Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6137Zaaknummer BRS.26.005114
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.005114
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af voor zover de minister van Asiel en Migratie heeft verzocht dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist;
II. schorst de uitspraak van de rechtbank voor zover zij de ingangsdatum heeft bepaald op 22 augustus 2024.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026
941-1173
Volledige tekst
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2026 in zaak nr. NL25.52377 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat eiser de subsidiairebeschermingsstatus heeft vanaf 22 augustus 2024, bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de minister opgedragen om binnen negentig dagen na de dag van verzending van de uitspraak betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met de subsidiairebeschermingsstatus te verstrekken met als ingangsdatum 22 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is dat de minister aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met de subsidiairebeschermingsstatus moet verlenen. De minister klaagt alleen over de ingangsdatum, 22 augustus 2024.
3. Gelet op de belangen die de minister hierover naar voren heeft gebracht, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af voor zover de minister heeft verzocht dat hij geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verstrekken voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe op het punt van de ingangsdatum.
4. Dit betekent dat de minister wel de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren, voor zover hieruit volgt dat hij aan betrokkene binnen negentig dagen na de dag van de verzending van de uitspraak een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verstrekken, maar niet dat deze verblijfsvergunning de ingangsdatum 22 augustus 2024 moet hebben.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af voor zover de minister van Asiel en Migratie heeft verzocht dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist;
II. schorst de uitspraak van de rechtbank voor zover zij de ingangsdatum heeft bepaald op 22 augustus 2024.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026
941-1173
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.