Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 12 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6240Zaaknummer 202504895/1/A3

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
202504895/1/A3
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 juli 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de korpschef van politie van 25 november 2024 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit had de korpschef het bezwaar van [appellant] tegen de intrekking van de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) aan [bedrijf] om hem beveiligingswerkzaamheden te laten uitvoeren, ongegrond verklaard en de grondslag van de intrekking gewijzigd. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is. [appellant] is ook in hoger beroep veroordeeld tot een taakstraf wegens diefstal. Die diefstal heeft [appellant] tijdens de uitoefening van zijn functie als beveiliger gepleegd.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Motivering:

1. Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft de korpschef de toestemming aan [bedrijf] ingetrokken om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, omdat zijn betrouwbaarheid en integriteit niet boven iedere twijfel was verheven. De intrekking acht de korpschef een passende en noodzakelijke maatregel.

2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is. [appellant] is ook in hoger beroep veroordeeld tot een taakstraf wegens diefstal. Die diefstal heeft [appellant] tijdens de uitoefening van zijn functie als beveiliger gepleegd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de korpschef een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidszorg en de goede naam van de bedrijfstak, dan aan het persoonlijke belang van [appellant], namelijk dat hij sinds 1998 als beveiliger werkzaam is geweest, hij geen andere diploma’s heeft en zijn gestelde precaire financiële situatie. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval niet kon worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel. De korpschef heeft daarbij mogen meewegen dat [appellant] de diefstal van de muziekinstrumenten tijdens werktijd heeft gepleegd, dat er een korte tijd zat tussen de veroordeling en het besluit op bezwaar en dat het risico op herhaling moest worden uitgesloten. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de korpschef dan ook een individuele afweging gemaakt.

3. Het hoger beroep is ongegrond.

4. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep

griffier

844-1202

Volledige tekst

202504895/1/A3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 24/7761 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Openbare zitting gehouden op 12 oktober 2026 om 11:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. M. van Wezep

jurist: mr. C.T. Wildschut

Verschenen:

[appellant], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam;

de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. P.M.L. van der Schot-Schröder.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 juli 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de korpschef van 25 november 2024 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit had de korpschef het bezwaar van [appellant] tegen de intrekking van de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) aan [bedrijf] om hem beveiligingswerkzaamheden te laten uitvoeren, ongegrond verklaard en de grondslag van de intrekking gewijzigd.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Motivering:

1. Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft de korpschef de toestemming aan [bedrijf] ingetrokken om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, omdat zijn betrouwbaarheid en integriteit niet boven iedere twijfel was verheven. De intrekking acht de korpschef een passende en noodzakelijke maatregel.

2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is. [appellant] is ook in hoger beroep veroordeeld tot een taakstraf wegens diefstal. Die diefstal heeft [appellant] tijdens de uitoefening van zijn functie als beveiliger gepleegd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de korpschef een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidszorg en de goede naam van de bedrijfstak, dan aan het persoonlijke belang van [appellant], namelijk dat hij sinds 1998 als beveiliger werkzaam is geweest, hij geen andere diploma’s heeft en zijn gestelde precaire financiële situatie. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval niet kon worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel. De korpschef heeft daarbij mogen meewegen dat [appellant] de diefstal van de muziekinstrumenten tijdens werktijd heeft gepleegd, dat er een korte tijd zat tussen de veroordeling en het besluit op bezwaar en dat het risico op herhaling moest worden uitgesloten. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de korpschef dan ook een individuele afweging gemaakt.

3. Het hoger beroep is ongegrond.

4. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep

griffier

844-1202

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.