Uitspraak · Bestuursrecht

Raad van State, 10 maart 2026

ECLI:NL:RVS:2026:1468Zaaknummer 202503134/1/A2

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
202503134/1/A2
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR uitgaan van de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Als de bevindingen in het proces-verbaal worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de bevindingen in het proces-verbaal. De enkele betwisting door [appellant] van de waarnemingen van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal, is onvoldoende om aan de bevindingen te twijfelen.

Volledige tekst

202503134/1/A2.

Datum uitspraak: 10 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2025 in zaak nr. 24/7973 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Openbare zitting gehouden op 10 maart 2026 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter

griffier: mr. D.T.J. van de Voort

Verschenen:

Het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark;

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 april 2025 van de rechtbank Den Haag.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

• Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR uitgaan van de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Als de bevindingen in het proces-verbaal worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.

• De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de bevindingen in het proces-verbaal. De enkele betwisting door [appellant] van de waarnemingen van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal, is onvoldoende om aan de bevindingen te twijfelen.

• Uit het proces-verbaal volgt dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot het afnemen van de speekseltest en het instellen van het bloedonderzoek. Onder meer is waargenomen dat [appellant] slingerend over de weg reed, dat hij vergrote pupillen had en zijn ogen bloeddoorlopen waren. De testen hebben vervolgens ook bevestigd dat er (een verhoogde waarde van) tetrahydrocannabinol (THC) aanwezig was.

• Onder deze omstandigheden is het CBR op grond van artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 gehouden om de Educatieve Maatregel Drugs (EMD) in het verkeer op te leggen.

• Het opleggen van de EMD aan [appellant] is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zo is er de mogelijkheid voor het treffen van een betalingsregeling voor het betalen van de uitvoeringskosten, waarvan [appellant] ook gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden.

Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Den Ouden

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

1062

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.