Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6007Zaaknummer BRS.25.000238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.25.000238
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 februari 2025 in zaak nr. NL25.7497;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

644-1086

Volledige tekst

BRS.25.000238

ECLI:NL:RVS:2026:6007

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 februari 2025 in zaak nr. NL25.7497 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 26 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding toegewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkene heeft daarop gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

2. In haar uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, heeft de Afdeling in navolging van haar uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, overwogen dat de minister structureel niet voldoet aan zijn informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000. Volgens die bepaling moet een vreemdeling schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte worden gesteld van de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die hij daartegen kan aanwenden en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. In de informatiefolder die de minister vanwege zijn informatieplicht bij een inbewaringstelling verstrekte, ontbraken ten tijde van de uitspraak van 24 juli 2024 echter de feitelijke en juridische gronden waarom iemand in bewaring werd gesteld. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de minister een termijn van zes maanden wordt gegund om zijn werkwijze voor het verlopen van die termijn in overeenstemming te brengen met artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000. Mocht de minister zijn werkwijze niet aanpassen, dan zouden daar mogelijk door de Afdeling consequenties aan worden verbonden. De Afdeling noemde dat aan bijvoorbeeld het algemeen belang dat met de inbewaringstelling wordt gediend, minder gewicht zal worden toegekend dan aan het belang van de vreemdeling. Dit wordt de verzwaarde belangenafweging genoemd. De Afdeling acht het namelijk niet aanvaardbaar dat het structureel niet voldoen aan de informatieplicht, steeds kan worden gepasseerd langs de weg van de belangenafweging.

3. Na de uitspraak van 24 juli 2024 heeft de minister nieuwe informatiefolders voor bewarings- en grensdetentiezaken opgesteld. Hierin staan de feitelijke en juridische gronden opgesomd waarom een vreemdeling in bewaring wordt gesteld of waarom hij een vrijheidsontnemende maatregel krijgt. Per zaak wordt bekeken welke specifieke gronden van toepassing zijn, en deze worden dan aangekruist.

Waar gaat deze zaak over?

4. Aan betrokkene is op 14 februari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw 2000. Op dat moment was de informatiefolder die voor grensdetentie op basis van die grondslag wordt gebruikt niet beschikbaar in de taal Wolof, de taal die betrokkene voldoende beheerst. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat in dit concrete geval niet is voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000. Daarover zijn partijen het in hoger beroep eens. Deze uitspraak gaat daarom alleen over de vraag of de rechtbank vervolgens terecht heeft geoordeeld dat de minister nog steeds structureel niet voldoet aan de in laatstgenoemde bepaling neergelegde informatieplicht en of zij daarom terecht de verzwaarde belangenafweging heeft toegepast.

Hoger beroep

5. De minister klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de nodige inspanningen heeft verricht om te voldoen aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000. Volgens de minister doet zich dan ook niet de situatie voor dat hij structureel niet voldoet aan die plicht. De minister wijst erop dat niet van hem verlangd kan worden dat hij in iedere denkbare taal een informatiefolder beschikbaar heeft. Volgens hem volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024 ook niet dat de enkele omstandigheid dat de informatiefolder niet in iedere taal beschikbaar is, terwijl de door de Afdeling aan hem gegunde termijn van zes maanden is verstreken, al maakt dat het belang van de vreemdeling zwaarder moet wegen in de belangenafweging.

5.1. De grief slaagt. Dit oordeel licht de Afdeling hieronder toe.

5.2. De Afdeling heeft inmiddels in meerdere zaken geoordeeld dat verschillende nieuwe informatiefolders die zijn opgesteld na de uitspraak van 24 juli 2024 voldoen aan de eisen die worden gesteld in artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2260 en 3 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3026. Uit deze uitspraken volgt dat de betreffende informatiefolders een overzicht bevatten van de gronden die aan de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd en dat hierin ook wordt uitgelegd welke rechtsmiddelen tegen een maatregel van bewaring kunnen worden ingesteld en dat gratis rechtsbijstand mogelijk is. Gelet hierop en nu de nieuwe informatiefolders voor de relevante bewarings- en grensdetentiezaken in diverse veel voorkomende talen beschikbaar zijn, kan naar het oordeel van de Afdeling niet meer worden gezegd dat de minister structureel niet voldoet aan zijn informatieplicht.

5.3. Nu dus geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister structureel niet voldoet aan zijn informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000, is er ook geen plaats voor de verzwaarde belangenafweging. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in deze zaak een normale belangenafweging had moeten plaatsvinden.

5.4. De Afdeling is van oordeel dat deze belangenafweging in dit geval in het nadeel van betrokkene uitvalt. De inhoud van de nieuwe informatiefolder voor grensdetentie op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw 2000, is namelijk aan betrokkene uitgelegd met behulp van een tolk in de taal Wolof. Ook heeft zijn gemachtigde namens hem binnen enkele dagen beroep ingesteld tegen de maatregel. Ondanks het feit dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht uit artikel 5.3, eerst lid, derde volzin, van het Vb 2000, is aan betrokkene dus wel uitgelegd waarom aan hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en dat hij tegen deze vrijheidsbeneming een effectief rechtsmiddel kan instellen.

Conclusie

6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten en in deze zaak geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31), is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 februari 2025 in zaak nr. NL25.7497;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

644-1086

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.