Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 10 januari 2022
ECLI:NL:RVS:2022:49Zaaknummer 202107577/1/V1
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 10 januari 2022
- Publicatiedatum
- 12 januari 2022
- Zaaknummer
- 202107577/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2022
574
Volledige tekst
202107577/1/V1.
Datum uitspraak: 10 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 november 2021 in zaak nr. NL21.14895 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 29 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walls, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het door de vreemdeling aangehaalde rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe en borderline-europe van 10 juni 2021 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij voornoemde uitspraak van 19 april 2021 is betrokken.
2. Voor het overige leidt het hoger beroep evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2022
574
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6175 Rechtbank Den Haag, 25 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5656 Rechtbank Den Haag, 20 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7251 Rechtbank Den Haag, 17 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4701 Rechtbank Den Haag, 4 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4703 Rechtbank Den Haag, 4 april 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3578 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3580 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2728 Rechtbank Den Haag, 7 maart 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2731 Rechtbank Den Haag, 7 maart 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2106 Rechtbank Den Haag, 23 februari 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:533 Rechtbank Den Haag, 19 januari 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12311 Rechtbank Den Haag, 17 november 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15243 Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15249 Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:2902 Raad van State, 10 oktober 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10132 Rechtbank Den Haag, 3 oktober 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:2657 Raad van State, 12 september 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:2115 Raad van State, 25 juli 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11230 Rechtbank Den Haag, 9 maart 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2022:376 Raad van State, 8 februari 2022 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.