Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6047Zaaknummer BRS.26.004706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.004706
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 augustus 2026 in zaak nr. NL26.19855;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Salverda

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026

992

Volledige tekst

BRS.26.004706

ECLI:NL:RVS:2026:6047

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 31 augustus 2026 in zaak nr. NL26.19855 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1. De minister heeft bij besluit van 2 april 2026 de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. De Afdeling is in deze zaak van oordeel dat de minister dat besluit terecht heeft genomen. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Hoger beroep

Het belang van de minister bij de behandeling van het hoger beroep

2. De Afdeling is van oordeel dat de minister een belang heeft bij de behandeling van het hoger beroep. De minister heeft bij brief van 10 juni 2026 te kennen gegeven dat hij betrokkene heeft overgedragen aan Duitsland. Die overdracht heeft plaatsgevonden binnen de overdrachtstermijn van zes maanden vanaf het claimakkoord van 11 maart 2026. Hoewel de rechtbank het besluit van 2 april 2026 heeft vernietigd en de overdrachtstermijn inmiddels is verstreken, kan de minister met het hoger beroep bereiken dat het besluit waarop de overdracht is gebaseerd alsnog rechtmatig is. Daarom heeft de minister nog een belang bij de behandeling van het hoger beroep.

Uitstel voor het geven van een zienswijze

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister uitstel had moeten verlenen aan betrokkene om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om betrokkene over te dragen aan Duitsland. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 april 2026 vernietigd.

3.1. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. De minister heeft op 18 maart 2026 een voornemen uitgebracht. De minister betoogt terecht dat betrokkene al op 13 maart 2026 een brief heeft ontvangen van de Raad voor Rechtsbijstand met het verzoek zo snel als mogelijk contact op te nemen met zijn gemachtigde en dat heeft betrokkene niet gedaan. Vanaf dat moment was de gemachtigde al wel gekoppeld aan betrokkene. Gemachtigde was daarvan, naar eigen zeggen in ieder geval vanaf 16 maart 2026, ook op de hoogte. Er was dus voor gemachtigde genoeg tijd om betrokkene tijdig uit te nodigen voor een gesprek. Gemachtigde heeft betrokkene ook uitgenodigd voor een gesprek en een brief naar betrokkene verstuurd voor een eerste afspraak op 30 maart 2026. Die afspraak was relatief laat, omdat de periode om een zienswijze in te dienen liep tot en met 1 april 2026. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waarom deze afspraak niet eerder kon plaatsvinden. Dat die afspraak zo laat was, komt dus voor rekening en risico van betrokkene.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene niet op die afspraak op 30 maart 2026 kon komen, omdat hij ziek was. De minister stelt echter terecht dat betrokkene zijn stelling, dat hij niet op die afspraak kon verschijnen wegens ziekte, niet met stukken heeft onderbouwd. Betrokkene heeft daarover in beroep alleen een foto overgelegd van een ziekenhuisafspraak op 1 mei 2026 en een foto van een doosje met antibioticatabletten. Die ziekenhuisafspraak dateert van ruim na de termijn om een zienswijze in te dienen. Uit die afspraak en uit de foto van het doosje met antibioticatabletten blijkt verder niets over de gezondheidssituatie van betrokkene tijdens de periode om een zienswijze in te dienen en ten tijde van de afspraak op 30 maart 2026. De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de vertraging een gevolg was van de ziekte van betrokkene. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding hoeven zien om aan betrokkene uitstel te verlenen om een zienswijze in te dienen. De eerste grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Het hogerberoepschrift roept verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep

5. De vraag of de omvang van het beroep in deze zaak wordt beheerst door de Dublinverordening of door de Asiel- en Migratiebeheerverordening kan onbesproken blijven, omdat het voor de uitkomst van de zaak niet uitmaakt. Daarnaast heeft de Afdeling in haar verwijzingsuitspraak van 7 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5867, onder 4 tot en met 4.2, overwogen om voorlopig een ruime uitleg te geven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen.

Bekendmaking van het besluit

6. Betrokkene betoogt dat de minister het besluit op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt door dat besluit alleen te verzenden naar de gemachtigde, terwijl de gemachtigde toen nog niet gemachtigd was door betrokkene. Daarom was het besluit nog niet in werking getreden, aldus betrokkene.

6.1. Los van de vraag of de gemachtigde ten tijde van het nemen van het besluit van 2 april 2026 de gemachtigde was van betrokkene, heeft de gemachtigde namens betrokkene wel op 9 april 2026 beroep ingesteld tegen dat besluit. Op dat moment was de gemachtigde in ieder geval de gemachtigde van betrokkene. Het besluit was dus in ieder geval op 9 april 2026 in werking getreden. De beroepsgrond faalt.

Medische omstandigheden

7. Betrokkene verwijst naar het arrest van het Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127. Hij betoogt dat de minister hem niet mocht overdragen, omdat hij in Nederland onder medische behandeling stond en in dat kader op 1 mei 2026 werd geopereerd voor het verwijderen van een cyste in zijn onderrug. Betrokkene stelt dat hij in Duitsland waarschijnlijk niet in aanmerking zou zijn gekomen voor een medische behandeling. In dat kader verwijst betrokkene naar passages op blz. 191 en 192 van het rapport van Asylum Information Database, ‘Germany country report 2024 update on June 2025‘, (AIDA-rapport 2024).

7.1. Betrokkene heeft met de hiervoor genoemde stukken niet aannemelijk gemaakt dat er door de overdracht aan Duitsland een reëel en bewezen risico bestaat of bestond op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie als bedoeld in het arrest C.K. Betrokkene heeft de specifieke aard en ernst van zijn gezondheidssituatie niet met stukken onderbouwd. Verder heeft de minister in zijn besluit terecht gesteld dat hij ervan uit mag gaan dat er passende medische zorg in Duitsland aanwezig is. Vergelijk ook het arrest C.K., onder punt 70. Betrokkene heeft met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport 2024 niet aannemelijk gemaakt dat de minister daar niet meer van mag uitgaan. Uit de door betrokkene verwezen passages volgt weliswaar dat de toegang tot de standaardgezondheidszorg na 36 maanden kan worden bemoeilijkt door wetgeving, maar daaruit volgt niet dat asielzoekers geen noodzakelijke medische zorg krijgen of in het geheel geen toegang kunnen krijgen tot passende medische zorg. De minister heeft, gelet op het voorgaande, dan ook geen aanleiding hoeven zien om het BMA om advies te vragen. De beroepsgrond faalt.

Discretionaire bevoegdheid

8. Betrokkene betoogt dat hij heeft verklaard dat hij in Duitsland ernstig is bedreigd door Algerijnen en Albanezen die drugs verkopen. Zij wilden dat betrokkene voor hen ging werken, maar betrokkene heeft dat geweigerd. Betrokkene stelt dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

8.1. De minister heeft in zijn besluit deugdelijk gemotiveerd dat hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen. De minister heeft terecht gesteld dat hij ervan uit mag gaan dat betrokkene de bescherming kan inroepen van de Duitse autoriteiten. Betrokkene heeft verklaard dat hij aangifte heeft gedaan en uit Duitsland is vertrokken, omdat hij na een week niets meer heeft vernomen van de Duitse autoriteiten. Betrokkene heeft deze aangifte niet met stukken onderbouwd. Daarbij mag de minister verwachten dat betrokkene zich kan wenden tot de (hogere) bevoegde autoriteiten om zich te beklagen. Niet is gebleken dat dit bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond faalt.

9. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de vraag over het toepasselijk recht, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en Remling, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Voor het overige roept het beroepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Conclusie beroep

10. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 augustus 2026 in zaak nr. NL26.19855;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Salverda

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026

992

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.