Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6140Zaaknummer BRS.26.003467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.003467
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 10 september 2026, V-[…], ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

977

Volledige tekst

BRS.26.003467

ECLI:NL:RVS:2026:6140

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 juli 2026 in zaak nr. NL26.9530 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 7 juli 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken en bepaald dat de minister aan appellant een dwangsom verbeurt van € 50,00 voor elke dag dat hij die datum overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat in Hengelo, verzet gedaan.

De rechtbank heeft het verzetschrift naar de Afdeling doorgestuurd om als hoger beroep in behandeling te nemen.

Bij besluit van 10 september 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.

Overwegingen

1. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 13 mei 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 10 september 2026 wel gedaan. Wat appellant in hoger beroep aanvoert over de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde dwangsom, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3. Niettemin moet de Afdeling bezien of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat zij, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit aanmerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep richt zich uitsluitend op het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de nareisaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

5. Appellant heeft de Afdeling laten weten dat hij al bij de minister bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 september 2026. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, al een beroep van rechtswege ontstaan tegen dat besluit. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de minister voor de behandeling als bezwaar.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 10 september 2026, V-[…], ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

977

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.