Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6017Zaaknummer BRS.26.004572
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.004572
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
644-1204
Volledige tekst
BRS.26.004572
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 augustus 2026 in zaak nr. NL26.47836 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 28 augustus 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister de eerste handeling ter voorbereiding van de overdracht van appellant aan Bulgarije op 21 augustus 2026 heeft verricht door een vertrekgesprek met hem te voeren. Anders dan appellant stelt, is het voeren van een vertrekgesprek aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505, onder 1.1, en van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3392, onder 5.2. Gelet hierop, en omdat de minister alle handelingen ter voorbereiding van de overdracht binnen een tijdsbestek van zeven dagen heeft verricht en appellant op 28 augustus 2028 is overgedragen, is in dit geval voldoende voortvarend gehandeld.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
644-1204
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.