Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Raad van State, 20 maart 2017
ECLI:NL:RVS:2017:780Zaaknummer 201608167/1/V3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 20 maart 2017
- Publicatiedatum
- 29 maart 2017
- Zaaknummer
- 201608167/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Van Roosmalen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2017
47.
Volledige tekst
201608167/1/V3.
Datum uitspraak: 20 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.D. den Hartogh, advocaat te Zutphen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling volgt niet het betoog van de vreemdeling dat het hogerberoepschrift van de staatssecretaris, met de verwijzing daarin naar grieven in een daarbij gevoegd hogerberoepschrift in een andere vrijwel identieke zaak, geen grieven bevat.
2. De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen heeft de Afdeling bij de uitspraken van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75, beantwoord. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris ook in deze zaak op grond van het slagen van grief 2 kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
3. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 28 september 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4.1. In beroep heeft de vreemdeling geklaagd dat de staatssecretaris ten onrechte zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) in behandeling heeft genomen. Hij voert aan dat hij een niet-begeleide minderjarige is en dat Nederland ingevolge die bepaling de voor de behandeling van zijn aanvraag verantwoordelijke lidstaat is.
4.2. Vast staat dat de vreemdeling bij zijn registratie in Duitsland een geboortedatum heeft opgegeven, waardoor hij in dat land als meerderjarig is geregistreerd. Met de overgelegde kopie van een op zijn naam gestelde Taskera heeft de vreemdeling zijn thans gestelde minderjarigheid niet aannemelijk gemaakt. De staatssecretaris wijst er in het besluit van 28 september 2016 terecht op dat de authenticiteit van dit stuk niet kan worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft verder terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling zijn geboortedatum in Duitsland kon corrigeren, maar dat niet heeft gedaan, alsmede dat hij bij de vreemdelingenpolitie inconsistente verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd. De staatssecretaris was, anders dan de vreemdeling heeft gesteld, dan ook niet gehouden tot het doen verrichten van een leeftijdsonderzoek. Hij heeft de vreemdeling bij het besluit terecht als meerderjarige aangemerkt en zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in behandeling genomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Van Roosmalen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2017
47.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2024:4086 Raad van State, 9 oktober 2024 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16266 Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14237 Rechtbank Den Haag, 2 augustus 2023 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15443 Rechtbank Den Haag, 15 november 2022 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16865 Rechtbank Den Haag, 16 november 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16528 Rechtbank Den Haag, 22 september 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16060 Rechtbank Den Haag, 22 juli 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15824 Rechtbank Den Haag, 10 juni 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15759 Rechtbank Den Haag, 14 mei 2021 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12207 Rechtbank Den Haag, 17 november 2020 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2019:2076 Raad van State, 28 juni 2019 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5213 Rechtbank Den Haag, 22 februari 2019 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:4614 Rechtbank Den Haag, 20 februari 2019 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:948 Rechtbank Den Haag, 5 februari 2019 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:13014 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5871 Rechtbank Den Haag, 16 mei 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 Rechtbank Den Haag, 20 april 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5292 Rechtbank Den Haag, 19 april 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6312 Rechtbank Den Haag, 17 april 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5033 Rechtbank Den Haag, 9 april 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:1241 Rechtbank Den Haag, 15 januari 2018 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:14622 Rechtbank Den Haag, 13 december 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13074 Rechtbank Den Haag, 14 november 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12538 Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12539 Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12541 Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12315 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13282 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:11154 Rechtbank Den Haag, 26 september 2017 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12532 Rechtbank Den Haag, 31 augustus 2017 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.