Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 6 mei 2026

ECLI:NL:RVS:2026:2650Zaaknummer BRS.26.002268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002268
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van de verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Volledige tekst

BRS.26.002268

ECLI:NL:RVS:2026:2650

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker]

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (de rechtbank) van 6 mei 2026 in zaak nr. NL26.5380 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Asiel en Migratie

Tegenwoordig:

voorzieningenrechter: mr. N. Verheij

griffier: mr. A.S. Rietveld

====================================

Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van de verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door de verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Gronden:

Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter treft geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Roemenië voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 11 mei 2026 verstrijkt. De overdracht van de vreemdeling aan Roemenië heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan de vreemdeling vanuit Roemenië worden teruggeleid naar Nederland.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Verheij

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Rietveld

griffier

1064

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.