Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6019Zaaknummer BRS.25.000736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.25.000736
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

307-1169

Volledige tekst

BRS.25.000736

ECLI:NL:RVS:2026:6019

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 mei 2025 in zaak nr. NL25.7406 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 23 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. In zijn enige grief betoogt de minister dat de rechtbank zijn besluit weliswaar terecht heeft vernietigd, maar daarbij ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene geen bescherming van de Surinaamse autoriteiten kan inroepen. Hij wil bij een nieuw te nemen besluit niet aan dat oordeel gebonden te zijn. Daarbij betoogt de minister nog dat de rechtbank daarmee een eigen oordeel heeft gegeven, terwijl het aan de minister is om daar een standpunt over in te nemen.

1.1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het door betrokkene ondervonden geweld, de ondervonden bedreigingen en haar slechte ervaringen met de politie wegens haar genderidentiteit geloofwaardig heeft geacht. Gelet op de serieusheid van die problemen en de ervaringen met de politie, heeft de minister volgens de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat betrokkene daardoor niet dusdanig is beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de minister niet is ingegaan op de door betrokkene ingebrachte rapporten en evenmin op andere informatie over discriminatie van trans personen in Suriname die hem uit openbare bronnen bekend zou moeten zijn. Anders dan de minister betoogt, staat daarmee niet vast dat betrokkene geen bescherming van de Surinaamse autoriteiten kan inroepen en heeft de rechtbank daarover ook geen eigen oordeel gegeven. De rechtbank heeft slechts geoordeeld dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarbij hij kenbaar de door betrokkene overgelegde informatie en informatie over de positie van trans personen in Suriname uit openbare bronnen moet betrekken. Daarbij dient de minister mee te nemen de uit die informatie naar voren komende houding van de autoriteiten tegenover trans personen en de gevolgen die dat heeft voor de vraag of betrokkene bescherming van de Surinaamse autoriteiten kan inroepen. Maar die vraag ligt nog open bij nieuwe besluitvorming en de uitspraak beperkt de minister in zoverre dus niet bij het nemen van een nieuw besluit. De grief slaagt niet.

2. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door de minister opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat al daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

307-1169

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.