Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RVS:2026:4614Zaaknummer BRS.26.003418
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.003418
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026
18
Volledige tekst
BRS.26.003418
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 29 juni 2026 in zaak nr. NL26.33873 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 29 juni 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, aan betrokkene schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan betrokkene.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank de uitspraak heeft uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 29 juni 2026 en niet op 30 juni 2026, zoals partijen hebben aangenomen. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 6 juli 2026. Het hogerberoepschrift is daarna, op 7 juli 2026, ingediend en bij de Raad van State binnengekomen. Dat is een dag te laat. De minister heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026
18
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.