerkades valt het aanbrengen van planten, struiken en snoeibomen buiten het dijklichaam onder een algemene regel als deze vormen van beplanting lager zijn (en lager blijven) dan 5 meter. Voor de primaire waterkering geldt een informatieplicht aangezien het waterschap op de hoogte wil zijn of er zich beplanting op de waterkering bevindt.
Snoeien valt niet onder regels voor het verwijderen van beplanting.
Artikel 4.259 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor verwijderen van beplanting in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.260 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van beplanting. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.256.
Eerste lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder f:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vierde lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.262 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding beplanting te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de beplanting kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.263 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van beplanting vergunningplichtig is. Het verwijderen van beplanting valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Snoeien valt niet onder regels voor het verwijderen van beplanting.
Artikel 4.264 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van beplanting in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van beplanting valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.265 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze paragraaf is ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een hekwerk, schutting of afrastering, het verlengen van een hekwerk, schutting of afrastering en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het hekwerk, de schutting of de afrastering.
Artikel 4.266 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder e: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.267 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.268 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.269 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.270 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.271 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.266.
Eerste lid, onder a:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.272 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een hekwerk, schutting of afrastering aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het hekwerk, de schutting of de afrastering kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.273 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als het hekwerk, de schutting of de afrastering wordt aangelegd in een primaire watergang of in de beschermingszones A, B of K van de watergang. Het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.274 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering vergunningplichtig is. Het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.275 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.276 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze paragraaf is ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een hekwerk, schutting of afrastering, het inkorten van een hekwerk, schutting of afrastering en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het hekwerk, de schutting of de afrastering.
Artikel 4.277 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.278 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.279 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.280 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.281 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.277.
Eerste lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.282 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.283 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een hekwerk, schutting of afrastering te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het hekwerk, de schutting of de afrastering kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.284 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering vergunningplichtig is. Het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.285 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een hekwerk, schutting of afrastering in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.286 Toepassingsbereik
Deze paragraaf ziet op het oprichten van een overig bouwwerk, mits deze activiteit niet al elders in dit hoofdstuk als afzonderlijke activiteit is uitgewerkt. De bepaling vormt daarmee een restcategorie: zij biedt regels voor bouwwerken die niet specifiek in de waterschapsverordening zijn benoemd.
De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een overig bouwwerk, het verlengen van een doorgaand overig bouwwerk en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het overig bouwwerk.
Als het gaat om het definitief afdammen van een tertiaire watergang is de regelgeving uit deze paragraaf niet van toepassing. In dat geval gelden de regels voor het aanleggen van een dam.
Artikel 4.287 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het oprichten van een overig bouwwerk in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Het afdekken van tertiaire watergangen met zonnepanelen of drijvende woningen kan invloed hebben op de waterkwaliteit en op de ecologie. Als de afdekking in totaal meer dan 10 m2 bedraagt dan moet beoordeeld worden wat de gevolgen zijn voor de waterkwaliteit en de ecologie. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Bedraagt de totale afdekking minder dan 10 m2, bevinden zich binnen een afstand van 100 meter geen andere zonnepanelen of drijvende woningen, in, op of boven dezelfde watergang en blijft de waterspiegel in het dwarsprofiel van de watergang voor meer dan 50% onbedekt dan zullen de gevolgen voor de watergang minimaal zijn en geldt alleen de zorgplicht.
Het innemen van een ligplaats met een vaartuig, zowel gemotoriseerd als ongemotoriseerd, valt onder de zorgplicht. Onder een vaartuig wordt verstaan een boot waar mee gevaren wordt en waarop niet wordt gewoond. Woonboten en woonarken en woonschepen vallen hier dus niet onder. Voor woonboten, woonarken en woonschepen geldt een vergunningplicht, behalve als het gaat om de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag. Deze twee wateren zijn zodanig van omvang dat een woonboot, woonark of woonschip nauwelijks invloed heeft op de doorstroming. Raadpleeg voordat u de vergunning aanvraagt ook de provincie en/of de gemeente, omdat deze aanvullende regels kunnen hebben waar rekening mee moet worden gehouden.
Daarnaast is het innemen van een ligplaats in een vaarweg, voor zowel vaartuigen als ook woonboten, woonarken of woonschepen, geregeld in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en in Verkeersbesluiten. Raadpleeg daarom ook die regelgeving, voordat u de handeling uitvoert. Het kan dus zo zijn dat het innemen van een ligplaats is toegestaan volgens de regelgeving in dit hoofdstuk, maar dat het niet is toegestaan volgens het BPR. Daarnaast moet de initiatiefnemer rekening houden met eventueel regelgeving van de provincie en/of de gemeente.
Tijdelijke pontons, waaronder pontonbruggen of andere tijdelijke drijvende constructies worden geacht de watergang niet te versmallen en vallen dan ook onder de zorgplicht. Onder tijdelijke constructies en objecten verstaan we constructies en objecten die tijdelijk in, op of boven de watergang worden geplaatst ten behoeve van het uitvoeren van werken of voor evenementen.
Onder f: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.289 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het oprichten van een overig bouwwerk in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.290 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het oprichten van een overig bouwwerk in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Objecten ten behoeve van de openbare veiligheid (bijv. verkeersborden, reflectorpaaltjes) mogen het gehele jaar worden geplaatst - hier geldt dus niet de gesloten dijkperiode - op de in vraag 4 aangegeven locaties en vallen onder de algemene regel. Ook het vervangen van straatlantaarns valt hieronder, aangezien hiervoor geen nieuwe kabel hoeft te worden aangelegd en deze belangrijk zijn voor de verkeerveiligheid.
Wel geldt dat er sprake moet zijn van locatiegebondenheid. Dat wil zeggen dat het object persé op die locatie moet staan. Kunstuitingen vallen hier dus niet onder.
Artikel 4.291 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het oprichten van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.292 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het oprichten van een overig bouwwerk. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.287.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.293 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.294 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een overig bouwwerk op te richten in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het overig bouwwerk kan worden opgericht en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.296 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het oprichten van een overig bouwwerk vergunningplichtig is. Het oprichten van een overig bouwwerk valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten kan worden toegestaan.
Bij objecten zonder fundering onder maaiveldniveau of op palen moet worden gedacht aan objecten die bijvoorbeeld op stoeptegels of stelconplaten zijn geplaatst die op het maaiveld liggen. Ook bijvoorbeeld straatlantaarns, verkeersborden, informatieborden, etc. vallen hier onder.
Artikel 4.297 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het oprichten van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het oprichten van een overig bouwwerk valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Het innemen van een ligplaats met een vaartuig, zowel gemotoriseerd als ongemotoriseerd, valt onder de zorgplicht. Onder een vaartuig wordt verstaan een boot waar mee gevaren wordt en waarop niet wordt gewoond. Woonboten en woonarken en woonschepen vallen hier dus niet onder. Voor woonboten, woonarken en woonschepen geldt een vergunningplicht, behalve als het gaat om de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag. Deze twee wateren zijn zodanig van omvang dat een woonboot, woonark of woonschip nauwelijks invloed heeft op de doorstroming. Raadpleeg voordat u de vergunning aanvraagt ook de provincie en/of de gemeente, omdat deze aanvullende regels kunnen hebben waar rekening mee moet worden gehouden.
Daarnaast is het innemen van een ligplaats in een vaarweg, voor zowel vaartuigen als ook woonboten, woonarken of woonschepen, geregeld in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en in Verkeersbesluiten. Raadpleeg daarom ook die regelgeving, voordat u de handeling uitvoert. Het kan dus zo zijn dat het innemen van een ligplaats is toegestaan volgens de regelgeving in dit hoofdstuk, maar dat het niet is toegestaan volgens het BPR. Daarnaast moet de initiatiefnemer rekening houden met eventueel regelgeving van de provincie en/of de gemeente.
Artikel 4.298 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een overig bouwwerk in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een overig bouwwerk, het inkorten van een doorgaand overig bouwwerk en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het overig bouwwerk.
Artikel 4.299 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een overig bouwwerk in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.300 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.301 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een overig bouwwerk in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Het verwijderen van bouwwerken heeft een geringe invloed op de waterkering als die bouwwerken niet onder maaiveldniveau zijn gefundeerd en ook niet op palen staan, maar die bijvoorbeeld op stoeptegels of stelconplaten zijn gefundeerd, die op het maaiveld liggen. Daarom geldt hier een algemene regel.
Artikel 4.302 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.303 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een overig bouwwerk. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.299.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder b:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder b:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.304 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.305 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding van een overig bouwwerk te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het overig bouwwerk kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.306 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een overig bouwwerk vergunningplichtig is. Het verwijderen van een overig bouwwerk valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.307 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een overig bouwwerk in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een overig bouwwerk valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.308 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een natuurvriendelijke oever, het verbreden van een natuurvriendelijke oever en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever.
Onderhoud
Het onderhouden van een natuurvriendelijke oever valt niet onder “het verrichten van handelingen in of boven natuurvriendelijke oevers”. Bij het onderhouden van een natuurvriendelijke oever is de zorgplicht van toepassing.
Artikel 4.309 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.310 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.311 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.312 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.313 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften die gelden bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven welke voorschriften voor de activiteit van toepassing zijn.
Artikel 4.314 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.315 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in beschermingszone A of in het doorstroomprofiel van een watergang. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Als de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd als compensatie voor een demping, een dam (met duiker), een brug, nieuw verhard oppervlak of ter compensatie van een handeling in een bestaande natuurvriendelijke oever, dan worden er eisen gesteld aan de diepte van de aan te leggen natuurvriendelijke oever indien het een plasberm betreft. De diepte moet dan minimaal 0,30 meter ten opzichte van het laagst vastgestelde peil volgens het peilbesluit zijn omdat anders de kans op verlanding erg groot is. Er zijn gevallen denkbaar waar andere eisen gelden. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Het peilbesluit is te raadplegen op de site van het waterschap:
https://www.hdsr.nl/buurt/peilbesluiten/.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van natuurvriendelijke oevers niet in dit streven past. In het geval een handeling van de initiatiefnemer een verlies van 2 m² aan natuurvriendelijke oever veroorzaakt, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de handeling te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Als het verlies aan natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever. De handeling die het verlies aan natuurvriendelijke oever veroorzaakt dient wel te voldoen aan de regels die van toepassing zijn voor die handeling. Als er bijvoorbeeld een kleine steiger wordt aangelegd van maximaal 2 m² dan moet het aanleggen van deze steiger wel voldoen aan de regels die zijn opgenomen bij de betreffende activiteit.
Voor primaire en secundaire watergangen die vanaf de oever worden onderhouden, geldt ook een vergunningplicht als er gecompenseerd moet worden middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever. Dit komt overeen met de regelgeving voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers
Artikel 4.316 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.317 Vergunningplicht vaarweg
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.318 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een natuurvriendelijke oever in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een natuurvriendelijke oever, het versmallen van een natuurvriendelijke oever en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.319 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een natuurvriendelijke oever in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.320 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.321 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de natuurvriendelijke oever wordt verwijderd in de zone waterstaatswerk van een primaire, regionale of overige waterkering danwel in de zone waterstaatswerk van een zomerkade. Het verwijderen van een natuurvriendelijke oever valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.322 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.323 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten of aanpassen van een gebouw in het beheergebied van het waterschap. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een gebouw, het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het oprichten of aanpassen van een gebouw, het versneld afvoeren van hemelwater en het compenseren van de versnelde afvoer van hemelwater.
Artikel 4.324 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het oprichten of aanpassen van een gebouw in het beheergebied van het waterschap in ieder geval inhoudt.
Onder m: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.325 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.326 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het oprichten of aanpassen van een gebouw in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Bij nieuwbouw vindt er een toename van het verharde oppervlak plaats. Hierdoor wordt water versneld afgevoerd naar het watersysteem. Om te voorkomen dat er wateroverlast optreedt vragen we als waterschap aan initiatiefnemers om die toename te ‘compenseren’. De wateropgave kan worden voldaan door de aanleg van groene daken, infiltratievoorzieningen (o.a. wadi’s) of open water te graven. De genoemde hoeveelheid mm is een maat om aan te geven hoeveel berging er gecreëerd moet worden.
Het opvangen van 71 mm neerslag is gebaseerd op de neerslagstatistiek van de Stowa, Deltares en het KNMI. Hierbij is gekeken naar de hoeveelheid neerslag die ongeveer 1 x per 100 jaar in 1 uur valt.
Indien de compensatie volledig in open water wordt gerealiseerd, dan komt dit overeen met afgerond 23,7% open water graven (uitgaande van een peilstijging van 30 cm). Bij het opstellen van een waterhuishoudkundig plan wordt onderzocht of een grotere peilstijging dan 30 cm mogelijk is.
Rekenvoorbeeld: In een nieuwbouwplan neemt het verhard oppervlak toe met 6.000 m². Hiervoor dient 71 mm regen te worden opgevangen. Dit komt neer op 6.000 m² x 0,071 = 426 m³ waterberging. In het nieuwbouwplan wordt 20 mm van de neerslag opgevangen en geïnfiltreerd door wadi’s aan te leggen. Dit komt neer op 6.000 m² x 0,020 = 120 m³ berging.
De resterende waterbergingsopgave van 51 mm (306 m³) wordt ingevuld door het graven van nieuw oppervlaktewater. Op basis van een mogelijke peilstijging van 30 cm komt dit neer op 1020 m² nieuw oppervlaktewater (306 m³ / 0,3 m = 1020 m²).
Bij een volledige compensatie in oppervlaktewater en een peilstijging van 30 cm, kan worden gerekend met afgerond 23,7%, van de toename aan verharding, oppervlaktewater graven. Op basis van hydrologische vuistregels staat het graven van afgerond 23,7% oppervlaktewater, in combinatie met een peilstijging van 30 cm, gelijk aan 71 mm watercompensatie. Dat komt dus neer op 6.000 m² x 0,237 = 1422 m² nieuw oppervlaktewater.
Artikel 4.327 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het oprichten of aanpassen van een gebouw in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met informatieplicht of een meldplicht.
Artikel 4.328 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het oprichten of aanpassen van een gebouw in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.329 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het oprichten of aanpassen van een gebouw. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.324.
Tweede lid:
Dit kan betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vijfde lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Zesde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.330 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.331 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een gebouw op te richten of aan te passen van in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het gebouw kan worden opgericht of aangepast en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.332 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het oprichten of aanpassen van een gebouw in een watergang vergunningplichtig is. Het oprichten of aanpassen van een gebouw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten of aanpassen kan worden toegestaan.
Artikel 4.333 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het oprichten of aanpassen van een gebouw vergunningplichtig is. Het oprichten of aanpassen van een gebouw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten of aanpassen kan worden toegestaan.
Het wijzigen van de functie van een bouwwerk kan gevolgen hebben voor de waarde van het bouwwerk en dat kan gevolgen hebben voor toekomstige dijkverbeteringsprojecten. Het kan voorkomen dat een bouwwerk bij zo’n project moet worden weggehaald. Dit is voor een schuur nou eenmaal veel eenvoudiger dan voor een woonhuis.
Artikel 4.334 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het oprichten of aanpassen van een gebouw in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het oprichten of aanpassen van een gebouw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten of aanpassen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.335 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een gebouw in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een gebouw en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van een gebouw.
Artikel 4.336 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een gebouw in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.337 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.338 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een gebouw in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.339 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een gebouw in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.340 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een gebouw. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.336.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Vierde lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Zesde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Achtste lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.341 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.342 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een gebouw te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het gebouw kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.343 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een gebouw vergunningplichtig is. Het verwijderen van een gebouw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.344 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een gebouw in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een gebouw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.345 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een weg of verharding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van een weg of verharding, uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van een weg of verharding, het versneld afvoeren van hemelwater en het compenseren van de versnelde afvoer van hemelwater.
Artikel 4.346 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit weg of verharding aanleggen in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Indien helemaal wordt voorkomen dat hemelwater van toegenomen verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd, dan hoeft niet te worden gecompenseerd middels het graven van oppervlaktewater of het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Het voorkomen van een versnelde afvoer en lozing kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd middels het aanleggen van wadi’s, greppels of infiltratieriolen die niet rechtstreeks zijn aangesloten op het watersysteem. Het waterschap heeft richtlijnen waaraan bovengenoemde constructies moeten voldoen om een versnelde afvoer te voorkomen. Als wordt voldaan aan deze richtlijnen dan mag er van worden uitgegaan dat er geen sprake is van versnelde afvoer en lozing. Dit valt onder de zorgplicht.
Artikel 4.347 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.348 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een weg of verharding in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Bij nieuwbouw vindt er een toename van het verharde oppervlak plaats. Hierdoor wordt water versneld afgevoerd naar het watersysteem. Om te voorkomen dat er wateroverlast optreedt vragen we als waterschap aan initiatiefnemers om die toename te ‘compenseren’. De wateropgave kan worden voldaan door de aanleg van groene daken, infiltratievoorzieningen (o.a. wadi’s) of open water te graven. 71 mm is een maat om aan te geven hoeveel berging er gecreëerd moet worden.
Het opvangen van 71 mm neerslag is gebaseerd op de neerslagstatistiek van de Stowa, Deltares en het KNMI. Hierbij is gekeken naar de hoeveelheid neerslag die ongeveer 1 x per 100 jaar in 1 uur valt.
Indien de compensatie volledig in open water wordt gerealiseerd, dan komt dit overeen met afgerond 23,7% open water graven (uitgaande van een peilstijging van 30 cm). Bij het opstellen van een waterhuishoudkundig plan wordt onderzocht of een grotere peilstijging dan 30 cm mogelijk is.
Rekenvoorbeeld: In een nieuwbouwplan neemt het verhard oppervlak door de aanleg van wegen en parkeerplaatsen toe met 6.000 m². Hiervoor dient 71 mm regen te worden opgevangen. Dit komt neer op 6.000 m² x 0,071 = 426 m³ waterberging. In het nieuwbouwplan wordt 20 mm van de neerslag opgevangen en geïnfiltreerd door wadi’s aan te leggen. Dit komt neer op 6.000 m² x 0,020 = 120 m³ berging.
De resterende waterbergingsopgave van 51 mm (306 m³) wordt ingevuld door het graven van nieuw oppervlaktewater. Op basis van een mogelijke peilstijging van 30 cm komt dit neer op 1020 m² nieuw oppervlaktewater (306 m³ / 0,3 m = 1020 m²).
Bij een volledige compensatie in oppervlaktewater en een peilstijging van 30 cm, kan worden gerekend met afgerond 23,7%, van de toename aan verharding, oppervlaktewater graven. Op basis van hydrologische vuistregels staat het graven van afgerond 23,7% oppervlaktewater, in combinatie met een peilstijging van 30 cm, gelijk aan 71 mm watercompensatie. Dat komt dus neer op 6.000 m² x 0,237 = 1422 m² nieuw oppervlaktewater.
Artikel 4.349 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een weg of verharding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.350 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een weg of verharding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.351 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een weg of verharding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.346.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid:
Dit zou in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij extreem hoog water, kunnen betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt.
Vierde lid, onder b:
De aan te leggen dam met duiker voldoet aan de regelgeving in paragraaf 4.5.1 Dam met duiker aanleggen.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.352 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.353 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een weg of verharding aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de weg of verharding kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.354 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een weg of verharding vergunningplichtig is. Er geldt een vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.355 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een weg of verharding vergunningplichtig is. Het aanleggen van een weg of verharding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.356 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een weg of verharding in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het aanleggen van een weg of verharding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.357 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen en verplaatsen van een weg of verharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het veranderen of verwijderen van een weg of verharding,
Een totale reconstructie van de weg, waarbij bijvoorbeeld ook de riolering wordt vervangen, valt hier niet onder, aangezien de weg dan voor langere tijd open zal liggen.
Artikel 4.358 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit veranderen of verwijderen van een weg of verharding in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.359 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.360 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Onder het vervangen van de toplaag wordt bijvoorbeeld verstaan het wegfrezen van de bovenste laag asfalt waarbij het onderste deel blijft liggen en erosiebestendig is. Het weghalen van een klinkerverharding valt hier niet onder want het eronder liggende zand of puin is niet erosiebestendig.
Artikel 4.361 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.362 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het veranderen of verwijderen van een weg of verharding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.358.
Eerste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder c:
Dit zou in bepaalde gevallen kunnen betekenen dat de erosiebestendige bekleding van de waterkering direct moet worden teruggebracht.
Vierde lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.363 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een weg of verharding te veranderen of te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de weg of verharding kan worden veranderd of verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.364 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het veranderen of verwijderen van een weg of verharding vergunningplichtig is. Het veranderen of verwijderen van een weg of verharding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het veranderen of verwijderen kan worden toegestaan.
Het gedeeltelijk frezen van de toplaag en daarop een geheel nieuwe toplaag aanbrengen valt ook onder overlagen en is dus vergunningplichtig.
Artikel 4.365 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het veranderen of verwijderen van een weg of verharding in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het veranderen of verwijderen van een weg of verharding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het veranderen of verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.366 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het beweiden in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing op pluimvee.
Artikel 4.367 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het beweiden in ieder geval inhoudt.
Onder i:Door beschadiging van het talud en de aanwezige oevervegetatie kan de oever afkalven. Het afkalven van de oever en het verlies van vegetatie heeft zowel direct als indirect een negatief effect op de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Het gaat om onder andere het vrijkomen van voedingsstoffen door de afbraak van vegetatie of het verlies van de bufferwerking van de oevervegetatie tegen het af- en uitspoelen van mest- en verontreinigende stoffen van de landbodem. Daarnaast kan oeverafkalving in het veenweidegebied veenafbraak en bodemdaling versterken en daarmee de waterkwaliteit indirect verslechteren.
Bij het graven in de bodem kan schade aan het talud worden voorkomen door vrijkomend materiaal op voldoende afstand van de insteek van de watergang te plaatsen.
Artikel 4.368 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.369 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het beweiden in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.370 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het beweiden in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.371 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij beweiden. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.367.
Artikel 4.372 Algeheel verbod
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer het beweiden geheel verboden is.
Artikel 4.373 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het bemesten van gronden in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen.
Artikel 4.374 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit bemesten van gronden in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.375 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.376 Algeheel verbod
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer het bemesten van gronden in het beperkingengebied geheel verboden is.
Bij niet verheelde regionale en niet verheelde overige waterkeringen en bij zomerkades mag geen bemesting plaatsvinden op de kruin en de taluds, aangezien bemesting zorgt voor oppervlakkige wortelgroei. Door het bemesten ontstaat er geen diepgewortelde erosiebestendige grasmat.
Bovendien mag bij deze type waterkeringen een eventuele binnenberm niet worden bemest met zwaar materieel aangezien dit tot schade kan leiden aan deze berm. Zo’n berm mag wel met kunstmest worden bemest aangezien dit met relatief licht materieel gebeurt en dus de stabiliteit van de berm dan niet in gevaar komt. Bij primaire waterkeringen wordt er van uitgegaan dat een eventuele binnenberm voldoende stabiel is voor het gebruik van zwaar materieel. Indien er geen binnenberm aanwezig is, mag bij primaire waterkering ook het binnentalud bemest worden.
Artikel 4.377 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het bewerken van grond in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het ploegen, frezen, spitten, en het roeren van grond voor het aanbrengen van gewassen.
Artikel 4.378 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het bewerken van grond in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.379 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.380 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor bewerken van grond in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.381 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het bewerken van grond in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.382 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het bewerken van grond. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.378.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.383 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding grond te bewerken in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de grond kan worden bewerkt en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.384 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het bewerken van grond vergunningplichtig is. Het bewerken van grond valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het bewerken kan worden toegestaan.
Artikel 4.385 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het bewerken van grond in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het bewerken van grond valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het bewerken kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.386 Algeheel verbod
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer het bewerken van grond in het beperkingengebied geheel verboden is.
Artikel 4.387 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het vervangen van een grasmat in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels uit deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de grasmat.
Artikel 4.388 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit grasmat vervangen in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.389 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.390 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een grasmat in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.391 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor vervangen van een grasmat in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.392 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een grasmat. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.388.
Eerste lid, onder b:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.393 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een grasmat te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de grasmat kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.394 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een grasmat vergunningplichtig is. Het vervangen van een grasmat valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.395 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een grasmat in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een grasmat valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.396 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een grondboring of sondering in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het aanleggen of verwijderen van een filterbuis en het aanleggen of verwijderen van een peilbuis.
Indien het gaat om het plaatsen van filterbuizen moet ook de regels over grondwater in hoofdstuk 3 worden geraadpleegd omdat die ook van toepassing kunnen zijn.
Artikel 4.397 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het uitvoeren van een grondboring of sondering in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.398 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.399 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het uitvoeren van een grondboring of sondering in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.400 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het uitvoeren van een grondboring of sondering in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.401 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het uitvoeren van een grondboring of sondering. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.397.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder a:
De peilbuizen en filterbuizen worden zodanig uitgevoerd dat deze niet kunnen overstromen, bijvoorbeeld tijdens een hoogwaterperiode. Dit kan door middel van bijvoorbeeld een voldoende hoge buis of een schroefdop.
Vierde lid, onder a:
De peilbuizen en filterbuizen worden zodanig uitgevoerd dat deze niet kunnen overstromen, bijvoorbeeld tijdens een hoogwaterperiode. Dit kan door middel van bijvoorbeeld een voldoende hoge buis of een schroefdop.
Artikel 4.402 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een grondboring of sondering uit te voeren in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de grondboring of sondering kan worden uitgevoerd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.403 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het uitvoeren van een grondboring of sondering vergunningplichtig is. Het uitvoeren van een grondboring of sondering valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het uitvoeren kan worden toegestaan.
Artikel 4.404 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het uitvoeren van een grondboring of sondering in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het uitvoeren van een grondboring of sondering valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het uitvoeren kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.405 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een bodemenergiesysteem in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van het bodemenergiesysteem, het uitbreiden van het bodemenergiesysteem en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het bodemenergiesysteem
Artikel 4.406 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit bodemenergiesysteem aanleggen in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.407 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.408 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er een algemene regel geldt. Voor het aanleggen van een bodemenergiesysteem in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.409 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een bodemenergiesysteem. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.406.
De activiteit die het verlies aan een natuurvriendelijke oever veroorzaakt dient wel te voldoen aan de regels die van toepassing zijn op die activiteit. Als er bijvoorbeeld een kleine steiger wordt aangelegd van maximaal 2 m² dan moet het aanleggen van deze steiger wel voldoen aan de regels over de aanleg van steigers en vlonders.
Een natuurvriendelijke oever is aangelegd met het doel de waterkwaliteit te verbeteren. Als ter compensatie een kleinere natuurvriendelijke oever wordt aangelegd, dan zou dit de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Dat is niet wenselijk en daarom moet een oever van gelijke omvang worden aangelegd.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.410 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een bodemenergiesysteem aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het bodemenergiesysteem kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.411 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een bodemenergiesysteem vergunningplichtig is. Het aanleggen van een bodemenergiesysteem valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.412 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de vaarwegen, het aanleggen van een bodemenergiesysteem in een natuurvriendelijke oever en in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een bodemenergiesysteem valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.414 Specifieke zorgplicht
Sub a. Hiermee wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig worden afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming zou kunnen worden belemmerd, worden verwijderd indien deze een gevolg zijn van de werkzaamheden.
Artikel 4.415 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.416 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.417 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een bodemenergiesysteem. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.414.
De activiteit die het verlies aan een natuurvriendelijke oever veroorzaakt dient wel te voldoen aan de regels die van toepassing zijn op die activiteit. Als er bijvoorbeeld een kleine steiger wordt aangelegd van maximaal 2 m² dan moet het aanleggen van deze steiger wel voldoen aan de regels over de aanleg van steigers en vlonders.
Een natuurvriendelijke oever is aangelegd met het doel de waterkwaliteit te verbeteren. Als ter compensatie een kleinere natuurvriendelijke oever wordt aangelegd, dan zou dit de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Dat is niet wenselijk en daarom moet een oever van gelijke omvang worden aangelegd.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.418 Meldplicht
Het verrichten van handelingen in of boven een natuurvriendelijke oever dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging van het profiel van de watergang betekent, die moet worden geregistreerd in de profielenlegger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.nl) of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl).
Artikel 4.420 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.421 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het houden van een evenement in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen.
Artikel 4.422 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit evenement houden in ieder geval inhoudt.
Onder i: Door beschadiging van het talud en de aanwezige oevervegetatie kan de oever afkalven. Het afkalven van de oever en het verlies van vegetatie heeft zowel direct als indirect een negatief effect op de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Het gaat om onder andere het vrijkomen van voedingsstoffen door de afbraak van vegetatie of het verlies van de bufferwerking van de oevervegetatie tegen het af- en uitspoelen van mest- en verontreinigende stoffen van de landbodem. Daarnaast kan oeverafkalving in het veenweidegebied veenafbraak en bodemdaling versterken en daarmee de waterkwaliteit indirect verslechteren.
Onder k: Bij een evenement kan afval vrijkomen. Het kan gaan om bijvoorbeeld verpakkingsmateriaal van voedsel of materiaal van feestartikelen. Bij het ontbreken van voldoende inzamelingsmogelijkheden is het risico groot dat afval uiteindelijk in de omgeving beland als zwerfafval.
Door het realiseren van voldoende inzamelingsmogelijkheden te plaatsen en deze tijdig te legen wordt het risico dat afval in de omgeving terecht komt beperkt.
Artikel 4.423 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.424 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er een algemene regel geldt bij een watergang. Voor het houden van een evenement in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.425 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het houden van een evenement in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.426 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een natuurvriendelijke oever. Voor het houden van een evenement in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.427 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het houden van een evenement. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.422.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.428 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een evenement te houden in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal vier weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.429 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het houden van een evenement vergunningplichtig is. Het houden van een evenement valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het houden van het evenement kan worden toegestaan.
Artikel 4.430 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit, het houden van een evenement in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het houden van een evenement valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het houden van een evenement kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.431 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van een peilafwijking in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing, indien het gaat om het tijdelijk afdammen van een watergang waarbij het peil wordt verlaagd voor het uitvoeren van werken.
Het tijdelijk afdammen van een watergang en daarin tijdelijk het peil verlagen ten behoeve van de uitvoering van werken (bijvoorbeeld de aanleg van een dam met duiker) valt niet onder deze afdeling.
Artikel 4.432 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het realiseren van een peilafwijking in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.433 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.434 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het realiseren van een peilafwijking bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.435 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het realiseren van een peilafwijking in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.436 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het realiseren van een peilafwijking. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.432.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.437 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een peilafwijking te realiseren in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de peilafwijking kan worden gerealiseerd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.438 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het realiseren van een peilafwijking in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de peilafwijking wordt gerealiseerd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het realiseren van een peilafwijking valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het realiseren kan worden toegestaan.
Artikel 4.439 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het realiseren van een peilafwijking vergunningplichtig is. Het realiseren van een peilafwijking valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het realiseren kan worden toegestaan.
Artikel 4.440 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het realiseren van een peilafwijking in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het realiseren van een peilafwijking valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het realiseren van een peilafwijking kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.441 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een gemaal in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van het gemaal en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het gemaal.
Artikel 4.442 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een gemaal in ieder geval inhoudt.
Onder k: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder l: Een gemaal kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Onder m: Bij het onttrekken van oppervlaktewater bestaat het risico dat in het waterlevende organismen worden ingezogen uit het water. In de meeste gevallen zullen de organismen dit niet overleven. Zelfs niet wanneer het onttrokken oppervlaktewater weer wordt geloosd op hetzelfde oppervlaktewater. De inname van organismen kan uiteindelijk een negatief effect hebben op de ecologische waterkwaliteit. Maatregelen om dit risico te verkleinen zijn bijvoorbeeld het beperken van de innamesnelheid en het toepassen van een filter met een kleine maaswijdte bij het innamepunt.
Artikel 4.443 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.444 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.445 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een gemaal. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.442.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.446 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een gemaal aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het gemaal kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.447 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een gemaal in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als het gemaal wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.448 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een gemaal vergunningplichtig is. Het aanleggen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.449 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.450 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een gemaal in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van het gemaal en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het gemaal.
Artikel 4.451 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een gemaal in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.452 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.453 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het verwijderen van een gemaal in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.454 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een gemaal in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of een meldplicht.
Artikel 4.455 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.456 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij gemaal verwijderen. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.451.
Tweede lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Zesde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Zevende lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Negende lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.457 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.458 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een gemaal te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het gemaal kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.459 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een gemaal in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als het gemaal wordt verwijderd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het verwijderen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.460 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een gemaal vergunningplichtig is. Het verwijderen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.461 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.462 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een gemaal in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van het gemaal.
Artikel 4.463 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het vervangen van een gemaal in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Een gemaal kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Onder l: Bij het onttrekken van oppervlaktewater bestaat het risico dat in het waterlevende organismen worden ingezogen uit het water. In de meeste gevallen zullen de organismen dit niet overleven. Zelfs niet wanneer het onttrokken oppervlaktewater weer wordt geloosd op hetzelfde oppervlaktewater. De inname van organismen kan uiteindelijk een negatief effect hebben op de ecologische waterkwaliteit. Maatregelen om dit risico te verkleinen zijn bijvoorbeeld het beperken van de innamesnelheid en het toepassen van een filter met een kleine maaswijdte bij het innamepunt.
Artikel 4.464 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.465 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een gemaal in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.466 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een gemaal in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.467 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.468 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een gemaal. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.463.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder d:
Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende pompcapaciteit.
Tweede lid, onder f:
Zo nodig worden, in overleg met het waterschap, maatregelen getroffen om het waterpeil te waarborgen.
Derde lid:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.469 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een gemaal te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het gemaal kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.470 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een gemaal in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een gemaal valt onder de vergunningplicht omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.471 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een gemaal vergunningplichtig is. Het vervangen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.472 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een gemaal in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een gemaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.473 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een stuw in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de stuw en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de stuw.
Artikel 4.474 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een stuw in ieder geval inhoudt.
Onder l: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder m: Een stuw kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.475 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.476 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een stuw in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.477 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een stuw in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.478 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een stuw. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.474.
Eerste lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.479 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een stuw aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de stuw kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.480 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een stuw in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de stuw wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.481 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een stuw vergunningplichtig is. Het aanleggen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.482 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een stuw in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.483 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een stuw in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op verplaatsen van de stuw en uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de stuw.
Artikel 4.484 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit verwijderen van een stuw in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.485 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.486 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een stuw in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of meldplicht.
Artikel 4.487 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor verwijderen van een stuw uit een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.488 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een stuw. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.484.
Tweede lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.489 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.490 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een stuw te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.111 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of stuw kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.491 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een stuw in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de stuw wordt verwijderd uit een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het verwijderen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.492 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een stuw vergunningplichtig is. Het verwijderen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.493 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een stuw uit een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.494 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een stuw in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de stuw.
Artikel 4.495 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het vervangen van een stuw in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Een stuw kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.496 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.497 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een stuw in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.498 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een stuw in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.499 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een stuw in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.500 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een stuw. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.495.
Eerste lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Eerste lid, onder d:
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende pompcapaciteit.
Tweede lid:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.501 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een stuw te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de stuw kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.502 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een stuw in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.503 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een stuw vergunningplichtig is. Het vervangen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.504 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een stuw in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.505 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een sluis in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de sluis en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de sluis.
Artikel 4.506 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een sluis in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder j: Een sluis kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.507 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.508 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een sluis in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.509 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een sluis. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.506.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.510 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een sluis aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de sluis kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.511 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een sluis in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de sluis wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.512 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een sluis vergunningplichtig is. Het aanleggen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.513 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een sluis in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.514 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een sluis in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels van deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op verplaatsen van de sluis en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de sluis.
Artikel 4.515 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit verwijderen van een sluis in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.516 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.517 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er een algemene regel geldt. Voor het verwijderen van een sluis in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.518 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een sluis. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.515.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.519 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een sluis te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de sluis kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.520 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een sluis in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de sluis wordt verwijderd uit een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het verwijderen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.521 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een sluis vergunningplichtig is. Het verwijderen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.522 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de vaarwegen, verwijderen van een sluis uit een natuurvriendelijke oever of uit een vaarweg vergunningplichtig is. Het verwijderen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.523 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een sluis in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels van deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de sluis.
Artikel 4.524 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit vervangen van een sluis in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Een sluis kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.525 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.526 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een sluis in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.527 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een sluis in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.528 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een sluis in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.529 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een sluis. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.524.
Eerste lid, onder d:
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende pompcapaciteit.
Tweede lid:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.530 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een sluis te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de sluis kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.531 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een sluis in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.532 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een sluis vergunningplichtig is. Het vervangen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.533 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, vervangen van een sluis uit een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het vervangen van een sluis valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.534 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een peilscheiding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de peilscheiding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de peilscheiding.
Artikel 4.535 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een peilscheiding in ieder geval inhoudt.
Onder k: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder l: Een peilscheiding kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.536 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.537 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het aanleggen van een peilscheiding in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Artikel 4.538 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een peilscheiding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.539 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.540 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een peilscheiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.535.
Eerste lid, onder d:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.541 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.542 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een peilscheiding aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de peilscheiding kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.543 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een peilscheiding in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de peilscheiding wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.544 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een peilscheiding vergunningplichtig is. Het aanleggen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.545 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.546 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een peilscheiding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op verplaatsen van de peilscheiding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de peilscheiding.
Artikel 4.547 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor in het verwijderen van een peilscheiding in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.548 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.549 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een peilscheiding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht of een meldplicht.
Artikel 4.550 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.551 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een peilscheiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.547.
Eerste lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.552 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.553 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een peilscheiding te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de peilscheiding kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.554 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een peilscheiding in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de peilscheiding wordt verwijderd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het verwijderen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.555 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een peilscheiding vergunningplichtig is. Het verwijderen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.556 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.557 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een peilscheiding in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de peilscheiding.
Artikel 4.558 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het vervangen van een peilscheiding in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Onder i: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Een peilscheiding kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.559 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.560 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een peilscheiding in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.561 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.562 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een peilscheiding. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.558.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder c:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder d:
Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een duiker van voldoende afmetingen of met behulp van een pomp met voldoende pompcapaciteit.
Derde lid:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.563 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een peilscheiding te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal vier weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de peilscheiding kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.564 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een peilscheiding in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.565 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een peilscheiding vergunningplichtig is. Het vervangen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.566 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.567 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een afsluitbare duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de afsluitbare duiker, het verlengen van de afsluitbare duiker en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.568 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het aanleggen van een afsluitbare duiker in ieder geval inhoudt.
Onder l: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder m: Een afsluitbare duiker kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.569 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.570 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een afsluitbare duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.571 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.572 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een afsluitbare duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.568.
Eerste lid, onder d:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.573 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een afsluitbare duiker aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de afsluitbare duiker kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.574 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een afsluitbare duiker in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de duiker wordt aangelegd in een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het aanleggen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.575 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een afsluitbare duiker vergunningplichtig is. Het aanleggen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.576 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.577 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een afsluitbare duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de afsluitbare duiker, het inkorten van de afsluitbare duiker en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.578 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het verwijderen van een afsluitbare duiker in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.579 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.582 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.583 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een afsluitbare duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.578.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.584 Informatieplicht
Het verrichten van handelingen in of boven een natuurvriendelijke oever dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging van het profiel van de watergang betekent, die moet worden geregistreerd in de profielenlegger. De melding kan worden ingediend bij het waterschap zelf (www.hdsr.nl) of via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl).
Artikel 4.585 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een afsluitbare duiker te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de afsluitbare duiker kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.586 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een afsluitbare duiker in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de duiker wordt verwijderd uit een primaire, secundaire of tertiaire watergang. Het verwijderen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.587 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een afsluitbare duiker vergunningplichtig is. Het verwijderen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.588 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een afsluitbare duiker uit een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.589 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het vervangen van een afsluitbare duiker in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het vervangen van de afsluitbare duiker.
Artikel 4.590 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor het vervangen van een afsluitbare duiker in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Onder k: Een afsluitbare duiker kan een belemmering zijn voor de migratie van vissen of andere in het water levende organismen. Bij het toepassen van een krooshek of drijfbalk moet deze vispasseerbaar zijn. Voor krooshekken is een spijlafstand van minimaal 8 cm voldoende.
Artikel 4.591 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.592 Aanwijzing algemene regels watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het vervangen van een afsluitbare duiker in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.593 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het vervangen van een afsluitbare duiker in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.594 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het vervangen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.595 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het vervangen van een afsluitbare duiker. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.590.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Derde lid
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Vierde lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Artikel 4.596 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een afsluitbare duiker te vervangen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de afsluitbare duiker kan worden vervangen en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.597 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het vervangen van een afsluitbare duiker in een watergang vergunningplichtig is. Het vervangen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.598 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het vervangen van een afsluitbare duiker vergunningplichtig is. Het vervangen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Artikel 4.599 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een afsluitbare duiker in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een afsluitbare duiker valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.600 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een vispassage in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de vispassage, het vervangen van de vispassage en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van de vispassage.
Artikel 4.601 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit aanleggen van een vispassage in een beperkingen gebied in ieder geval inhoudt.
Onder k: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.602 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.603 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het aanleggen van een vispassage in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.604 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het aanleggen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.605 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het aanleggen van een vispassage. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.601.
Eerste lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.606 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een vispassage aan te leggen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de vispassage kan worden aangelegd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.607 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanleggen van een vispassage in een watergang vergunningplichtig is. Het aanleggen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.608 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het aanleggen van een vispassage vergunningplichtig is. Het aanleggen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.609 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.610 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een vispassage in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het verplaatsen van de vispassage, het vervangen van de vispassage en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van de vispassage.
Artikel 4.611 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit verwijderen van een vispassage in een beperkingen gebied in ieder geval inhoudt.
Onder j: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
Artikel 4.612 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.613 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een vispassage in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht.
Artikel 4.614 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het verwijderen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.615 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een vispassage. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.611.
Eerste lid, onder c:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Tweede lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.616 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een vispassage te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of de vispassage kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.617 Vergunningplicht watergang
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het verwijderen van een vispassage in een watergang vergunningplichtig is. Het verwijderen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.618 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een vispassage vergunningplichtig is. Het verwijderen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Artikel 4.619 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een vispassage in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een vispassage valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Artikel 4.620 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van seismisch onderzoek in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. Deze afdeling is ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het uitvoeren van het seismisch onderzoek.
Artikel 4.621 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het uitvoeren van seismisch onderzoek in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.622 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.623 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het uitvoeren van seismisch onderzoek in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.624 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het uitvoeren van seismisch onderzoek. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.621.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.625 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding seismisch onderzoek uit te voeren in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of seismisch onderzoek uitgevoerd kan worden en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.626 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het uitvoeren van seismisch onderzoek vergunningplichtig is. Het uitvoeren van seismisch onderzoek valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Artikel 4.627 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de vaarwegen, het uitvoeren van seismisch onderzoek in een natuurvriendelijke oever en in een vaarweg vergunningplichtig is. Het uitvoeren van seismisch onderzoek valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het onderzoek kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.628 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de waterkeringen. Deze afdeling is ook van toepassing op het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal.
Artikel 4.629 Specifieke zorgplicht
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.19 voor de activiteit het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in ieder geval inhoudt.
Artikel 4.630 Voorrangsbepaling
VERVALLEN
Artikel 4.631 Aanwijzing algemene regels waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal bij een waterkering. Voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden.
Artikel 4.632 Aanwijzing algemene regels natuurvriendelijke oever
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er een algemene regel geldt voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in een natuurvriendelijke oever. Voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
Artikel 4.633 Algemene regel
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.629.
Onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Artikel 4.634 Informatieplicht
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap voor de start van de activiteit de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap.
Artikel 4.635 Meldplicht
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding explosiegevaarlijk materiaal op te slaan in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
Artikel 4.636 Vergunningplicht waterkering
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal vergunningplichtig is. Het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het opslaan kan worden toegestaan.
Artikel 4.637 Vergunningplicht natuurvriendelijke oever en vaarweg
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de vaarwegen, het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in een natuurvriendelijke oever en in een vaarweg vergunningplichtig is. Het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het opslaan kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Artikel 4.638 Algeheel verbod
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal in het beperkingengebied geheel verboden is.
Gastanks ten behoeve van de verwarming van woningen of gebruik in de land- en tuinbouw in de zone waterstaatswerk van de waterkering zijn niet toegestaan vanwege het gevaar van ernstige schade aan de waterkering in geval van explosie. Daarom geldt hiervoor een algeheel verbod.
Dit verbod geldt dus in tegenstelling tot bij de andere typen waterkeringen ook bij bovengrondse tanks. De reden hiervan is dat regionale keringen en overige waterkeringen vaak niet zo robuust zijn als bijvoorbeeld de primaire waterkering. Bovendien bestaat de ondergrond van deze waterkeringen vaak uit veen en zijn ze daardoor gevoeliger voor schade door een eventuele ontploffing van een gastank.
Artikel 5.1 Overgangsrecht algemeen
In dit artikel is het algemene overgangsrecht voor deze waterschapsverordening opgenomen, voor zover dit niet geregeld is in de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
Artikel 5.2 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
In dit artikel is het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten opgenomen, voor zover dit niet geregeld is in paragraaf 4.2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 5.3 Inwerkingtreding
De waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan op grond van artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet wordt door dit artikel ingetrokken.