Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 7 januari 2026

ECLI:NL:RVS:2026:12Zaaknummer BRS.25.002405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002405
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 25 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.

w.g. van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Driesten

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026

1048

Volledige tekst

BRS.25.002405

ECLI:NL:RVS:2026:12

Datum uitspraak: 7 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 december 2025 in zaken nrs. NL25.46906 en NL25.46909 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 25 september 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.E. Martinez Linnemann, advocaat in Almere, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.

w.g. van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Driesten

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026

1048

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.