Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9750Zaaknummer BRE 24/8131
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 24/8131
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting / negatief ROW
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2024 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.736 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 18.000 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking en stelt het verlies uit aanmerkelijk belang over het jaar 2020 vast op € 18.000;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover belanghebbende verzoekt om matiging van de invorderingsrente;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op 7 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. O.M. Blok),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020, de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en het bij beschikking vastgestelde verlies uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag, de belastingrente en de verliesvaststellingsbeschikking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of het bedrag waarvoor belanghebbende in 2020 als borg is aangesproken als negatief resultaat uit overige werkzaamheden moet worden aangemerkt (standpunt belanghebbende) of als verlies uit aanmerkelijk belang (standpunt inspecteur).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een negatief resultaat uit overige werkzaamheden en dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrente worden verminderd en de verliesvaststellingsbeschikking wordt gewijzigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.736 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 55.500. Het verlies uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op € 55.500.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 1.834 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur].
Feiten
3. Belanghebbende was van 31 januari 2011 tot 31 mei 2020 enig bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 1] ( [B.V. 1] ). Op 31 januari 2011 hebben [B.V. 1] en [B.V. 2] (de personal holding van de heer [persoon]) [B.V. 3] ( [B.V. 3]) opgericht. [B.V. 3] hield 100% van de aandelen in [B.V. 4] en [B.V. 5]
Op 29 augustus 2013 hebben [B.V. 3] en [B.V. 6] ( [B.V. 6]) een intentieovereenkomst gesloten. In deze overeenkomt staat, voor zover hier van belang:
“ IN AANMERKING NEMENDE DAT:
(…)
C. [ [B.V. 3]] aan het groeien is en wil groeien, waardoor zij extra financiering wenst aan te trekken;
(…)
E. [ [B.V. 6]] interesse heeft te investeren in het bedrijf van [ [B.V. 3] ];
(…)
VERKLAREN ALS VOLGT TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:
(…)
[B.V. 6]] is bereid een bedrag van € 500.000,- in [ [B.V. 3]] te investeren (…), waarvoor [ [B.V. 6]] een belang van 25% in [B.V. 3] in de plaats zal ontvangen (…).
[B.V. 3]] zal aandelen uitgeven om ervoor zorg te dragen dat [ [B.V. 6]] een belang van 25% in [ [B.V. 3]] zal krijgen, welke aandelen winstrechtloze prioriteitsaandelen (…) zullen zijn (…)
(…)
Door de uitgifte van de Aandelen zullen drie aandeelhouders een belang in [ [B.V. 3]] hebben, namelijk (i) [B.V. 2] met een belang van 37,5%, (ii) [ [B.V. 1]] met een belang van 37,5% en (iii) [ [B.V. 6]] met een belang van 25%.
(…)
Partijen zijn voornemens om te gaan samenwerken.
De samenwerking zal eruit bestaan dat [ [B.V. 3]] (een deel van) haar productie (waaronder dient te worden verstaan: assemblage en ondersteuning in R&D), zal uitbesteden aan één of meerdere van de aan [ [B.V. 6]] gelieerde ondernemingen.
(…)
Indien en voor zover dat nodig mocht zijn, is [ [B.V. 6]] bereid om als borg voor [ [B.V. 3]] te fungeren en/of een lening aan [ [B.V. 3]] te verstrekken van maximaal € 400.000,- in totaal, mits de oorzaak en voorwaarden voor [ [B.V. 6]] conveniërend zijn. Voor de borgstelling zal [ [B.V. 6]] jaarlijks een vergoeding van 2% over het bedrag waarvoor borg is gesteld ontvangen.
(…)
Indien en voor zover [ [B.V. 3]] in enig jaar winst maakt, zal enkel de eerste € 30.000,- (6% over de investering van € 500.000,-) van de winst aan [ [B.V. 6]] toekomen.
Wanneer in een bepaald jaar geen winst wordt uitgekeerd, wordt de betaling van het bedrag van € 30.000,- een of meerdere jaren verlegd.”
Op 10 april 2014 is een kredietovereenkomst gesloten tussen enerzijds [B.V. 4], [B.V. 3] en [B.V. 5] en anderzijds ABN AMRO Bank N.V. In deze overeenkomst staat, voor zover hier van belang:
“De financiering bestaat uit de volgende onderdelen:
(…)
Kredietlimiet EUR 200.000,00
(…)
Voor wie [ [B.V. 3] ]
[B.V. 4]
(…)
Borgstellingskrediet 6-jarige lening
Hoofdsom EUR 225.000,00
Voor wie [B.V. 4]
(…)
Overige kosten (…) Een borgstellingsprovisie van 3,3% van EUR 225.000,00.
De Staat der Nederlanden staat borg voor een gedeelte van deze lening. U moet daarom borgstellingsprovisie betalen, zoals beschreven in de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (…). .
Bij het Borgstellingskrediet hoort een borgstelling van de Staat der Nederlanden. Dit staat in het Kaderbesluit EZ-subsidies (…).
(…)
Andere zekerheden en verklaringen
- Borgtocht van EUR 37.500,00 plus rente en kosten van [belanghebbende] (…)
- Borgtocht van EUR 50.000,00 plus rente en kosten van [ [B.V. 6]] (…)
- Borgtocht van EUR 37.500,00 plus rente en kosten van de heer [persoon] (…)
- Hoofdelijke verbondenheid van [ [B.V. 1]] (…)
- Hoofdelijke verbondenheid van [B.V. 2] (…)”
Op 3 maart 2016 is een borgstellingsovereenkomst gesloten tussen belanghebbende en ABN AMRO Bank N.V. In deze overeenkomst verklaart belanghebbende zich borg tot een bedrag van € 37.500 voor schulden van [B.V. 4], [B.V. 3] en [B.V. 7] aan ABN AMRO Bank N.V. Deze overeenkomst vervangt een eerdere overeenkomst.
Op 22 januari 2019 is de in 3.2 bedoelde kredietovereenkomst gewijzigd. De in 3.2 genoemde borgtocht van € 37.500 van belanghebbende is daarbij ongewijzigd gebleven.
In 2020 is belanghebbende als borg aangesproken door ABN AMRO Bank N.V. en heeft belanghebbende het in 3.2 tot en met 3.4 bedoelde bedrag van € 37.500 betaald.
De aangiften vennootschapsbelasting van [B.V. 3] lieten, voor zover hier van belang, het volgende beeld zien:
| Datum | Ondernemingsvermogen | Winst | ||
| Commercieel | Fiscaal | Commercieel | Fiscaal | |
| 31-12-2011 | € 53.159 | € 11.831 | -[_9f115211-51ef-4733-8ec0-50abbfaa9c3b] | € - 6.169 |
| 31-12-2012 | € 193.441 | € - 48.839 | € 140.282 | € - 9.343 |
| 31-12-2013 | € 442.837[_0c65577b-2763-4cff-8330-769c2a67f521] | € 246.5122 | € - 250.604 | € - 170.824 |
| 31-12-2014 | € 132.066 | € - 191.363 | € - 310.771 | € - 437.875 |
| 31-12-2015 | € 253.026 | € - 148.794 | € 120.960 | € 42.569 |
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
4. Belanghebbende verzoekt om matiging van de invorderingsrente.
De rechtbank overweegt dat beroep is ingesteld tegen de aanslag IB/PVV 2020 en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking. Invorderingsrente wordt door de ontvanger in rekening gebracht bij gehele of gedeeltelijke betaling van een aanslag. Daartegen kan bij de ontvanger bezwaar worden gemaakt, die vervolgens uitspraak op bezwaar doet. In het onderhavige geding ligt geen uitspraak van de ontvanger voor. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover belanghebbende verzoekt om matiging van de invorderingsrente.
Ten aanzien van de aanslag
De inspecteur stelt dat belanghebbende de in 3.5 bedoelde betaling niet als verlies uit overige werkzaamheden op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in mindering kan brengen omdat de in 3.2 tot en met 3.4 bedoelde borgstelling van meet af aan onzakelijk was. Subsidiair stelt de inspecteur dat de borgstelling tussen 10 april 2014 en het jaar 2020 onzakelijk is geworden.
Is de borgstelling onzakelijk op het moment van aangaan?
De rechtbank stelt voorop dat het bedrag waarvoor belanghebbende vanwege de borgstelling is aangesproken in beginsel als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking kan worden genomen. Dit is slechts anders indien sprake is van een onzakelijke borgstelling. De bewijslast dat de borgstelling onzakelijk is, rust op de inspecteur.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onzakelijke borgstelling, sluit de rechtbank aan bij het toetsingskader dat de Hoge Raad heeft geschetst in het kader van onzakelijke hoofdelijke aansprakelijkstelling. Indien een aanmerkelijkbelanghouder zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een geldverstrekking aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, en dat hoofdelijk aansprakelijk stellen slechts kan worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, zal het eventueel uit die hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende verlies niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kunnen worden gebracht. Voor de beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, is beslissend of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden.[_cb9a2b2d-0f2b-4616-a8cd-e5fcf506d59b]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de borgstelling op het moment van aangaan op 10 april 2014 onzakelijk was. Niet aannemelijk is dat de financiële situatie en toekomstperspectieven van [B.V. 3] zodanig slecht waren dat de borgstelling uit aandeelhoudersperspectief is aangegaan. Voor de financiële situatie van [B.V. 3], gaat de rechtbank uit van de commerciële cijfers (zie 3.6). De fiscale cijfers geven immers een vertekend beeld doordat fiscale faciliteiten zijn toegepast. Het commerciële vermogen van [B.V. 3] is in 2013, als de kapitaalstorting door [B.V. 6] buiten beschouwing wordt gelaten, weliswaar negatief geworden en is in 2014 nog verder gedaald, maar aan de andere kant was [B.V. 6] in 2013 nog bereid om fors in [B.V. 3] te investeren (zie 3.1). Hoewel [B.V. 6] toen ook een aandelenbelang in [B.V. 3] verkreeg en daardoor geen onafhankelijke derde meer was en er mogelijk commerciële belangen van [B.V. 6] zelf meespeelden, duidt dit er naar het oordeel van de rechtbank ook op dat [B.V. 6] [B.V. 3] kennelijk als veelbelovende startup zag. In 2015 waren ook de resultaten positief, wat het standpunt van belanghebbende ondersteunt dat de verwachtingen gunstig waren. Verder heeft ABN AMRO Bank N.V. in 2013 een krediet van € 200.000 aan (onder meer) [B.V. 3] verstrekt, alsmede een borgstellingskrediet van € 225.000 (zie 3.2). [B.V. 3] voldeed aan de voorwaarden in het Kaderbesluit EZ-subsidies en kwam in aanmerking voor een borgstelling door de Staat der Nederlanden voor € 225.000.
De omstandigheid dat geen borgstellingsvergoeding is overeengekomen, maakt niet dat de borgstelling onzakelijk is. Beslissend is of een niet-winstafhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om de borgstelling aan te gaan. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het bedrag van de borgstelling € 37.500 is. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt – mede gelet op de feitelijke situatie van [B.V. 3] – dat dit absoluut en relatief een zodanig bedrag is dat een onafhankelijke derde geen genoegen zou nemen met iets anders dan een (in wezen) winstafhankelijke vergoeding. [B.V. 6] en de Staat waren beide bereid om voor veel grotere bedragen borg te staan tegen een vaste niet van de winst afhankelijke vergoeding. Hoewel daarvoor (mogelijk) overigens andere condities (zouden) gelden, geeft dit wel een indicatie.
De rechtbank gaat er daarom van uit dat de borgstelling op het moment van aangaan op 10 april 2014 zakelijk was.
Is de borgstelling in de loop van de tijd onzakelijk geworden?
In de jurisprudentie over de onzakelijke lening heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd door onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.[_1cba52cd-32e3-4ded-b8dd-3dfc42bf3099] In dat geval moet de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk maken waaruit volgt op welk moment een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als belanghebbende, welke maatregel zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de vordering veilig te stellen en in hoeverre deze daarin zou zijn geslaagd. Indien deze analyse ertoe leidt dat en in hoeverre ook een derde verlies zou hebben geleden, is het geleden verlies in zoverre aftrekbaar.[_301d37d9-c68b-4b5c-adcc-3b7f13c25d70]
Voor een borgstelling geldt niet zonder meer dat maatregelen kunnen worden getroffen om rechten veilig te stellen. Een borgtocht aangegaan voor een verbintenis die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaat of ontstaat, kan niet worden opgezegd.[_7acfb28d-5022-40f1-abf6-73ee1e867177] Indien de borgtocht ziet op toekomstige verbintenissen welke niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestaande rechtsverhoudingen – zoals een kredietovereenkomst – dan kan een particuliere borg de borgtocht wel opzeggen.[_879fb2ab-c423-4554-b379-887e35263650] De borgtocht blijft ook dan echter bestaan voor de reeds ontstane verbintenissen.[_035d71b8-bd00-4bda-a6df-6316b7bb5a6b] Een zakelijke borgtocht kan in beginsel niet worden opgezegd.[_08c1d431-2dde-44a5-9fb8-150008f64f04] Voorgaande past ook binnen de aard van een borgtochtovereenkomst. De borgtocht is bedoeld om zekerheid te bieden als de schuldeiser zijn verbintenissen met de hoofdschuldenaar niet meer kan nakomen.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende na de borgstelling – zoals bij de wijziging van de overeenkomst met ABN AMRO Bank N.V. in 2019 – niet onzakelijk heeft gehandeld met het gevolg dat hij bepaalde rechten niet heeft veilig gesteld, terwijl een onafhankelijke derde daarin wel geslaagd zou zijn. Een onafhankelijke derde had namelijk ook geen maatregelen kunnen treffen om (de hoogte van) de borgstelling te beperken. Ook als hij de borgtocht had kunnen opzeggen of nadere voorwaarden met [B.V. 3] had kunnen overeenkomen, dan nog kon hij door ABN AMRO Bank N.V. worden aangesproken voor het bedrag van € 37.500. De borg blijft immers aansprakelijk voor de op dat moment bestaande verbintenissen van [B.V. 3] en deze waren telkens hoger dan het bedrag waarvoor belanghebbende borg stond. Belanghebbende heeft namelijk onweersproken gesteld dat in 2014 meteen voor een groot deel gebruik is gemaakt van de kredietfaciliteit en dit bedrag in de jaren erna alleen wat heeft geschommeld. Een onafhankelijke derde had dus hetzelfde verlies geleden. Dit betekent dat het verlies uit de borgstelling aftrekbaar is.
Tussenconclusie ten aanzien van de aanslag
Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan belanghebbende de in 3.5 bedoelde betaling wel als verlies uit overige werkzaamheden op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in mindering brengen. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.736 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 18.000. De rechtbank zal aldus beslissen. De rechtbank zal de verliesvaststellingsbeschikking tevens in overeenstemming daarmee wijzigen naar een verlies van € 18.000.
Ten aanzien van de belastingrentebeschikking
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Omdat de rechtbank de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag vermindert, vermindert zij de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig. Belanghebbende heeft de overige gronden ter zake van de belastingrentebeschikking ter zitting ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft deelgenomen aan de zitting (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2024 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.736 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 18.000 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking en stelt het verlies uit aanmerkelijk belang over het jaar 2020 vast op € 18.000;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover belanghebbende verzoekt om matiging van de invorderingsrente;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op 7 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
- De rechtbank is niet bekend met de commerciële winst over het jaar 2011.
- Hierin is de kapitaalstorting van € 500.000 door [B.V. 6] begrepen.
- Hoge Raad 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2984.
- Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.
- Hoge Raad 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735.
- Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 453.
- Artikel 7:861, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
- Artikel 7:861, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek
- Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10190.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.