Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6104Zaaknummer BRS.26.005404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.005404
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf als familielid van een burger van de Europese Unie heeft gehad, verzoeker opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten, en een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.

w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter

w.g. Koelman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

1048

Volledige tekst

BRS.26.005404

ECLI:NL:RVS:2026:6104

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 13 februari 2026 in zaken nrs. NL23.40335 en NL23.40782 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf als familielid van een burger van de Europese Unie heeft gehad, verzoeker opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten, en een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Bij besluiten van 30 november 2023 heeft de minister de daartegen door verzoeker gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoeker ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.

2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.

w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter

w.g. Koelman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

1048

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.