Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9665Zaaknummer BRE 26/1099
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/1099
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verzet.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 7 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1099 V
uitspraak van 7 oktober 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant], uit [plaats], opposant[_d7a3b102-93f3-4079-b8bc-7d501d3d774e]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van 10 juni 2026 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Procesverloop
Opposant heeft op 25 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2025 op zijn informatieverzoek op grond van de Wet open overheid.
Opposant heeft beroep ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar.
Bij brief van 6 mei 2026 heeft de griffier opposant verzocht om schriftelijk uit te leggen wat zijn procesbelang is bij zijn zaak.
Opposant heeft op 11 mei 2026 per brief gereageerd op de brief van de griffier.
Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond verklaard en heeft verweerder veroordeelt tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan opposant.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Niet in geschil is dat het beroep kennelijk gegrond is. Het verzet is gericht tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Het verzet is op verzoek van opposant ter zitting behandeld in Breda op 6 oktober 2026. Hieraan hebben opposant en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is, met voorafgaand bericht van 22 september 2026, niet verschenen.
Beoordeling van het verzet
2. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank nog 0,5 punt aan proceskostenvergoeding moet toekennen, omdat zijn reactie van 11 mei 2026 aangemerkt moet worden als schriftelijke inlichtingen (artikel 8:45, eerste lid) dan wel repliek (artikel 8:43, eerste lid) in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De verzetrechter stelt voorop dat vergoeding van proceskosten die bij een beroepsprocedure zijn opgekomen ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts kan plaatsvinden voor proceshandelingen die zijn opgenomen in de bijlage bij het Bpb.[_b2151726-9f52-43af-be0e-7c1601983e97] Naar het oordeel van de verzetrechter valt de reactie op de griffiersbrief van 6 mei 2026 niet onder de definitie van schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45, eerste lid, van de Awb, ook niet onder de definitie van repliek als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb en is deze evenmin te brengen onder één van de andere categorieën die zijn vermeld in die bijlage. De rechtbank dient immers ambtshalve te onderzoeken of een eiser (nog) wel procesbelang heeft en een eventuele toelichting daarop die van eiser wordt gevraagd valt binnen die ontvankelijkheidstoets.
In wat opposant heeft aangevoerd ziet de verzetrechter dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 juni 2026. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling in verzet bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 7 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open
Voetnoten
- Met opposant wordt de indiener van het verzetschrift bedoeld.
- ECLI:NL:RVS:2024:233, r.o. 3.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.