Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 6 juli 2026
ECLI:NL:RVS:2026:3904Zaaknummer BRS.26.003367
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Publicatiedatum
- 8 juli 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.003367
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
1020
Volledige tekst
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juni 2026 in zaak nr. NL26.26804 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister verzoeker in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen.
Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft op 6 juli 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 7 juli 2026 om 07.00 uur achterwege blijft. De hogerberoepstermijn is echter nog niet verstreken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3562. Alleen al daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb).
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
1020
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.