Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6044Zaaknummer BRS.26.003260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.003260
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Volledige tekst

BRS.26.003260

ECLI:NL:RVS:2026:6044

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 juni 2026 in zaak nr. NL25.7865 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Appellant, met de Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij Nisa Klussenbedrijf. De minister heeft de aanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant niet in het bezit is van een geldige mvv. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om appellant vrij te stellen van het mvv-vereiste.

2. Appellant is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank en heeft hiertegen drie grieven gericht. In zijn tweede grief verwijst appellant naar vragen die de rechtbank in onder meer deze procedure aan de minister heeft gesteld. Die vragen heeft de minister bij brief van 22 april 2026 beantwoord. Appellant heeft vervolgens zijn reactie gegeven. De rechtbank heeft de antwoorden van de minister en de reactie van appellant bij haar beoordeling betrokken.

2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat mag worden uitgegaan van de mededeling van de Kamer van Koophandel (KvK) aan de minister dat een verblijf in het buitenland in afwachting van een mvv-procedure geen reden is voor uitschrijving van een onderneming uit het Handelsregister. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6043, onder 3.6. Anders dan appellant betoogt, is niet nodig dat de mededeling van de KvK is vastgelegd in een officieel besluit of een beleidsdocument van de KvK. Het is voldoende dat de mededeling in de brief van de minister van 22 april 2026 staat.

2.2. Appellant heeft een eenmanszaak, die is ingeschreven in het Handelsregister van de KvK. Zoals volgt uit de brief van de minister kan hij bij vertrek uit Nederland uitschrijving uit het register voorkomen door tijdig op de brief van de KvK naar aanleiding van zijn inactiviteit te reageren en de KvK te wijzen op de ingediende aanvraag om een mvv te verlenen. Mocht de KvK hem desondanks uitschrijven, dan kan hij tegen die uitschrijving een rechtsmiddel aanwenden. In het kader van zijn aanvraag om hem een mvv te verlenen kan hij zich dan tegenover de minister beroepen op bewijsnood voor de inschrijving van zijn bedrijf in het Handelsregister en dit beroep met stukken zoals zijn reactie aan de KvK onderbouwen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2026, onder 3.9.

2.3. Verder wijst de Afdeling erop dat een Turkse vreemdeling door middel van het ondernemingsplan met een markt- en concurrentieanalyse die is toegespitst op het eigen product of dienst aannemelijk kan maken dat hij voldoet aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang. Wanneer het bedrijf niet in het Handelsregister is ingeschreven, staat dat er dus niet aan in de weg om het wezenlijk Nederlands belang dat is gediend met de voorgenomen activiteiten aannemelijk te maken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2026, onder 3.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan ook als nog geen sprake is van een bestaande onderneming of van staking van de ondernemingsactiviteiten in Nederland als gevolg van het vertrek naar Turkije voor het aanvragen van een mvv, van de vreemdeling worden verwacht dat hij een onderbouwd ondernemingsplan inbrengt.

2.4. De tweede grief faalt in zoverre.

3. Wat de vreemdeling verder in zijn grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Boom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026

1058

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.