Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 12 mei 2026

ECLI:NL:RVS:2026:2673Zaaknummer BRS.26.001059

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001059
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026

1058

Volledige tekst

BRS.26.001059

ECLI:NL:RVS:2026:2673

Datum uitspraak: 12 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene], mede namens haar minderjarige kind,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 februari 2026 in zaak nr. NL25.41728 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 25 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant betoogt, blijkt uit de uitspraak van de rechtbank niet dat er een aparte geloofwaardigheidsbeoordeling is gemaakt over haar vrees voor besnijdenis. Uit de uitspraak blijkt dat de minister in zijn besluit heeft getoetst aan de zwaarwegendheid van alle verklaringen van appellant over haar asielmotieven en dat de rechtbank de minister volgt in zijn standpunt dat het niet aannemelijk is dat appellant het slachtoffer zal worden van besnijdenis. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat appellant geen landeninformatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat binnen de Venda-cultuur besnijdenis van volwassen vrouwen voorkomt of gebruikelijk is.

1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026

1058

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.