Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6143Zaaknummer BRS.26.001126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.001126
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.7173;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nederhoff

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

918

Volledige tekst

BRS.26.001126

ECLI:NL:RVS:2026:6143

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.7173 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie onrechtmatig is, omdat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel dan grensdetentie volstaat.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, strekt de lichter-middel beoordeling in grensdetentiezaken niet verder dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:789 en 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077. De minister heeft met de vragen die hij in de gehoren heeft gesteld voldoende onderzocht of de grensdetentie voor betrokkene onevenredig bezwarend is. Zo heeft de minister gevraagd naar de medische omstandigheden van betrokkene, of hij familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en hem in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Betrokkene heeft geen omstandigheden aangevoerd die de grensdetentie onevenredig bezwarend maken.

1.2. De grief slaagt.

2. In de uitspraak van 2 september 2026 heeft de Afdeling uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.7173;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nederhoff

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

918

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.