Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6025Zaaknummer BRS.25.001820
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.25.001820
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bepaalt dat tegen het door de minister van Buitenlandse Zaken te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van betrokkene slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
1028
Volledige tekst
BRS.25.001820
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.12235 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op 1 februari 1988 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij is getrouwd en heeft samen met zijn echtgenote twee zoons, geboren op 4 januari 2015 en 12 april 2023. De echtgenote van betrokkene heeft uit een eerder huwelijk een dochter, geboren op 24 juli 2008. De echtgenote en drie kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
1.1. Betrokkene verblijft in Pakistan. Hij heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een faciliterend visum in verband met artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. De minister heeft die aanvraag afgewezen, omdat betrokkene niet voldoet aan de vereisten uit paragraaf B10/2.5, onder c en d, van de Vc 2000, zoals dat ten tijde van het besluit van 14 februari 2025 gold. Betrokkene heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht (onder c) en dat er tussen hem en de kinderen een zodanige afhankelijkheid bestaat dat de kinderen gedwongen zouden worden om het grondgebied van de EU te verlaten als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert (onder d). De minister heeft in zijn beoordeling geen onderscheid gemaakt tussen de zoons en de stiefdochter van betrokkene.
De vereisten uit paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000
2. De eerste grief richt de minister tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de vereisten uit paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 ten onrechte cumulatief heeft toegepast en dat hij deze als losstaand had moeten beoordelen. Volgens de minister heeft de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344, onder 3.3, te strikt uitgelegd en toegepast. De minister betoogt dat hij de vereisten, dat betrokkene meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht en dat een afhankelijkheidsverhouding bestaat, in elkaars verlengde heeft beoordeeld.
2.1. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 22 juli 2025, onder 3.3, geoordeeld dat de minister de vereisten genoemd in paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 niet als cumulatief mag uitleggen. De afhankelijkheidsverhouding vormt de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een betrokkene niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.
2.2. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij de vereisten uit paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 cumulatief heeft toegepast en dat hij de nadruk heeft gelegd op de vraag of betrokkene meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht bij de kinderen. De minister heeft in het besluit van 14 februari 2025 beoordeeld of er tussen betrokkene en de kinderen een afhankelijkheidsverhouding is. Bij die beoordeling heeft de minister betrokken in hoeverre betrokkene meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Dit beoordelingskader is in lijn met paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 en de uitspraak van 22 juli 2025, onder 3.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
2.3. De grief slaagt.
2.4. Uit de genoemde uitspraak van 22 juli 2025 volgt dat de in de eerste grief opgeworpen vraag over de verhouding tussen de vereisten in paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
De belangen van de kinderen
3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen en de gevolgen van het besluit voor die kinderen. De minister betoogt dat hij de situatie van het gezin bij zijn beoordeling heeft betrokken, maar dat hieruit niet blijkt dat de aanwezigheid van betrokkene in Nederland nodig is, dan wel dat er een afhankelijkheidsverhouding is.
3.1. Uit het eerdergenoemde arrest Chavez-Vilchez, punten 71 en 72, en het arrest van het Hof van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354, punten 66 en 67, volgt dat de autoriteiten, bij de beoordeling of er tussen een derdelander ouder en een Unieburger kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn om het grondgebied van de EU te verlaten, indien de autoriteiten aan zijn derdelander ouder een afgeleid verblijfsrecht weigeren, rekening moeten houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven neergelegd in artikel 7 van het EU Handvest. Daarbij moet dit artikel worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest erkende belang van het kind. Bij de beoordeling van dat belang moeten de autoriteiten alle omstandigheden in de beschouwing betrekken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van affectieve relatie zowel met de ouder die Unieburger is als met de derdelander ouder, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.
3.2. Betrokkene heeft meerdere rapporten overgelegd over de situatie van het gezin in Nederland, onder meer van Altra Jeugd & Opvoedhulp, Jeugdbescherming, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming. Uit de rapporten volgt dat er een precaire gezinssituatie is. Door de psychische klachten van de echtgenote van betrokkene heeft het gezin veel begeleiding van derden nodig en zijn er bij de betrokken instanties grote zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat de situatie verbetert wanneer de echtgenote van betrokkene structureel haar medicatie inneemt, maar dat er nog steeds zorgen zijn over de effecten van de heftige gebeurtenissen en de depressieve periode van de echtgenote van betrokkene op de ontwikkeling van de kinderen. Bovendien heeft Veilig Thuis na onderzoek bevestigd dat sprake is van kindermishandeling. Uit het eindverslag crisis Ambulante Spoedhulp van Altra Jeugd & Opvoedhulp volgt dat ondersteuning van de echtgenote van betrokkene in de opvoeding van de kinderen nog steeds nodig is, ook wanneer de echtgenote van betrokkene structureel haar medicijnen inneemt. Verder volgt uit het gezinsplan van Jeugdbescherming dat Jeugdbescherming het risico op toekomstige kindonveiligheid als hoog inschat.
3.3. Betrokkene heeft over zijn band met de kinderen verklaard dat zij elkaar elke dag bellen, dat hij samen met zijn echtgenote beslissingen neemt over de kinderen en dat hij de kinderen helpt met school en hun dagelijkse activiteiten. Ter onderbouwing heeft betrokkene foto’s en WhatsApp-gesprekken overgelegd. Uit de hiervoor genoemde rapporten volgt verder dat de kinderen betrokkene erg missen en dat zij elkaar de afgelopen jaren een aantal keren per jaar hebben opgezocht in Nederland of Pakistan. Verder heeft een huisarts van het gezin laten weten dat het wenselijk zou zijn als betrokkene zich bij het gezin mag voegen. Ook de voorzitter van stichting Antar heeft in een brief van 3 juni 2024 laten weten dat de komst van betrokkene erg wenselijk is voor de kinderen, omdat zij een stabiele omgeving nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen.
3.4. De minister betoogt tevergeefs dat hij in zijn beoordeling in het besluit van 14 februari 2025 de belangen van de kinderen voldoende heeft betrokken en dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen hem en de kinderen een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez bestaat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de hiervoor genoemde stukken volgt dat er een precaire gezinssituatie is, dat het gezin veel ondersteuning van derden nodig heeft en dat de kinderen psychologische ondersteuning nodig hebben. Anders dan de minister betoogt, volgt niet uit de stukken dat de zorgen over het welzijn van de kinderen drastisch zijn verminderd en dat onvoldoende is gebleken dat de normale ontwikkeling van de kinderen in het geding is. Uit de stukken blijkt immers dat het risico op toekomstige kindonveiligheid als hoog wordt ingeschat en dat, zelfs wanneer de echtgenote van betrokkene structureel haar medicatie inneemt, er nog steeds zorgen zijn over de effecten van de heftige gebeurtenissen en de depressieve periode van de echtgenote van betrokkene op de ontwikkeling van de kinderen.
Ook heeft de minister in het besluit de omgang tussen betrokkene en de kinderen onvoldoende betrokken. Zo volgt uit de overgelegde stukken dat betrokkene en de kinderen dagelijks contact hebben, hij de kinderen helpt met school en dagelijkse activiteiten, betrokkene en de kinderen elkaar de afgelopen jaren meermaals hebben bezocht en dat betrokkene samen met zijn echtgenote beslissingen neemt over de kinderen. De Afdeling wijst de minister er ook op dat op basis van de huidige informatie in dit geval niet kan worden uitgesloten dat de kinderen het grondgebied van de EU verlaten als betrokkene niet naar Nederland mag komen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de echtgenote van betrokkene op de zitting in beroep heeft laten weten dat zij door de huidige situatie overweegt om één van de kinderen naar betrokkene in Pakistan te sturen.
3.5. De Afdeling stelt concluderend vast dat betrokkene aan de hand van alle overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat er een afhankelijkheidsrelatie is tussen hem en de kinderen. De minister is hier ten onrechte aan voorbijgegaan. Ook heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende betrokken in zijn beoordeling. De minister heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen hem en de kinderen een zodanige afhankelijkheidsverhouding is dat de kinderen gedwongen worden om het grondgebied van de EU te verlaten als betrokkene niet naar Nederland mag komen.
3.6. De grief slaagt niet.
4. De tweede grief roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond, gelet op de eerste grief. De minister komt in hoger beroep niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij een beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM moet maken. De minister moet dus een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene, met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank, voor zover de minister de uitspraak van de rechtbank niet of tevergeefs heeft bestreden. Met het oog op de nieuwe beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM wijst de Afdeling op haar uitspraak van 10 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2370, onder 4.1, waaruit volgt dat de verplichtingen neergelegd in artikel 8 van het EVRM en artikel 20 van het VWEU geen onderlinge hiërarchie hebben en dat de minister niet tot een bepaalde beoordelingsvolgorde is gehouden. Dat neemt niet weg dat de minister aan beide verdragsverplichtingen moet voldoen. De minister moet dus een besluit nemen dat het recht van de echtgenote en de drie kinderen met de Nederlandse nationaliteit om op het grondgebied van de EU te mogen verblijven in acht neemt en blijk geeft van de situatie van moeder en kinderen en de positie en rol van betrokkene in hun leven, zoals dat door de deskundigen wordt beschreven. In zoverre moet de minister artikel 8 van het EVRM harmonieus met artikel 20 van het VWEU toepassen.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de minister te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van betrokkene slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bepaalt dat tegen het door de minister van Buitenlandse Zaken te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van betrokkene slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
1028
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.