Uitspraak · Omgevingsrecht

Raad van State, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6323Zaaknummer 202303062/2/R3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202303062/2/R3
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In de tussenuitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4546, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Den Haag opgedragen om binnen 18 weken na verzending van deze tussenuitspraak de daar omschreven gebreken in het besluit van 3 mei 2021 te herstellen, dan wel een gewijzigd of een nieuw besluit te nemen. De Afdeling heeft onder 7.2 van de tussenuitspraak overwogen dat het college het bouwplan niet heeft getoetst aan artikel 34.1 van de regels van het bestemmingsplan "Regentesse- /Valkenboskwartier (Integrale herziening)", althans niet op een kenbare manier. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bouwen zal plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden van het gemeentelijk beschermde stadsgezicht Valkenboskwartier (artikel 34.1, onder b, sub 1, van de planregels).

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2023 in zaak nr. 21/4137;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 mei 2021 van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 3 mei 2021 van het college van burgemeester en wethouders, kenmerk B.2.20.3672.001;

V. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 5 maart 2026, kenmerk JHV.2024.00025.001 - 202010950/9062224, ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.137,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 455,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wolvers-Poppelaars

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

780-1139

Volledige tekst

202303062/2/R3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2023 in zaak nr. 21/4137 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

In de tussenuitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4546, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 18 weken na verzending van deze tussenuitspraak de daar omschreven gebreken in het besluit van 3 mei 2021 te herstellen, dan wel een gewijzigd of een nieuw besluit te nemen.

In de beschikking van 27 januari 2026 heeft de Afdeling, op verzoek van het college, de hersteltermijn verlengd tot en met 25 februari 2026.

In de beschikking van 3 maart 2026 heeft de Afdeling, op verzoek van het college, de hersteltermijn opnieuw verlengd tot en met 25 maart 2026.

In het besluit van 5 maart 2026 (het herstelbesluit) heeft het college het besluit van 3 mei 2021 gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.M. van der Zwan, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.T. Konings en A. Vasluianu, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. M.R. van Leeuwen, advocaat in Zoetermeer, gehoord.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft onder 7.2 van de tussenuitspraak overwogen dat het college het bouwplan niet heeft getoetst aan artikel 34.1 van de regels van het bestemmingsplan "Regentesse- /Valkenboskwartier (Integrale herziening)", althans niet op een kenbare manier. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bouwen zal plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden van het gemeentelijk beschermde stadsgezicht Valkenboskwartier (artikel 34.1, onder b, sub 1, van de planregels). Ook is niet uitdrukkelijk beoordeeld of met het bouwplan de kapvorm in stand wordt gehouden, zoals in sub 2 is bepaald voor percelen waar een goothoogte op de verbeelding is aangegeven, zoals in dit geval. Dat zich geen strijd met het bestemmingsplan voordoet op dit punt is gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende onderbouwd.

De Afdeling heeft verder onder 11.6 van de tussenuitspraak overwogen dat de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden geen kenbare informatie over de fundering en de draagkracht daarvan bevatten. Het college heeft in dit geval met de gegevens waarover hij beschikte daarom niet aannemelijk kunnen achten dat het bouwplan, wat betreft de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe, aan het Bouwbesluit 2012 voldoet. Op grond van artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht mogen die gegevens en bescheiden niet op een later moment worden aangeleverd. Het college heeft daarom ten onrechte toegestaan dat [partij] deze gegevens uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de bouw overlegt.

Daarnaast heeft de Afdeling onder 12.1 van de tussenuitspraak overwogen dat een herstel van het gebrek, zoals geconstateerd in overweging 7.2 van de tussenuitspraak, van invloed kan zijn op het oordeel over de beroepsgrond van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een beoordeling van een evidente privaatrechtelijke belemmering niet mogelijk is. De Afdeling heeft de behandeling van deze beroepsgrond daarom doorgeschoven naar de einduitspraak.

2. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil heeft de Afdeling onder 14.1 van de tussenuitspraak overwogen of het college met het door [partij] alsnog overgelegde rapport "Statische berekening, verbouwing woonhuis [locatie] Den Haag" (het rapport) van Broersma Bouwadvies van 23 augustus 2021 het onder 11.6 vastgestelde gebrek al heeft hersteld. De Afdeling overwoog dat het rapport geen kenbare controle van de draagkracht van de fundering middels een draagkrachtberekening bevat, terwijl het college zo’n berekening wel nodig achtte omdat daarover in de omgevingsvergunning een specifiek voorschrift is opgenomen. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling ook met de in het rapport aangeleverde gegevens niet aannemelijk kunnen achten dat het bouwplan, wat betreft de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe, aan het Bouwbesluit 2012 voldoet.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 18 weken na verzending van de tussenuitspraak de onder 7.2 en 11.6 vastgestelde gebreken te herstellen, door:

- te toetsen of het bouwplan in overeenstemming is met artikel 34.1 van de planregels van het bestemmingsplan en dat deugdelijk te onderbouwen;

- te toetsen of het aannemelijk is dat het bouwplan aan het Bouwbesluit 2012 voldoet door inzichtelijk te maken of de fundering wat betreft de draagkracht is berekend op de dakuitbouw;

dan wel een gewijzigd of een nieuw besluit te nemen.

Het herstelbesluit

4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college met het besluit van 5 maart 2026 een gewijzigd besluit ter vervanging van het besluit op bezwaar van 3 mei 2021 genomen. Het college heeft het besluit van 6 oktober 2020 herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag van [partij] genomen. In het herstelbesluit staat dat een vergunning is aangevraagd voor de activiteit "het bouwen van een bouwwerk" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Het college heeft geconstateerd dat de aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan. De aanvraag is volgens het college in strijd met artikel 23.2.1, aanhef en onder b van de planregels, omdat de toegestane goothoogte met de realisering van het bouwplan wordt overschreden. De aanvraag is ook in strijd met artikel 34.1, onder b, sub 2, van de planregels. Daar waar op de verbeelding een goothoogte is aangegeven, dient namelijk de kapvorm in stand te worden gehouden. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is de aanvraag door het college daarom mede aangemerkt als aanvraag voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 5 maart 2026 verleend en daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

5. Het herstelbesluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit betekent dat van rechtswege beroep van [appellant] tegen dit besluit is ontstaan.

6. De Afdeling zal aan de hand van de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze dat beroep beoordelen.

Toetsingskader

7. Voor de beoordeling van de omgevingsvergunning hanteert de Afdeling het volgende toetsingskader.

7.1. Voor zover het college een omgevingsvergunning heeft verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor het afwijken van artikel 23.2.1, aanhef en onder b, en artikel 34.1, onder b, sub 2, van de planregels, geldt, gelet op artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo dat het college beleidsruimte heeft en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

7.2. Voor zover de omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen, geldt dat het college, gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo uitsluitend moet beoordelen of zich een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als zich wel zo’n weigeringsgrond voordoet, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. De Afdeling toetst aan de hand van de beroepsgronden of het college die beoordeling juist heeft uitgevoerd.

Het beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit

Afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo)

Beschermd stadsgezicht

8. [appellant] betoogt dat het college heeft miskend dat de dakuitbouw een verstorende invloed heeft op het ensemble van Haagse Kappen aan de Buijs Ballotstraat 71 tot en met 77. De gezamenlijke dakverdiepingen van de vier huizen zijn namelijk duidelijk gescheiden van de panden naast dit ensemble. De vier huizen zijn aan de voor- en achterzijde spiegelbeeldig gebouwd en voorzien van een Haagse Kap. Ook lopen de zijkanten van het ensemble schuin af naar de goten aan de zijkant. Volgens [appellant] doet de dakuitbouw afbreuk aan dit ensemble. De invloed van de dakuitbouw is dan ook niet gering, zoals het college heeft aangenomen, maar leidt tot een aantasting van het beschermde stadsgezicht.

Hij betoogt in dit kader verder dat een principiële motivering om van de planregels af te wijken ontbreekt. Een dergelijke motivering is volgens hem van belang, omdat ook soortgelijke aanvragen hiermee zouden moeten worden goedgekeurd. Dit kan leiden tot een verdere aantasting van het beschermde stadsgezicht. De afwijking van de planregels is volgens [appellant] ook in strijd met de bedoeling van de planregels. Deze strekken er immers toe om het beschermde stadsgezicht volledig te beschermen. Uit de planregels blijkt niet dat de achterzijde van het pand niet wordt beschermd, omdat deze vanaf openbaar gebied niet zichtbaar is. Bovendien vervagen de scheidslijnen tussen openbaar en niet openbaar gebied door bijvoorbeeld Google Earth en doordat het college de daken in Den Haag met behulp van drones zelf inspecteert.

8.1. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar het onder overweging 7.1 van deze uitspraak opgenomen toetsingskader.

8.2. Artikel 34.1 van de planregels luidt:

"[..]

b. Voor het bouwen binnen de aanduiding ‘Overige zone - Gemeentelijk beschermd Stadsgezicht' als bedoeld in artikel 34.1 gelden de volgende regels:

1. het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel Overige zone - Gemeentelijk beschermd Stadsgezicht;

2. daar waar op de verbeelding een goothoogte is aangegeven, dient de kapvorm in stand te worden gehouden;

3. indien het bouwen betrekking heeft op de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwwerk dient voorafgaande aan het bouwen over de cultuurhistorische waarden als bedoeld in voornoemd aanwijzingsbesluit en de toelichting daarop, advies te worden ingewonnen bij de commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9 van de Monumentenverordening Den Haag of een deskundig lid van die commissie;

[…]"

8.3. Niet meer in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 34.1, onder b, sub 2, van de planregels, omdat op de verbeelding een goothoogte is aangegeven en de kapvorm niet in stand wordt gehouden. Het college heeft aan de motivering van de afwijking van deze planregel een advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag (de commissie) van 15 oktober 2025 ten grondslag gelegd. De commissie is van mening dat het beschermd stadsgezicht niet wordt aangetast. Doordat de bestaande kap wordt doorgetrokken blijft de kapvorm aan de voorzijde ongewijzigd, zodat er vanaf het straatbeeld geen invloed zal zijn op het beschermd stadsgezicht. De dakuitbouw heeft een geringe invloed op het ensemble aan de achterzijde omdat de bestaande achtergevellijn blijft bestaan. De bestaande structuur blijft voldoende herkenbaar, aldus de commissie. Het college acht de aanvraag daarom passend in het gemeentelijk beschermd stadsgezicht ‘Valkenboskwartier’.

8.4. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant] over het advies heeft aangevoerd.

8.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan geen onevenredige aantasting vormt van het beschermd stadsgezicht. Daarbij heeft het college zich mogen baseren op het advies van de commissie. [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. De Afdeling overweegt dat in de planregels inderdaad niet staat dat de achterzijden van woningen niet worden beschermd, omdat deze vanaf openbaar gebied niet zichtbaar zijn. Het college heeft het feit dat de dakuitbouw niet vanaf de openbare ruimte te zien is, echter juist als een reden gezien om van de planregels af te kunnen wijken. De Afdeling ziet in de stelling van [appellant] dat de scheidslijnen tussen openbaar en niet openbaar gebied vervagen geen grond voor het oordeel dat het college dat niet aan de motivering van het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De enkele wens van [appellant] om een principiële motivering van het college om van de planregel af te wijken is daarvoor onvoldoende.

Het betoog slaagt niet.

Evidente privaatrechtelijke belemmering

9. Zoals hiervoor onder overweging 1 is vastgesteld, heeft de Afdeling er in de tussenuitspraak voor gekozen om de beroepsgrond van [appellant] over een evidente privaatrechtelijke belemmering in de einduitspraak te behandelen.

Het college heeft met het besluit van 5 maart 2026 mede een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. [appellant] heeft er in zijn zienswijze terecht op gewezen dat daarmee geen sprake meer is van een gebonden beschikking. Dit betekent dat in het kader van de vergunningverlening aan de orde kan komen of er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de beroepsgrond van [appellant] daarover inhoudelijk te behandelen.

10. [appellant] betoogt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. Deze bestaat volgens [appellant] uit de inbreuk die wordt gemaakt op zijn eigendomsdeel van gemeenschappelijke objecten op en onder de dakvloer. Hij wijst hierbij op de fundering, de draagmuur, een tweedelige schoorsteen, twee hemelwaterafvoeren en de op de erfgrens doorlopende Haagse Kap waaronder de dakpannen en twee in de kap dicht bij elkaar geplaatste ramen.

10.1. Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.

10.2. Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van een evidente privaatrechtelijk belemmering die aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat. De stelling van [appellant] dat inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsdeel van gemeenschappelijke objecten op en onder de dakvloer is in dit kader onvoldoende. [appellant] heeft op de zitting weliswaar nog gesteld dat bij de schoorsteen over de erfgrens is gebouwd en dat de gezamenlijke hemelwaterafvoer is weggehaald, maar daarmee kan door de Afdeling niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat voor de realisering van de dakuitbouw de toestemming van [appellant] is vereist, dat hij die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.

Het betoog slaagt niet.

Activiteit bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo)

Fundering

11. [appellant] betoogt dat een draagkrachtberekening voor de gezamenlijke fundering nog steeds ontbreekt en dat ook niet meer is voorgeschreven dat die moet worden aangeleverd. Volgens [appellant] wordt er in het herstelbesluit door het college alleen op gewezen dat de fundering wordt ontlast door de verwijdering van het spantbeen. Hiermee wordt niet ingegaan op de zwaardere belasting van de fundering door de dakuitbouw. [appellant] benadrukt dat een draagkrachtberekening van belang is omdat de bodem waarop de panden staan kan zijn veranderd.

11.1. De Afdeling verwijst als eerste kortheidshalve naar het onder overweging 7.2 van deze uitspraak opgenomen toetsingskader.

11.2. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet de vergunning worden geweigerd als de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens volgens het college niet aannemelijk maken dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld in het Bouwbesluit 2012. Het college komt daarbij beoordelingsruimte toe.

11.3. In het besluit van 5 maart 2026 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft toegelicht dat de bouwkundige tekeningen die bij de aanvraag zijn ingediend, in het bijzonder de archieftekeningen van het pand, voldoende waren om het constructieprincipe te achterhalen en te concluderen dat het bouwplan aan het Bouwbesluit 2012 voldoet. Volgens het college blijkt uit de archieftekeningen dat de derde bouwlaag al in 1911 bij de bouw van het pand gedeeltelijk aanwezig was. De archieftekeningen bevestigen volgens het college dat de draagmuren volledig gedragen worden door doorgaande funderingen (van voorgevel naar achtergevel). Deze kunnen een uitbreiding van de al bestaande derde bouwlaag dus dragen, aldus het college.

11.4. Gelet op de door het college gegeven toelichting in het herstelbesluit en op de zitting, ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld in het Bouwbesluit 2012. Hiervoor is van belang dat de bestaande fundering voor drie lagen is gebouwd. Het college hoefde daarom niet een voorschrift op te leggen dat inhoudt dat ter controle van de draagkracht van de fundering een draagkrachtberekening moet worden ingediend voorafgaand aan de uitvoering van het bouwplan. De enkele stelling van [appellant], dat de bodem waarop de panden staan kan zijn veranderd, is onvoldoende reden om te oordelen dat het college dat wel had moeten doen. Het college heeft in dit kader ook op de zitting toegelicht dat een dergelijk voorschrift per abuis wel aan de omgevingsvergunning van 6 oktober 2020 was verbonden. Zo’n draagkrachtberekening was niet nodig en is in het besluit van 5 maart 2026 dus ook niet meer gevraagd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

12. Gelet op wat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen, heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van het college van 3 mei 2021 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het hoger beroep van [appellant] is daarom gegrond en de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 mei 2021 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

13. Uit wat in deze uitspraak is overwogen, volgt dat het beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit van 5 maart 2026 ongegrond is.

14. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2023 in zaak nr. 21/4137;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 mei 2021 van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 3 mei 2021 van het college van burgemeester en wethouders, kenmerk B.2.20.3672.001;

V. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 5 maart 2026, kenmerk JHV.2024.00025.001 - 202010950/9062224, ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.137,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 455,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wolvers-Poppelaars

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

780-1139

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.