Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 1 maart 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ2735Zaaknummer 12/03088
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 1 maart 2013
- Publicatiedatum
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 12/03088
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 3.90 Wet IB 2001. Afwaardering lening met onzakelijk debiteurenrisico dat gedurende de looptijd is ontstaan.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 944, derhalve € 472, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, C.H.W.M. Sterk en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
1 maart 2013
Nr. 12/03088
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 mei 2012, nr. 11/00673, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 09/5125) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is in gemeenschap van goederen gehuwd met X-Y. Haar echtgenoot houdt alle gewone aandelen in A B.V. A B.V. houdt alle aandelen in B B.V. (hierna: B BV). B BV exploiteert een nationaal en internationaal transport- en expeditiebedrijf alsmede een overslagbedrijf.
3.1.2. Belanghebbendes echtgenoot heeft op respectievelijk 1 maart 1998, 24 december 1998 en 3 januari 2000 tegen dezelfde voorwaarden leningen verstrekt aan B BV met als hoofdsommen ƒ 621.000, ƒ 100.000 en ƒ 100.000.
3.1.3. De leningen waren met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden opeisbaar vanaf respectievelijk 31 december 1998, 31 december 1999 en 31 december 2000.
3.1.4. B BV heeft de leningen aangewend voor de aanschaf van transportmiddelen. De rente over de leningen is zij schuldig gebleven en de rente is bijgeschreven bij de hoofdsom. In de loop van de jaren hebben enkele aflossingen op de leningen plaatsgevonden. Nadat de rente over het jaar 2005 eveneens bij de hoofdsom was bijgeschreven, bedroegen de leningen ultimo 2005 in totaal € 425.743.
3.1.5. In augustus 2005 heeft B BV ten behoeve van belanghebbendes echtgenoot een pandrecht op haar transportmiddelen gevestigd als zekerheid voor de aflossing van de leningen. In september 2005 heeft B BV het personeel ontslagen. De transportmiddelen heeft B BV vervreemd aan A B.V. De koopsom is verrekend met de vordering die A B.V. had op B BV.
3.1.6. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 2005 de lening afgewaardeerd tot nihil. Zij hebben ieder € 212.531 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden gebracht. De Inspecteur heeft deze aftrek geweigerd omdat sprake zou zijn van een zogeheten onzakelijke lening.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht de leningen aan B BV heeft aangemerkt als leningen met een onzakelijk debiteurenrisico en daarmee terecht de afwaardering van de leningen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft geweigerd.
Het Hof heeft overwogen dat onder onzakelijk handelen van de crediteur eveneens dient te worden verstaan het nalaten te handelen door de crediteur op het moment dat een onafhankelijke derde die eenzelfde lening onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden zou hebben verstrekt, wel gehandeld zou hebben teneinde het debiteurenrisico te beperken. Belanghebbende heeft niet althans onvoldoende gehandeld nadat zij ermee bekend is geraakt dat B BV aanzienlijke verliezen leed. De verliezen waren zo omvangrijk dat daardoor het eigen vermogen van B BV sterk daalde en zelfs negatief werd. Zij was wel tot handelen in staat, omdat alle leningen in ieder geval vanaf 31 december 2000 opeisbaar waren met een opzegtermijn van drie maanden. Belanghebbende heeft de leningen niet geheel of gedeeltelijk opgeëist op het moment dat volledige aflossing daarvan nog mogelijk was. Met uitzondering van het pandrecht dat in augustus 2005 op de transportmiddelen van B BV is gevestigd, heeft belanghebbende in de loop van de tijd geen zekerheden voor de aflossing van de leningen verlangd. Zij heeft toegestaan dat B BV de rente schuldig bleef. Van het in augustus 2005 bedongen pandrecht heeft zij geen gebruik gemaakt op het moment dat de transportmiddelen verkocht werden aan A B.V. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende door niet althans onvoldoende te handelen op het moment dat het debiteurenrisico een dusdanige omvang kreeg dat een onafhankelijke derde die eenzelfde lening onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden was aangegaan, wel gehandeld zou hebben, een debiteurenrisico aanvaard met de bedoeling het belang van haar vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Daargelaten of de door belanghebbende verstrekte leningen op het moment van het aangaan van die leningen onzakelijk waren, zijn de leningen in ieder geval gedurende de looptijd onzakelijk geworden door het niet of onvoldoende handelen van belanghebbende op het moment waarop een onafhankelijke derde wel gehandeld zou hebben, aldus het Hof.
Hiertegen keren zich de middelen.
3.3. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4. Bij de beoordeling van middel II wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.1. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden (HR 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN BN3442, BNB 2012/37). Voor het niet in aanmerking nemen van een debiteurenverlies op een lening die bij het aangaan zakelijk was, zal de inspecteur feiten (en omstandigheden) aannemelijk moeten maken waaruit volgt op welk moment een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als belanghebbende (waaronder de kennis die belanghebbende heeft van de debiteur), welke maatregel zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de desbetreffende vordering veilig te stellen, en in hoeverre deze daarin dan zou zijn geslaagd. Indien deze analyse ertoe leidt dat en in hoeverre ook een derde verlies zou hebben geleden, is het door belanghebbende geleden verlies in zoverre aftrekbaar.
3.4.2. Het Hof heeft in het midden gelaten of de onderhavige lening op het moment van het aangaan reeds als een onzakelijke lening moet worden aangemerkt. Daarom moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat zulks niet het geval is. Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet dat het Hof hetgeen hiervoor in 3.4.1, tweede en derde volzin, is overwogen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Als het Hof dat niet heeft gedaan, getuigt dat van een onjuist rechtsoordeel. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, is zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Middel II slaagt. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 12/03033 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 944, derhalve € 472, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, C.H.W.M. Sterk en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARN:2012:BW7233 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2026:55 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 13 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15787 Rechtbank Noord-Holland, 23 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15819 Rechtbank Noord-Holland, 23 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2355 Gerechtshof Amsterdam, 28 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1984 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1641 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:408 Gerechtshof Den Haag, 31 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13667 Rechtbank Noord-Holland, 18 december 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:5843 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:66 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1234 Gerechtshof Amsterdam, 7 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:184 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10578 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2379 Rechtbank Gelderland, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:642 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5041 Rechtbank Gelderland, 26 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:10037 Rechtbank Noord-Holland, 16 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:6545 Rechtbank Noord-Holland, 16 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:4308 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:751 Rechtbank Noord-Nederland, 8 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:6724 Rechtbank Gelderland, 27 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5050 Rechtbank Gelderland, 29 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5051 Rechtbank Gelderland, 29 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:566 Parket bij de Hoge Raad, 15 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9616 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4810 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2016:4609 Rechtbank Noord-Nederland, 20 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:3277 Rechtbank Gelderland, 21 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1713 Gerechtshof Den Haag, 7 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:4542 Rechtbank Noord-Holland, 26 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1524 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1184 Gerechtshof Den Haag, 29 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:1451 Rechtbank Gelderland, 15 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:973 Rechtbank Gelderland, 25 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:638 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2015:7215 Rechtbank Gelderland, 24 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:7651 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:7518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:3506 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:645 Hoge Raad, 20 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:1477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 februari 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2013:5695 Rechtbank Noord-Nederland, 24 september 2013 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARN:2012:BW7233 Gerechtshof Arnhem, 15 mei 2012 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.