Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 februari 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:972Zaaknummer BRE 26/560

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
BRE 26/560
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

niet ontvankelijk, griffierecht niet betaald

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 17 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/560

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda

Inleiding

  • In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
  • Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van de Awb moet bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht worden betaald. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is het verzoek niet-ontvankelijk. Dit is bepaald in artikel 8:82 van de Awb, in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

4. Aan verzoeker is bij aangetekende brief van 27 januari 2026 de nota voor het betalen van griffierecht verstuurd. Daarbij is meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk twee weken na de datum van de nota moet zijn bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Verzoeker is er in deze brief ook op gewezen dat bij niet tijdige betaling het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

5. De voorzieningenrechter constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het verzoek is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 17 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.