Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6231Zaaknummer BRS.26.005286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.005286
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.

w.g. Sevenster

voorzieningenrechter

w.g. Van Vulpen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

1073

Volledige tekst

BRS.26.005286

ECLI:NL:RVS:2026:6231

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 oktober 2026 in zaak nr. NL26.56333 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2026 heeft de minister verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 6 oktober 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De eerste grief van verzoeker roept een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van het EVRM en artikel 6 van het EU Handvest komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel daarom op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.

2. De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.

w.g. Sevenster

voorzieningenrechter

w.g. Van Vulpen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

1073

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.