Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 10 augustus 2022
ECLI:NL:RVS:2022:2296Zaaknummer 202201307/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2022
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2022
- Zaaknummer
- 202201307/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022
345-985
Volledige tekst
202201307/1/V3.
Datum uitspraak: 10 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2022 in zaak nr. NL22.1843 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatsecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en hem schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft op 10 februari 2022 aan de staatssecretaris en de vreemdeling bericht dat het beroep van de vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling op 16 februari 2022 om 09:30 uur op zitting met gebruik van telehoren zou worden behandeld. De vreemdeling is daar niet verschenen, omdat hij op dat moment in het busje zat om om 11:00 uur aan de Belgische grens te worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting, zodat de vreemdeling kon worden gehoord.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het recht van de vreemdeling om op zitting te worden gehoord is geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991), is het recht op zitting te worden gehoord, geregeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, een uitwerking van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van het EU Handvest en is dat recht, hoewel niet absoluut, een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Van de staatssecretaris had daarom in dit geval, gelet op het fundamentele karakter van dat recht, mogen worden verwacht in ieder geval te onderzoeken of de overdracht met een uur of enkele uren uitgesteld kon worden zodat de vreemdeling gebruik kon maken van zijn recht om ter zitting door de rechtbank te worden gehoord. Omdat de staatssecretaris dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank al daarom terecht geoordeeld dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting.
2.1. De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022
345-985
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1580 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19574 Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17561 Rechtbank Den Haag, 10 juni 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2099 Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14493 Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4329 Rechtbank Den Haag, 19 maart 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:86 Raad van State, 15 januari 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8419 Rechtbank Den Haag, 28 juni 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8425 Rechtbank Den Haag, 28 mei 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8042 Rechtbank Den Haag, 27 mei 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19771 Rechtbank Den Haag, 29 november 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3427 Raad van State, 11 september 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1580 Rechtbank Den Haag, 23 februari 2022 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.