Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:6006Zaaknummer BRS.25.000646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.25.000646
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2024, aangevuld bij besluit van 23 augustus 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Veen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

986

Volledige tekst

BRS.25.000646

ECLI:NL:RVS:2026:6006

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 mei 2025 in zaak nr. NL24.6814 in het geding tussen:

[de betrokkene],

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2024, aangevuld bij besluit van 23 augustus 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Ebes, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. Grieven één tot en met drie leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Hoewel de minister terecht klaagt dat het landgebonden asielbeleid voor Somalië over het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief niet van toepassing is op de asielaanvraag van betrokkene, leidt de vierde grief ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. De Afdeling wijst hierbij ter vergelijking op haar uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243.

3. De minister moet de door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebreken over de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid en afvalligheid en het risico bij terugkeer in het nieuw te nemen besluit herstellen. Daarbij moet de minister rekening houden met de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu.

4. Het hoger beroep roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Veen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

986

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.