Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6139Zaaknummer BRS.26.003425

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.003425
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft het hoger beroep op 1 oktober 2026 ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister van Asiel en Migratie krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

II. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 24 september 2026, V-[…], ter behandeling als beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

967

Volledige tekst

BRS.26.003425

ECLI:NL:RVS:2026:6139

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).

Procesverloop

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat in Haarlem, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 juli 2026 in zaak nr. NL25.59399.

De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.

Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft het hoger beroep op 1 oktober 2026 ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.

2. Hangende het hoger beroep over het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de minister alsnog op 24 september 2026 een besluit genomen. De Afdeling merkt dit in dit geval aan als tegemoetkomen en ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5. De Afdeling is van oordeel dat aanleiding bestaat om de minister te veroordelen voor zowel de in hoger beroep als in beroep gemaakte proceskosten, omdat appellant het beroep bij de rechtbank heeft ingesteld in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

3. De minister moet de in verband met het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

Het besluit van 24 september 2026

4. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken. De toetsing door de Afdeling beperkt zich dus tot het besluit van 24 september 2026. Verzoeker heeft bij de rechtbank al beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, al een beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 24 september 2026.

5. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 september 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de Afdeling.

6. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

II. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 24 september 2026, V-[…], ter behandeling als beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

967

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.