Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RVS:2026:5990Zaaknummer BRS.26.004060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.004060
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2026 in zaak nr. NL26.40457;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

1020

Volledige tekst

BRS.26.004060

ECLI:NL:RVS:2026:5990

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2026 in zaak nr. NL26.40457 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2026 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 29 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. De minister komt in grieven 1 en 2 terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie onrechtmatig is, omdat hij in de vrijheidsontnemende maatregel niet nader heeft gemotiveerd waarom hij de asielgrensprocedure toepast en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel dan grensdetentie volstaat.

1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, geoordeeld dat de minister in een vrijheidsontnemende maatregel niet nader hoeft te motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast en dat de lichter-middel-beoordeling in grensdetentiezaken niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, als bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000.

1.2. In deze zaak heeft de minister op 25 juli 2026 een gehoor gehouden. Op 29 juli 2026 heeft hij de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee heeft hij de asielaanvraag voldoende voortvarend in de asielgrensprocedure behandeld.

1.3. De Afdeling is verder van oordeel dat de minister met de vragen die hij in het gehoor heeft gesteld voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor betrokkene onevenredig bezwarend is. Zo heeft hij geïnformeerd naar de medische omstandigheden van betrokkene, gevraagd of betrokkene familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en betrokkene in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Betrokkene heeft geen omstandigheden aangevoerd die de grensdetentie onevenredig bezwarend maken.

1.4. De grieven slagen.

2. In de genoemde uitspraak van 2 september 2026 heeft de Afdeling uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2026 in zaak nr. NL26.40457;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

1020

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.