Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 5 september 2025
ECLI:NL:RVS:2025:4376Zaaknummer 202502003/1/A2
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 5 september 2025
- Publicatiedatum
- 17 september 2025
- Zaaknummer
- 202502003/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Mondelinge uitspraak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 februari 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer opgelegd. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft het CBR het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
Het CBR heeft aan [appellant] een EMG opgelegd, omdat de politie aan het CBR mededeling had gedaan op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 over het rijgedrag van [appellant], waardoor het vermoeden bestond dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid die vereist is voor het besturen van een motorvoertuig. In een door de verbalisant opgemaakt mutatierapport staat dat [appellant] op 25 januari 2024 op de Eeuwigelaan en de Zeeweg in Bergen herhaaldelijk met een hogere snelheid heeft gereden dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan.
De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is uitvoerig gemotiveerd op die gronden ingegaan. Het betoog in hoger beroep biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het oordeel van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in dat oordeel en in de onder 10.3, 10.4, 10.6 en 10.7 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het hoger beroep is ongegrond.
Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
452-1160
Volledige tekst
202502003/1/A2.
Datum uitspraak: 5 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2025 in zaak nr. 24/3747 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Openbare zitting gehouden op 5 september 2025 om 11:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer;
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Buiter, advocaat in Alkmaar, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker.
====================================
Bij besluit van 23 februari 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (hierna: EMG) opgelegd. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft het CBR het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 mei 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
Het CBR heeft aan [appellant] een EMG opgelegd, omdat de politie aan het CBR mededeling had gedaan op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 over het rijgedrag van [appellant], waardoor het vermoeden bestond dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid die vereist is voor het besturen van een motorvoertuig. In een door de verbalisant opgemaakt mutatierapport staat dat [appellant] op 25 januari 2024 op de Eeuwigelaan en de Zeeweg in Bergen herhaaldelijk met een hogere snelheid heeft gereden dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan.
De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is uitvoerig gemotiveerd op die gronden ingegaan. Het betoog in hoger beroep biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het oordeel van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in dat oordeel en in de onder 10.3, 10.4, 10.6 en 10.7 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het hoger beroep is ongegrond.
Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
452-1160
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBNHO:2025:11776 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2025:11776 Rechtbank Noord-Holland, 27 maart 2025 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.